Opinie

Je moet goed door de zinnetjes heen luisteren

Umoet me niet meer slaan. Ik wil niet meer geslagen worden'', kermt actrice Marie-Louise Stheins. Even later mompelt ze 'horendolle konijnenkut' naar een medespeelster, maar dat staat niet voorgeschreven in het toneelstuk van de Duits-Hongaarse auteur üdön von Horváth. ,,Je hebt de ramen open gezet en de baby op de tocht gezet'' staat ook niet in het script, dus corrigeert regisseur Antoine Uitdehaag prompt: ,,Je hebt de ramen open gedáán en de baby op de tocht gezét''.

Het Nationale Toneel repeteert 'Verhalen uit het Wienerwald' onder gastregie van Antoine Uitdehaag. Von Horváth (1901-1938) gaf zijn 'volksstuk in drie delen' het motto: 'Niets geeft zozeer het gevoel van oneindigheid als de domheid'. Von Horváth heeft volgens regisseur Uitdehaag 'een ongelooflijke scherpe blik op politiek, intermenselijke en vooral op man-vrouwverhoudingen'.

,,In Wenen bracht hij veel tijd door in koffiehuizen, waar hij in een hoekje gesprekken van 'de gewone mensen' afluisterde en notities maakte. Hij gebruikt wonderlijke, hortende en stotende taal, en zinswendingen waar later Pinter in zou excelleren. Als van James Joyce gezegd wordt dat die de ontdekker van de monologue intérieur is, dan is üdön von Horváth de ontdekker van de dialogue intérieur.

(Oskar: De man is alleen schijnbaar de actieve partij, en de vrouw alleen schijnbaar de passieve -als je daar dieper op ingaat-

Alfred: Dan gaan er afgronden voor je open.)

En ook stiltes zijn belangrijk bij Von Horváth, die het stuk een eigen ritme geven.''

Oskar: Ik weet dat jij mij veracht.

Marianne: Hoe kom je daarbij idioot!

(stilte)

Oskar: Het is dus geen liefde bij jou?

Marianne: Wat is liefde?

(stilte)

Oskar: Wat denk je nu?

,,Of 'geciteerde' spreuken als:

Op de verlovingsdag! Naakt liggen kroelen! Goeiemorgen! Marian! Kleed je aan! Als Oskar nou maar niet komt -Jezus, Maria en 'n stukkie Jozef!

'n Stukkie Jozef -dat bedenk je toch niet? Dat heeft Von Horváth in een Weens koffiehuis opgevangen. Hij toont hoe mensen in verbasterde gezegdes spreken, van elkaar of uit de krant. Ook nu hoor je op radio of televisie mensen geleende uitdrukkingen formuleren, clichés, kalenderwijsheden. Von Horváth gebruikt die niet als stijltruc, maar als middel om te tonen hoe mensen iets anders zeggen dan zij bedoelen, hoe zij vergoelijken om maar niet aan de kern, aan de confrontatie met zichzelf toe te komen.''

Uitdehaag typeert de toneelschrijver tweeduidig: genadeloos in het beschrijven van zijn egoïstische, botte personages met name de houding van mannen tegenover vrouwen, zonder dat hij een mensenhater wordt. ,,Von Horváth heeft mededogen met zijn personages. Hij ontleedt ze als het kind dat een pop uit elkaar trekt om het binnenste te kunnen zien, terwijl het toch niet minder van die pop houdt.''

Met Tsjechov en Schnitzler behoort Von Horváth tot het handjevol toneelschrijvers met wie Uitdehaag zielsverwantschap koestert. ,,Het is geen gemakkelijk schrijver; je moet goed door zijn zinnetjes heen luisteren.'' De strekking van 'Verhalen uit het Wienerwald' is snel verteld (het dorpsmeisje Marian wordt uitgehuwelijkt, maar raakt blindelings verliefd op een andere man; een fielt, verliest haar zoontje door een jaloerse grootmoeder uit wier schoot nazi-Duitsland kruipt, verzeilt in bordeel en cachot en blijft leeggeplukt achter) maar daarmee doe je het stuk tekort. Het gaat vooral om het laffe, niet-ingrijpende en medeplichtige gedrag van mensen onderling. Een waaier kortom van levenshoudingen, van standpunten, van jaloezie.

Uitdehaag: ,,Von Horváth is niet moralistisch, hij laat de mens in al zijn platheid en directheid zien zonder te zeggen of die goed of slecht is. Tussendoor schrijft hij muziek voor: Johan Strauss' 'Geschichten aus dem Wienerwald', 'Frühlingsstimmen' walsflarden uit 'Uber den Wellen', 'In lauschiger Nacht', 'Wie eiskült ist dieses Hündchen', 'De Bruiloftmars', Schumanns 'Trüumerei', Chopins treurmars en klokkenspel als winkelbel. Of zet iemand opeens een smartlap in, zoals nu in een café opeens André Hazes opklinkt.''

Daar buiten in de Wachau, de Donau stroomt zo blauw, ik weet er een huisje staan, daar kijkt een meisje uit 't raam, haar lippen rood als bloed, en kussen kan ze goed, haar ogen zijn hemelsblauw, van het meisje in de Wachau.

Al vroeg wist Antoine Uitdehaag dat het samenbrengen van beeldende kunst, literatuur en toneelspel, en dus regisseren, zijn hartstocht was. ,,Uiteindelijk gaat het steeds om dat ene heilige moment tussen acht en elf uur 's avonds. Alle andere kunsten maak je af, voltooi je, maar toneel moet elke avond opnieuw geboren worden. Of voorstellingen na verloop van de tournee steevast inzakken? Dat ligt aan de regie. Je moet niet van het toeval uitgaan. Hoe hechter en sterker je het fundament van je bouwwerk legt, hoe vrijer de acteur vervolgens kan spelen. En dan nog verschilt een voorstelling per avond. Wonderen verschijnen nou eenmaal niet op bestelling. Soms beland je in dat 'heilige moment', zomaar op een regenachtige donderdagmiddag tijdens de repetities, dat je even met z'n allen gaat vliegen.''

Een dwingende regisseur is Uitdehaag allerminst, hij voelt zich als een vis in het water tussen zijn toneelspelers. 'Een heikel moment' breekt steevast aan wanneer de voorstelling van het repetitielokaal op de schouwburgzaal moet worden 'overgezet'. Kostuums en decor zijn er dan voor het eerst bij, de intimiteit van het repetitielokaal is verdwenen, de afstanden groter.

Tijdens de premières drentelt Uitdehaag niet getergd tussen de coulissen of onder het toneel rond een monitor -zoals veel regisseurs doen- maar zit hij in de zaal. ,,Ik wil zien wat ze gedaan hebben. Ik wil erbij zijn, ik moet die zaal voelen, al ga ik altijd bij de deur zitten zodat ik in theorie weg kan lopen als het koude zweet me uitbreekt.''

Na afloop ontlaadt zich, als het niet fout is gegaan, de spanning in euforie. En voor de regisseur ook in een zekere melancholie, want in tegenstelling tot de acteurs is zijn werk, na een halfjaar, patsboem afgelopen. Tegen die tijd broeit hij al weer op een volgende stuk, zoals Tsjechovs 'Drie zusters', dat hij in Leipzig gaat ensceneren.

Intuïtie leidt hem naar de repertoirekeuze. Lang geleden al vermoedde Uitdehaag dat de Oostenrijkse rasmopperaar Thomas Bernhard 'niet zo'n schrijver' voor hem was. Desalniettemin regisseerde hij diens 'De wereldverbeteraar' en ontdekte 'een toch wel fascinerende wereld' in Bernhards werk.

En toch, dat antivermoeden van destijds tegen Bernhard koestert hij nog steeds. Hermetische, zwarte en cynische toneelstukken charmeren hem nou eenmaal niet. En Büchner vindt hij een prachtige schrijver maar zijn 'Leonce en Lena' ronduit 'helemaal niks'. ,,Je moet de stukken doen die je wilt doen. Nee, ik zou 'Leonce en Lena' ook niet als uitdaging willen regisseren. Ik heb geen neiging tot zelfkastijding; zo zit ik niet in elkaar.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden