Jean-François

Het 'verdachte overlijden' van Jean-François, zoals de hoofdinspecteur van 1ste klasse van de Brusselse politie het noemt, heeft nooit de Belgische kranten gehaald. J. F. (met die initialen liet hij zich het liefst aanspreken) is dan ook geen minderjarige die in handen viel van lieden als Marc Dutroux.

THEO KOELE

J. F. werd 22 of 23 jaar; niemand weet het precies. Hij stierf op de late avond van zijn verjaardag, zaterdag 22 maart, of zondag in de vroege ochtend. Om 01.30 uur werd hij levenloos aangetroffen in zijn appartement in het centrum van Brussel. Een overbuurman had hem in een vreemde houding in een stoel zien zitten.

Bij het betreden van het onderkomen van J. F., student aan de kunstacademie, dacht mevrouw de onderzoeksrechter aan aids; het lichaam vertoonde onduidelijke vlekken. Daarom wilde de hoofdinspecteur van mij, vriend en minnaar van J. F., alles weten over diens seksleven. De politieman informeerde ook naar drugsgebruik en de mogelijkheid van zelfmoord. Een sympathieke man overigens, en dat vindt ook de moeder van J. F. Voor het overige heeft zij geen goed woord over voor het onderzoek dat volgde op het verdachte overlijden van haar enige zoon.

Ze huilt om de 'desinteresse' van de kant van justitie en politie, om de vergeefse pogingen inzage te krijgen in het dossier. Ze vergelijkt zich met de ouders van Julie en Melissa, die na lang zeuren 173 stukken uit een dossier dat meer dan 8 000 pagina's telt, mochten inzien.

Net als de ouders van de dode Waalse meisjes, slachtoffers van Dutroux en de zijnen, pijnigt de moeder van J. F. zich met vragen over het onderzoek. Autopsie leverde niets op, een daaropvolgend toxicologisch onderzoek toonde een kleine hoeveelheid methadon in het bloed van J. F. aan. Volgens artsen voldoende om iemand die niet aan drugs verslaafd is een hartstilstand te bezorgen.

Hoe kwam hij aan methadon, wil de moeder weten. Heeft de politie zijn bovenbuurman, die wegens drugsdelicten in de cel zat, wel serieus verhoord? De man leverde J. F. af en toe hasj, dat staat vast.

En, vraagt de moeder zich af, wanneer is J. F. voor het laatst levend gezien? Volgens een gemeenschappelijke kennis van J. F. en mij was hij 's middags voor zijn dood nog 'met iemand' gesignaleerd in een café waar hij als ex-werknemer goed bekend was.

Ik meldde dit gegeven per fax aan de politie (de sympathieke hoofdinspecteur had verlof). Toen ik op het bureau vroeg of de tekst ter bestemming was gekomen, werd ik afgepoeierd. In de eerste plaats, zo kreeg ik te horen, was het onderzoek inmiddels in handen van een andere dienst, de gerechtelijke politie. Bovendien: “Meneer, weet u wel hoeveel faxen we hier krijgen? We hebben geen tijd om die allemaal door te nemen.” Wat, vroeg ik, moest ik doen om te zorgen dat althans míín fax serieus werd genomen? Het antwoord was volstrekt onlogisch: “Stuurt u nog maar een fax.” Ditmaal aan mevrouw de officier van dienst.

Het is niet na te gaan of de fax ooit een speurder, zoals de Belgen zeggen, heeft bereikt. Laat staan of men er iets mee gedáán heeft. Volgens de moeder van J. F. heeft de politie nooit navraag gedaan in het café waar haar zoon voor het laatst gezien zou zijn. Onverteerbaar, vindt ze dat.

“Het onderzoek is niet afgerond”, verzekert de sympathieke politieman mij. Maar hij zit te ver van het vuur om er het fijne van te weten; sinds de affaire-Dutroux weet België hoe de verschillende politiediensten elkaar dwarszitten.

J. F. had een stopwoord, pauvre, dat hij als een mild scheldwoord gebruikte. Zoiets als: stommeling. Het woordenboek zegt: armzalig, schamel. Een treffende aanduiding voor het onderzoek. Ik troost me met de gedachte dat mon pauvre ami betekent: m'n beste vriend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden