Review

Je gaat, mijn zoon, naar het land van de cultuur

Marcel Reich-Ranicki is in Duitsland zonder twijfel de beroemdste en meest invloedrijke literaire criticus. In Nederland is hij vrijwel onbekend. In Duitsland staat zijn autobiografie al langer dan een jaar aan de top van de non-fictie bestsellerlijst en nu is de Nederlandse vertaling bij ons op de markt.

Waarom deze Nederlandse editie? Als zijn werk alleen over zijn metier zou gaan, over een analyse van belangrijke Duitse romans en lyriek, een verkenning van het literaire leven in de Bondsrepubliek, dan zou hier waarschijnlijk geen haan naar dit boek gekraaid hebben. Zijn belang ontleent het aan de beschrijving van de jaren dat Reich-Ranicki nog geen criticus was: aan het pakkende relaas van zijn jeugd, en van zijn leven in het getto van Warschau.

Marcel Reich, die in 1920 in het Poolse Wloclawek ter wereld kwam als zoon van Joodse ouders, bezocht in zijn geboortestad de Duitse school. Omdat hij al boeken las vóór zijn zesde jaar was hij anders dan zijn medeleerlingen: ,,Van het begin af aan viel ik er buiten. Ik was een Aussenseiter.' En dat zal zijn hele leven zo blijven: waar hij ook woont en werkt, hoe succesvol hij ook is, hij blijft een buitenstaander.

Als hij op negenjarige leeftijd naar Berlijn verhuist, ervaart hij dat als een reis naar het beloofde land, zijn onderwijzeres neemt van hem afscheid met de woorden: ,,Je gaat, mijn zoon, naar het land van de cultuur'. En dat heeft hij geweten.

In Berlijn valt hij weer buiten de boot en hij komt dan tot het inzicht: ,,wilde ik geïntegreerd raken of zelfs gewaardeerd worden, dan moest ik mij onderscheiden door in de les goed te presteren'. Vanaf dat moment is hij steeds de beste van de klas in het vak Duits en absorbeert hij gretig alles wat met de Duitse cultuur samenhangt.

Hij leest veel, met name de Duitse klassieke auteurs, hij slorpt ze op en zijn hele leven zal hij daar profijt van hebben. Want bij alle ontberingen die hem te wachten staan valt hem steeds een reddend citaat van Goethe of Schiller te binnen.

Maar in Berlijn wordt hij ook geconfronteerd met het Duitse barbarendom. Vanaf nu blijven voor hem de uitersten altijd met elkaar verbonden: ,,Duitsland - dat zijn in mijn ogen Adolf Hitler en Thomas Mann. Ook nu symboliseren die twee namen de beide kanten, de beide mogelijkheden van alles wat Duits is.'

Het is de ironie van de geschiedenis, dat deze jongen, die het Duitse idealisme zo totaal geïnternaliseerd had, in 1938 uit zijn geliefde land werd gedeporteerd omdat hij Joods en Pools was, hoewel hij zich noch met het jodendom noch met Polen verbonden voelde. Niet zonder pathos beschrijft hij de bagage die hij mee naar Polen neemt: ,,Ik kon destijds niet bevroeden welke rol in mijn toekomstige leven die onzichtbare (...) bagage ooit zou spelen. Want ik had uit het land waaruit ik nu werd verdreven de taal meegenomen, de Duitse taal, en de literatuur, de Duitse.'

De beschrijving van zijn leven in het getto van Warschau is zonder meer het beklemmende hoogtepunt van het boek. Omdat hij goed Duits spreekt wordt hij tewerkgesteld bij de Joodse Raad, die het getto beheert. In deze ellendige situatie ontdekt hij de reddende macht van de cultuur. Via gesprekken over boeken leert hij zijn toekomstige vrouw kennen. Hij beschrijft uitvoerig hoe het leven in het getto enigszins dragelijk wordt door de concerten die Joodse musici daar geven. Als ook hem en zijn vrouw een deportatie naar Treblinka wacht, waarnaar zijn ouders en schoonmoeder al zijn afgevoerd, weten zij zich aan dat lot te onttrekken door zich in een kelder te verbergen achter stapels boeken: ,,Inderdaad: de boeken hebben ons leven gered.' Wanneer hij met zijn vrouw het getto is ontvlucht, duikt hij onder bij een Poolse arbeider, die regelmatig dreigt hen op straat te zetten. Als een andere Scheherazade weet hij steeds uitstel van executie te krijgen door het vertellen van verhalen van de Duitse klassieken, tot het moment waarop het Russische leger Polen bevrijdt.

Aan het einde van deze episode wordt duidelijk dat de schrijver zijn leven tot een mythe heeft gemaakt. Alles uit zijn werkelijke leven wat niet in dit concept past wordt overgeslagen. Zo wordt er bijvoorbeeld nauwelijks gerept over Reichs niet onproblematische activiteiten bij de Poolse Geheime Dienst en zijn periode als stalinistische literatuurcriticus in Polen wordt eveneens onderbelicht.

Na de duistere periode in het naoorlogse Polen komt er pas glans in zijn leven als hij in 1958 naar de Bondsrepubliek gaat en daar uitgroeit tot een mediaster. Voor de Nederlandse lezer is het dan uit met het leesplezier: het betreft vaak schrijvers die bij ons vrijwel onbekend zijn als Wolfgang Koeppen en Ulla Hahn. Zijn giftige opmerkingen over grootheden als Canetti ('dikdoenerij, zelfingenomenheid'), Anna Seghers (onnozelheid, ze heeft haar eigen meesterwerk 'helemaal niet begrepen'), Brecht ('ik had de indruk dat hij altijd toneel speelde', 'hardnekkige zakenman'), Martin Walser ('de slimste kletsmajoor van Duitsland') brengen hier geen aardverschuivingen teweeg. Ook anekdotes en roddels, die kwistig worden rondgestrooid van het genre: Thomas Mann bezocht regelmatig prostituees, en Erich Küstner was een alcoholist, waarmee hij ons tracht te amuseren kunnen dit laatste deel niet redden. Hier regeert de oppervlakkigheid: het lukt hem niet zijn schrijvende tijdgenoten te portretteren en de som van anekdotes verdicht zich niet tot een tijdsbeeld.

Maar de evocatie van het opkomend fascisme in Berlijn en de Tweede Wereldoorlog in Warschau vanuit het perspectief van de vervolgde Joden is bijzonder indringend en completeert ons beeld van die tijd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden