Je mag geen zwakke plekken hebben

In de stad bestaat een wereld die zich aan het zicht van brave burgers onttrekt. Van jonge, meestal allochtone mannen, uit niet de beste buurten. Elke dag kiezen zij tussen goed en fout. In een korte reeks praten zij over 'het leven van de straat'. Vandaag in deel één: Moussa (30) uit Den Haag. ,,Ik was neergestoken en lag in het ziekenhuis. Even voelde ik me vrij.”

Moussa is vader. Een grote verantwoordelijkheid, vindt hij. ,,Ik kan mijn oude leven wel weer oppakken, maar ik wil mijn kind niet voeden met drugsgeld. Liever met zweetgeld. Zweetgeld? Dat verdien je met een baan van negen tot vijf.” Moussa is niet meer samen met de moeder van zijn kind. ,,We hebben veel ruzies. Dat komt door mijn leed.” Het is eind 2004.

De eerste ontmoeting met Moussa is anderhalf jaar eerder, op het Centraal Station in Den Haag. Aan de telefoon heeft hij zichzelf omschreven: ,,Ik draag mijn haar naar achter, met krulletjes die opzij vallen.” Anderen zouden zeggen: hij heeft een matje.

We zitten op een terras in de binnenstad. De plek doet hem denken aan de rellen tijdens de Konininginnenach, een paar jaar geleden. ,,Het werd matten met de politie. Sommigen trokken messen. Maar van de politie verlies je altijd, dus ik rende zo hard als ik kon weg en ging ergens in een etalageruit staan kijken. Stom genoeg, had ik een knalgele broek aan. Je hoorde het gaan, over de portofoons: 'we zoeken een jongen in een gele broek'. Ik werd gepakt. Gelukkig had ík geen mes op zak.”

,,Vroeger was ik wel een beetje gek van messen. Ik had een vlindermes, een Rambomes. Je wilt jezelf toch beschermen. Het is onwijs harder geworden op straat. Een biertje drinken na het vechten is er niet meer bij. Maar als je een mes hebt, ben je ook eerder verleid om het te gebruiken, merkte ik.”

,,Iemand die ik als een goede vriend beschouwde, heeft mij eens gestoken. Opeens zei hij: ik wil je afmaken. Mensen kunnen de duivel worden.”

Het werd geen strafzaak. ,,Als twee Marokkanen vechten, laat de politie ze gewoon met rust.” Moussa lag weken in het ziekenhuis. ,,En weet je wat gek was? Ik miste daardoor de bruiloft van mijn zusje, maar toch was ik er blij mee. De straat is een plek om te ontvluchten. Nu had ik even rust. Zelfs de gevangenis is beter dan buiten op straat.”

Het was een groot verschil met het snelle leven dat hij zich als kind had voorgesteld. Op zijn tiende was Moussa een tijd uit huis geplaatst, bij een pleeggezin. Hem werd verteld dat dat was omdat hij suikerziekte had. Zijn zusjes overkwam hetzelfde. Hij is er vast van overtuigd dat het niet aan zijn ouders kon liggen.

Als puber begon hij 'dingen te doen die niet mogen'. Wat precies, vertelt hij deze keer nog niet. ,,Ik zag criminaliteit als een uitweg. Alles wat je om je heen ziet, is klote. Gangsta rap en maffiafilms als Scarface werken dan verslavend. Wat je daarin hoort en ziet, dat wil je ook wel. En in het Laakkwartier, waar ik vandaan kom, deden alle oudere jongens die ik kende het ook.”

Een tijd was hij dakloos, logeerde steeds bij een andere vriend. ,,Maar ik zei niet tegen ze dat ik geen huis had. Al wisten ze dat best. Wij zijn geen praters. Je vertelt elkaar misschien een derde van wat je meemaakt. Het heeft te maken met eer, respect, angst om te worden uitgelachen. Je mag geen zwakke plekken hebben.”

Op zijn achttiende trouwde hij, om al snel weer te scheiden. ,,Ik dacht: misschien is dit de oplossing. Maar ik was veel te jong.” Hij 'gaat nu ook wel met iemand om'. ,,Een halfbloed Marokkaanse.” Maar het is niet serieus.

Niet een vrouw, maar een eerlijke baan moet Moussa op het rechte pad houden, zegt hij. Hij heeft een Melkertbaan in een buurtcentrum in Molenwijk. Erg gelukkig is hij er niet mee. ,,Toen ik in de criminaliteit zat, zoals sommige vrienden nu nog, had ik het gevoel dat ik honderd procent uit het leven haalde. Dat heb ik nu niet meer.”

,,Ik begin mijn dag in de coffeeshop - zonder te blowen trouwens. Daarna ga ik werken. Van twaalf uur 's middags tot halftien 's avonds. Een sociaal leven heb ik niet echt.” Hij weet niet of het hem lukt zijn werk te behouden. ,,Collega's zijn jaloers omdat veel jongeren naar mij toe trekken.”

Hij knikt naar het personeel van het café, aan het Spui. ,,Als ik hier alleen was, of met mijn vrienden, zou ik niet eens worden bediend.” Hij noemt de bars en discotheken op waar hij eens aan de deur is geweigerd. ,,Ik heb het moeilijk in dit leven. In de supermarkt lopen mensen in een boog om me heen. Ik hoor nergens bij. Vroeger haatte ik Nederlanders omdat dit zo vaak gebeurde. Maar nu denk ik: ik weet meer dan iemand die een makkelijk leventje heeft gehad. Als ik eerlijk ben: ik zou wel in de politiek willen. Maar met mijn verleden zit dat er niet in. Dan kan ik beter in de muziek, daar kan ik ook mijn verhaal vertellen.”

Moussa wil het nu als rapper maken. Hij belooft wat teksten op te sturen. Later komt onder andere het nummer 'Zo veel pijn':

Ze nemen mij niet levend mee Fuck de justitie Als ik iets zeg of doe laten ze mij oppakken door de politie Ik vecht Als ik boos ben, ben ik kankerslecht Krijg toch nooit mijn fucking recht Ben een mens, maar niet volgens de politie Ik smeer je eigen fucking bloed op je gezicht als graffiti (...) Zo veel pijn Ik wil dat het verdwijnt Pijn, pijn, voor de dood sta ik in de rij Er is geen weg vrij

Hij ondertekent met 'Topa de barbaar'. De uitleg: ,,'Topa' betekent rat. Omdat ik als een rat moet overleven. En 'barbaar', omdat de mensen me zo zien.”

Najaar 2003. Moussa is ontslagen bij het inloopcentrum. Hij neemt zijn mobieltje op, staat met vrienden in een videotheek. ,,Het was zogenaamd omdat mijn urenregistratie niet goed was. Maar ze waren het al lang van plan. Er is een vies spelletje gespeeld.” Hij baalt, komt geld tekort, lacht bitter. Binnenkort mag hij optreden, in een zaaltje in Rotterdam.

Begin 2004. Weer een telefoongesprek. ,,Ik ben helemaal focked op. Ik heb geen salaris meer en word uit mijn huis gezet. Het wordt weer onrustig in mijn hoofd.”

Zomer 2004. Moussa heeft de auto van zijn broer geleend. De radio staat aan, afgestemd op de jongerenzender FunX. Een Arabischtalig nummer klinkt. Moussa rookt Marlboro's en stuurt naar het Laakkwartier. Hij verveelt zich. ,,In Nederland is toch eigenlijk niks te doen? En wat je wel kunt doen, kost geld.”

Moussa heeft zijn woning behouden, maar zijn schulden lopen op.

,,Hoeveel in totaal? Ik wil er niet eens over nadenken.” Hij is nog altijd werkloos. ,,Het is een beetje bergafwaarts gegaan. En in april werd ik gebeld door mijn ex-vriendin, dat halfbloedje, dat ze zwanger is. Ik ging door de bodem.”

Het is warm in de auto, het zonnedak kan niet open. ,,Ik ben ook blij, natuurlijk. Een kind is alles wat ik altijd heb gewild. Maar wat heb ik mijn kind nu te bieden?”

Hij heeft 'zijn andere vriendinnen eruit gedaan' en is met zijn ex getrouwd in de moskee. ,,Ik wil niet dat het een hoerenkind wordt.” Het was in de Soennahmoskee aan de Fruitweg, die als radicaal bekendstaat.

,,Daar geven ze iedereen een nieuwe kans.” Hij wil geloviger worden, zegt hij. ,,De islam geeft je geduld.”

We stoppen voor coffeeshop Het Tuitje. Moussa tussen zijn vrienden. Zoals Samir, 26. Kort voor zijn examen van school gestuurd. ,,De techniekschool, waar de oudere jongens je leerden hoe je moet inbreken.” Iedereen lacht hard. Samir is zes jaar werkloos. Twee keer vroeg de atletiekvereniging hem, toen hij nog op school zat, om langs te komen. Hij kon erg hard lopen. ,,Daar had toekomst in gezeten”, denkt hij. Maar hij kwam beide keren niet opdagen. ,,Ik heb ze laten zitten.” Rond die tijd zette zijn vader hem het huis uit. ,,Omdat ik niet luisterde.” Dan: ,,Ouders moeten hun kinderen stimuleren. Dat deed mijn vader niet.”

Wat wil Samir nu? ,,Met criminaliteit verdien je wel veel, maar je geeft het ook snel uit. Ik wil een eigen zaak. Misschien terug naar Marokko. Hier krijg ik geen werk, met al die Polen en Bulgaren. Pim Fortuyn had gelijk: vol is vol.” Hij is een voorbeeld voor zijn broertje, zegt Samir. Van hoe het niet moet.

Rumoer. Een Iraakse jongen met stonede ogen maakt misbaar als hij de jongens rond een journalist ziet zitten. ,,Kijk uit, misschien is hij een stille.” De jongens jouwen hem uit. Moussa, kalm: ,,Hé, Iraki, deze man is met mij gekomen.” Dat werkt. ,,Sorry, Moussa.” Met de auto gaat het naar de - nettere - Molenwijk. Vriend Ali gaat mee. Op het dashboard ligt een ponskaartje, een ziekenhuispas. ,,Wat is dit?”, vraagt Ali. Hij speelt ermee. ,,Geef hier”, zegt Moussa. ,,Daar staan iemand zijn persoonlijke gegevens op. Straks laat je het ergens rondslingeren.” Moussa legt uit: ,,Laatst zaten we met allemaal vrienden aan tafel. Veel te drinken en te gebruiken. Ik niet hoor. Toen begon een vriend van me in zichzelf te snijden. Hij doet dat vaker, zegt dat hij er rustig van wordt. Maar nu liep het uit de hand. Hij sneed niet alleen in zijn armen, ook in zijn tong en begon hard te bloeden. Dat iemand zijn lichaam, dat hij van God heeft gekregen, zoiets aandoet! Ik was zo kwaad op hem, ik wou dat mes pakken en hem kapot steken. Maar ik hield me in en bracht hem toch maar naar het ziekenhuis. Hij bloedde overal op en zo. En je moet je vrienden helpen, toch?”

Later: ,,Ik ben er wel eens over begonnen tegen hem, dat hij misschien met iemand moet gaan praten. Maar dat is moeilijk, dan geef je toe dat je gek bent. Kijk, iedereen heeft hetzelfde gevoel, alleen dat uit zich anders. De een gokt, de ander steelt, weer een ander drinkt of gebruikt en nog een gaat geweld gebruiken.”

Moussa haalt herinneringen op aan zijn oude leventje. Dealen is moeilijk, zegt hij. ,,Om te beginnen heb je honderddertig euro nodig. Voor vijf gram. In het begin moet je rechtstreeks aan junks verkopen. Je verkoopt net iets minder dan je zegt. En je mengt het met een beetje druivensuiker. Doel is na een tijdje aan kleinere dealers te verkopen in plaats van aan junks. Dan loop je minder risico. Maar de meeste dealers gaan zelf gebruiken. Ik heb één keer op het punt gestaan. Ik dacht: fuck het. Maar gelukkig heb ik niet toegegeven. Op dat soort momenten moet je bewijzen hoe sterk je bent.”

Begin er niet aan, raadt hij Ali vaderlijk aan. Maar Moussa maakt zich weinig zorgen om zijn jongere vriend. Die doet aan cabaret en schijnt een heus talent te zijn. Moussa en Ali komen twee bekenden tegen, in een rode auto.

,,Wat ben jij dun”, zegt Moussa tegen de dunste. ,,Wat ben jij dik”, zegt hij tegen de dikste. ,,Kijk je haar, man”, zegt de dunne tegen Moussa, ,,je lijkt wel een pooier.” Moussa weer, tegen de dikkere jongen: ,,Zullen we binnenkort eens samen wat rappen?” De jongen knikt, maar kijkt bedenkelijk. ,,Je moet een clip, Moussa”, zegt hij. ,,Laat mij een clip van je maken, hier.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden