Review

Je mag je geluk wel pantseren

Een van de mooiere gedichten in Mark Boogs 'Zo helder zagen we het zelden' staat niet ín de bundel, maar op het achterplat. Het heet 'Zo zonder zorgen zitten wij' en die titel sluit naadloos aan op zijn debuutbundel 'Alsof er iets gebeurt'. Daarin gaf de dichter immers een staaltje poëtische huiselijkheid ten beste dat je, behalve in het werk van Peter van Lier, in onze moderne dichtkunst nauwelijks aantreft.

Dit ironische en tegelijk ernstige experiment met intimiteit en geluk wordt in het achterplatgedicht van Boogs tweede bundel nog eens dunnetjes overgedaan. Twee geliefden zitten in huis, 'zonder zorgen', buiten vliegen de vogels: een tafereel zó vredig 'dat het lijkt alsof het zijn moet'. Hierop volgt in de tweede strofe direct de relativering: '[dat] betekent nog niet dat het zijn m g'. De slotregels luiden: ,,Wel betekent het dat we hier zitten, / en dat de vogels vliegen zoals vogels doen, / en dat niets tastbaars ons geluk in de weg staat'.

Met andere woorden: het geluk is een kwetsbaar iets, je weet niet of 'het zijn mag', maar waar het zich tastbaar aandient neemt de dichter het ervan. Zo vormt dit gedicht, met zijn heel lichte dreiging, toch een soort navelstreng tussen de beide bundels. Want in de nieuwe bundel krijgt die dreiging veel meer de nadruk, al is de ironie zelden geheel afwezig. Huiselijk geluk, zo blijkt uit de beginregels van 'Huis', is opeens zo vanzelfsprekend niet meer: ,,Zo klein en broos dit glazen huis / dat maar naar buiten gaan / het kan doen inklappen'. In zo'n broos huis mag je je geluk wel pantseren wil het niet mee 'inklappen'.

En dat is exact wat Boog doet. In plaats van te experimenteren en sjansen met het geluk, beproeft hij in deze nieuwe gedichten het pantser dat al te veel ongeluk moet voorkomen. Al in het eerste gedicht wordt duidelijk wat dit pantser behelst. De geliefde vertrekt, definitief naar het schijnt, en de 'ik' haalt zijn schouders op en stelt droogkomisch: ,,Ik verdraag alles! / We zullen afspreken niet in elkaars verhalen / voor te komen, zodat niets gebeurd is'. De harde werkelijkheid - de voorbije liefde - wordt dus ijskoud (en leep!) ontkend en daarmee onschadelijk gemaakt. In een ander gedicht vraagt de 'ik' zich af: hoelang houdt deze liefde nog stand, een leven lang? Om daar, alweer komisch, aan toe te voegen: ,,Wiens leven? // Het mijne! Ik knijp er als een muis tussenuit / zodra men mij het veld wijst, ik zal je teleurstellen nog'.

Tegelijk met deze bundel verscheen van Boog een nieuwe roman (die ik nog niet las) waarvan de titel in dit verband wel intrigerend is: 'De warmte van het zelfbedrog'. Want komisch, 'warm' zelfbedrog alsmede een 'zwaarbevochten onverschilligheid' zijn precies de wapens waarmee in zijn poëzie het ongeluk op afstand wordt gehouden. Het komische zit hem onder meer in het feit dat de dichter het er zo dik oplegt en zijn zelfbedrog zelf wel doorziet. Niet voor niets roemt hij ergens met retorische overdrijving 'Mijn groots ontkennen. Mijn vals vertoon'. Het ontkennen of op afstand houden van existentiële beproevingen kan echter ook meer subtiel tot uitdrukking worden gebracht. Zoals in het volgende gedichtje:

'In ieders aangezicht het jouwe, in ieders

lichaam jij, een schim, in elk hulpeloos en

bestudeerd bewegen jouw vanzelfsprekende

gratie, de mensheid ten hoon. En ik ervan

verschoond omdat ik niets kan dan kijken.'

Zo op het eerste gezicht een puur liefdesgedicht, met een ironische ondertoon vanwege de hyperbolische gratie van de geliefde die haar omgeving zo lomp doet lijken. Bij nader inzien is de distantie echter wel erg groot. Niet alleen vanwege die ironie, maar vooral doordat de geliefde zelf feitelijk afwezig is. Ze lijkt alomtegenwoordig maar ze is dat slechts inzoverre de dichter in iedereen die hij ziet iets van haar herkent, slappe aftreksels, maar toch. Zélf blijft ze geheel buiten beeld en de 'ik' kan, met al die replica rondom hem, van haar 'verschoond' blijven!

Deze vrij fors uitgevallen bundel (56 gedichten) bevat meer dan liefdesgedichten alleen. Er zijn een paar onvervalste grotesken. Over solliciterende goden bijvoorbeeld: ,,er is ruimte op de begroting / en daarom een vacature; er is alleen geen werk'. Voorts zijn er vrij veel gedichten waarin tijd en ruimte een rol spelen. Bij Boog leeft heel sterk het besef dat het onmogelijk is om het moment, laat staan de tijd als zodanig, vast te houden: ,,hier nu, zijn wij niet. Wij komen zo, zijn net weg'. Ook de ruimte is problematisch, zoals uit het volgende gedicht met zijn voor deze dichter zo kenmerkende gedachtekronkels blijkt:

'Zo ik de plek probeer te vangen

die ik in zal nemen, innam,

dan onbewust, dus niet.

Zie mij mijn leegten achtervolgen,

zie op de stoelen die ik niet bezit ze zitten, schimmen,

en achter mij de trein van lichamen van net.'

De genoemde 'leegten' kunnen, zoals in 'Het zinloze suggereert zin', existentiële vormen aannemen, maar dan is daar altijd weer dat creatieve zelfbedrog dat dit alles eenvoudigweg ontkent of omdraait: ,,Is er verloren of nooit bezeten? Beseffen wij / minder en minder of naderen wij / langzamer en langzamer maar zeker het weten, / die afgrijswekkende ruimte, het mooie? / De zo werkelijke gaten! Het ons aangapende!'

Boog houdt zijn 'zelfbedrog', deze bewuste poging om het ondraaglijke net nog draaglijk in beeld te krijgen, tot het einde toe vol. Zo begint het slotgedicht aldus: ,,Het is er wel, allemaal, maar niet van harte. Het / verontschuldigt zich: elke schilder had dit beter gedaan. // Aan mij, goedzak, om de boel te redden. / Het is mooi, alles! Het moet mooi zijn!' Dit is uiteraard een zeer ambivalente onderneming tegen beter weten in, die onmogelijk goed kan aflopen. De slotregel van het gedicht luidt dan ook: 'Tevergeefs, natuurlijk'.

Boog is een meester van de omkering en het 'vals vertoon' in de goede zin des woords. Hij versluiert er niks mee, maar maakt alles juist extra pijnlijk zichtbaar. En dan weer zo dat je er toch ook vaak om lachen kunt. Zijn eerste bundel was al bijzonder en met deze tweede is hij echt helemaal present.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden