Review

Je moet je eigen weg gaan

In haar succesvolle turf ’De vermaledijde vaders’ verdeelde Van Paemel de wereld nog in bad guys en good girls. Zo anti-man is ze inmiddels niet meer: haar nieuwe roman ’De koningin van Sheba’ telt bijvoorbeeld een aardige meester (man) en een akelige non (vrouw). Toch heeft Van Paemel het humorloze zwart-wit denken nog niet achter zich gelaten, schrijft Jaap Goedegebuure.

Je hebt vertellers die uitblinken op de korte afstand en excelleren in genres als de novelle of een roman van om en nabij de 150 pagina’s. En je hebt auteurs die het schrijven beoefenen als was het de marathon. Die tweede tak van sport resulteert in dikke boeken die zijn ontworpen met het oog op een meerdelige cyclus. J.J. Voskuil, A.F.Th. van der Heijden en in een iets verder verleden Joyce & Co (alias Geerten Meijsing) kunnen gelden als de Nederlandse kampioenen in deze lange-afstandliteratuur. Ook Monika van Paemel, ongekroonde koningin van de Vlaamse letteren, liet zich niet onbetuigd. Na drie tamelijk dun uitgevallen beginnersromans (’Amazone met het blauwe voorhoofd’, ’De confrontatie’ en ’Marguerite’) pakte ze uit met ’De vermaledijde vaders’ en daarna volgden nog eens vier dikke turven.

Van Paemel was niet alleen een kei in het produceren van lijvige romans, ze droeg er ook een stevige boodschap in uit. Het leed der wereld was volgens haar voornamelijk te danken aan de kortzichtigheid, de zelfzucht en de machtswellust van de heren der schepping. Het bijvoeglijk naamwoord ’vermaledijd’ in de titel van haar magnum opus diende ernstig te worden genomen. Niet Eva was belast met een vloek, maar Adam. Onderdrukking, ballingschap, overbevolking, ecologische rampen, het waren allemaal erfzonden die op zijn kerfstok stonden.

Een kleine twintig jaar na ’De vermaledijde vaders’ kwam Van Paemel met ’Celestien’, het eerste deel van een nieuwe trilogie die getuige de titel (’De gebenedijde moeders’) bedoeld was als tegenhanger van haar grote succesboek. Van ophemeling ten gunste van de vrouw was hier overigens geen sprake meer. Van Paemel leek plotsklaps milder en genuanceerder. Wanneer ze de verdediging van de vrouw en het vrouwelijke nog eens op zich nam, dan deed ze dat met enige relativering.

Relativering van de tegenstelling tussen bad guys en good girls kenmerkt ook de toon van de vierhonderd pagina’s dikke roman ’De koningin van Sheba’ (die duidelijk samenhangt met ‘Marguerite’ en ‘Celestien’, zonder dat duidelijk is of dit nieuwe boek nu mag gelden als deel twee van ‘De vermaledijde moeders’). Francisca van Puynbroekx, de eigengereide en dwarse ik-figuur van negen jaar oud in wie we een jeugdig alter ego van de auteur kunnen herkennen, heeft wel degelijk last van de botheid en brute kracht waarmee sommige mannen zich laten gelden, maar in haar omgeving zijn er ook nazaten van Adam die ze accepteert of zelfs bewondert. Onder hen neemt de onderwijzer van de plaatselijke jongensschool (waar ze bij wijze van uitzondering is toegelaten) een prominente plaats in. Hij treedt op als haar mentor, verstrekt wijze levenslessen en scherpt haar taalgevoel en verbeelding, onmiskenbaar kwaliteiten waarmee ze haar schrijversaspiraties verraadt.

De queeste naar een eigen plek en een eigen identiteit, die hier het thema uitmaken, is des te complexer nu Francisca praktisch ouderloos is. Haar moeder is opgenomen in een psychiatrische inrichting, haar vader, tijdens de Tweede Wereldoorlog Oostfrontstrijder in dienst van de nazi’s, bevindt zich in het ziekenhuis. Als pleegkind van de norse oom Oscar en de even zorgzame als zenuwachtige tante Rachel alias Moetje, en als nichtje van de jaloerse Lena en de sombere, aan KZ-syndroom lijdende oom Firmijn krijgt ze te maken met uiteenlopende loyaliteiten, dan wel sympathieën en antipathieën. Wat ze van al dat laveren en schipperen vooral leert, is dat ze haar eigen weg moet gaan. En dat doet ze dan ook, met de soevereine allure van een zelfbenoemde vorstin.

Monika van Paemel heeft dit in schoon-Vlaams taaleigen opgediste verhaal over een prepuberaal voorjaarsontwaken gesitueerd tegen de achtergrond van het anno 1955 nog vredig sluimerende platteland onder de rook van Gent. In dat opzicht representeert ‘De koningin van Sheba’ het type van de boerenroman, in Vlaanderen altijd zo rijk vertegenwoordigd. Stijn Streuvels en Felix Timmermans liepen in de evocatie van een inmiddels verloren Arcadië vooruit op Hugo Claus (‘De Metsiers’) en Paul de Wispelaere (‘Tussen tuin en wereld’). De onlangs sterk naar voren gekomen romancier Dimitri Verhulst kan worden gezien als het laatgeboren na-neefje dat in ’De helaasheid der dingen’ het pastorale genre buitengewoon vermakelijk wist te parodiëren.

Bij Van Paemel is daar geen sprake van. Niet alleen laboreert ‘De koningin van Sheba’ in voortschrijdende mate aan langdradigheid, het boek gaat ook zwaar gebukt onder een volstrekt humorloze zwart-wit schematiek. Het enige verschil met ‘De vermaledijde vaders’ is dat er nu ook aardige mannen en minder aardige vrouwen in Van Paemels wereldbeeld figureren. Tegenover de behulpzame meester staat de akelige non van de meisjesschool, bullebak Oscar krijgt het contrast van de zachte (en politiek zuivere) Firmijn, de nerveuze sloof Moetje vindt haar meerdere in de plaatselijke vroedvrouw Manse, en zo verder. Kennelijk is Monika van Paemel niet in staat de tegenstelling tussen vermaledijden en gebenedijden los te laten, zulks tot schade van haar schrijverschap.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden