jazz

De NPS maakte opnamen die tot eind dit jaar worden uitgezonden in het NPS-programma 'Jazz op Vier', vrijdag- en zaterdagavond op Radio 4.

Dat deze opzet niet uitsluitend genietbare hoogtepunten opleverde, spreekt voor zich. Dat is inherent aan de opzet van een strikt op de nieuwste muziekontwikkelingen gericht festival. Maar dat er toch veel bijzondere en kostbare kleinoden tussen zaten, is te danken aan de inzet van programmeur Kees van Boven. Van Thelonious Monk, Charlie Parker en Duke Ellington weten we dat ze een onuitwisbaar belang hebben voor de jazzgeschiedenis. Of de muziek van festivalartiesten als John Zorn, Tony Overwater en Mark Helias over een kwart eeuw nog dezelfde grote indruk maakt, moeten we nog afwachten.

Wat wel vrij zeker is, is dat deze drie musici in Groningen voor hoogtepunten zorgden. De Nederlander presenteerde het resultaat van aan hem verleende compositieopdracht, Zorns Masada maakte zijn Nederlandse première en Helias speelde met zijn groep Attack The Future zelfs voor het eerst in Europa.

Helias koesterde een voorkeur voor in een hedendaags jasje gestoken ouderwetse swing, gespeeld met duidelijke jazzfeeling. Het belang van het optreden van Attack The Future lag niet in het groepsgeluid (al waren de verwijzingen naar volksmuziek en uitbundige solo's van violist Mark Feldman zeer bepalend). Nee, het belang lag vooral in het superieure spel van de leider op contrabas. Hij speelde een solo: adembenemend van opbouw en frasering, een hoogtepunt van het festival.

Met Masada, een kwartet met trompettist Dave Douglas, bassist Greg Cohen en slagwerker Joey Barron, verkent altsaxofonist John Zorn opnieuw de jazzgeschiedenis. Vooral echo's van zijn jazzheld Ornette Coleman klinken door. Dit gebeurde met zo'n overtuiging en inzet dat de groep, dat zondag het festival afsloot met een strikt akoestisch concert, gelijk voor het hoogtepunt zorgde. Zorns composities ademen eenzelfde melodieuze finesse en raffinement uit als die van Coleman, maar zijn beslist geen kopieën. Daarvoor is Zorn zelf te eigengereid. Hoewel hij een opvallend lyrische toon etaleerde, onderbrak hij die 'schoonheid' regelmatig bruusk met de voor hem piepende uithalen. Bijzonder was ook de wijze waarop hij zijn musici leidde in de solo's. Ter plekke bepaalde hij wiens beurt het was en hoe lang die duurde. Heel wat anders dan groepen waarin de solobeurten lang van te voren vaststaan.

Leeuwin De première van Tony Overwaters opdrachtwerk, het driedelige 'The Hyper Project', bood de gelegenheid om kennis te maken met de Zwitserse pianiste Sylvie Courvoisier. Later deze maand speelt ze hier met haar groep Triton (met Overwater op bas) en volgende maand brengt ze haar kwintet naar Nederland. Met name in het laatste deel, 'Hyper Cool', speelde de klassiek geschoolde Courvoisier als een klavierleeuwin, virtuoos en krachtig als Marilyn Crispell. Maar haar muziek is melodischer en ze heeft meer gevoel voor ruimtelijkheid.

Niet de IJslandse (pop)zangeres Björk had de bassist voor zijn project weten te strikken (Overwaters vurige, eerste wens), maar de Amerikaan Thomas Chapin. Op fluit en altsax speelde hij een centrale rol als katalysator tussen de diverse stilistische achtergronden in de groep. Op dreef was ook Maarten Ornstein. Vooral op basklarinet is hij een meester.

Overwater combineerde in zijn composities een zekere jazzfeeling en een aan rock 'n roll ontleende drive met de verworvenheden van de ongebonden improvisatiemuziek; typisch Europees en ver verwijderd van de hardbop die hij aan het begin van zijn carrière voorstond met de groep Scapes. De bezetting met twee blazers, twee slagwerkers, gitaar, piano en bas werkte goed, al was er af en toe de neiging om te snel inspiratie te zoeken in extatisch gespeelde vrije passages.

Een tweede compositieopdracht was verleend aan de Groninger gitarist Jan Kuiper, in verband met de viering van het tienjarig jubileum van zijn Podiumtrio. Voor de gelegenheid had hij de triobezetting (gitaar-altsax-trombone) verdubbeld met Amerikaanse gastmusici. Nadat een eerdere poging om de band News For Lulu (Bill Frisell, John Zorn en George Lewis) in zijn geheel binnen te halen was gestuit op de weigering van Frisell, viel de keus op Lewis, gitarist Kelvyn Bell en saxofonist David Murray. Het sextet werd versterkt door de vaste Amerikaanse ritmesectie van het trio, basgitarist Jamaladeen Tacuma en slagwerker Cornell Rochester.

Gespeeld werden nieuwe stukken als het ritmisch lastige 'In the pocket' en een frivole bewerking van het tien jaar oude 'Mister Monk'. Daarin combineerde Kuiper vaardig de specifieke kwaliteiten van het trio (zoals die ontegenzeggelijke maar eigenaardige compleetheid) met de mogelijkheden van instrumentverdubbeling en de gemeen schiftende funk die Tacuma en Rochester aandroegen. Helaas dubbelde Murray niet op altsax, maar op tenor. Gunstig voor de klankkleur, maar ik had liever Zorns schrille altsax gehoord naast de ouderwets jazzy trombone-sound van Paul van Kemenade. De dubbelbezetting nodigde uit tot duels tussen de instrumenten, waarbij de musici elkaar tot grote hoogten opzweepten.

Een merkwaardig concert was dat van Vernon Reids Scientific Project, al was het maar omdat iemand in de groep een zogenoemde samchillian tip tip tip cheeepeeeee bespeelde. De van de zwarte heavy-metal-groep Living Colour bekende gitarist werkte in zijn wetenschapsproject verder samen met een rapper en een scratcher. De naam 'samchillian tip tip tip cheeepeeeee' was interessanter dan het vreemde keyboardachtige instrument dat het bleek te zijn. Reid bespeelde zijn gitaar vanachter een tafel boordevol elektronica, waaronder ritmeboxen, samplers en effectapparatuur. Het resultaat was een bizarre mix van gierende gitaarsolo's, gedreven rapzang en bijtende scratches. De rol van het rare keyboard was minimaal,

Tussen de concerten door waren er pauzeconcerten in een jazzclub. Daarin lag het accent meer op de jazztraditie, al boden de optredens van Wolter Wierbos (solo), het voor deze gelegenheid bijeengebrachte trio van Michiel Borstlap (piano), Ernst Reijseger (cello) en Eric Vloeimans (trompet), en dat van het Jorrit Dijkstra Trio met als gast de Franse gitarist Marc Ducret verrassende inkijkjes op de toekomst van de jazz- en improvisatiemuziek.

Intens Wierbos speelde beter en meer geïnspireerd dan bij het Podium-octet. Borstlap, Reijseger en Vloeimans maakten met intense kamerjazz (ze vertolkten onder meer Monks 'Bemsha Swing') zo'n grote indruk, dat het te hopen is dat het niet bij dit ene optreden blijft. En Dijkstra, de kersverse Podiumprijswinnaar, imponeerde op altsax in eigen stukken als 'Lijnen' en 'Tikkertje' met vloeiend gespeelde solo's en een volwassen, jazzy frasering. Ducret bood knap weerwerk met ruige, avontuurlijke gitaarinterrupties, zonder daartoe terug te moeten vallen op versterkergeweld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden