jazz

DEN HAAG - Jazzmuziek vormt nog altijd de hoofdmoot van het North Sea Jazz Festival. Maar muziekstijlen die daar weinig of niets mee te maken hebben, zijn sinds de overname van het Acket-produktiebureau door Taking Care Of Music (een onderafdeling van poporganisator Mojo) in opmars. Misschien moet de naam van het festival maar eens veranderen.

The Neville Brothers, Chuck Berry, Bo Diddley, George Clinton, Bootsy Collins en Youssou N'Dour; Wat ze gemeen hebben met de oorsprong van de Amerikaanse jazz is hun donkere huidskleur, èn hun weergaloze gevoel voor ritme. Maar jazz maken ze toch echt niet. Hun blanke broeders Paolo Conte en de leden van het Kronos Quartet doen dat evenmin, al legde het strijkkwartet in stukken van Raymond Scott, John Oswald en Harry Partch nog wel een link met de zwarte Amerikaanse muziek. Je kunt je trouwens afvragen of die diversiteit wel zo erg is. De kwaliteit is immers hoog en de brede opzet van het festival draagt juist bij aan het succes.

Het twintigste North Sea Jazz bood een hoogwaardig programma. Liefhebbers van gematigde jazz zwijmelden weg bij het romantische pianospel van Oscar Peterson en George Shearing en de songs van Tony Bennett en Dee Dee Bridgewater. En fans van wat meer avontuur kwamen aan hun trekken bij de jonge, veelgeprezen bassist Christian McBride. Hij speelde vrijdag onder de noemer 'Basses Loaded', evenals meesterbassist Charlie Haden en veteraan Ray Brown.

Een leider bleek McBride nog niet. Daarvoor was de conventionele koers te onbestemd. Misschien stond hij ook wel onder te grote druk; een dag later speelde hij met een magnifiek gonzende toon aanzienlijk beter in de groep van zijn buddy trompettist Roy Hargrove. De laatste mag technisch een nagenoeg perfecte toon hebben, het fluwelen, ervaren geluid op flugelhorn van Art Farmer, die na Hargrove met saxofonist Benny Golson leidde, deed mij veel meer.

Dezelfde avond speelde het trio van bassist Henri Texier, (bas)klarinettist en sopraansaxofonist Louis Sclavis en slagwerker Aldo Romano. Zij lieten horen dat ze niet voor hun Amerikaanse collega's onder deden qua instrumentbeheersing en 'sound'.

De Fransman Texier wint het misschien nog wel op het gebied van de fantasie. Samen met de vooral op basklarinet superieur blazende Sclavis en de functioneel drummende Romano opereert hij in de improvisatiemuziek. Invloeden uit de Franse volksmuziek worden ondersteund door repetitieve rifjes en eenvoudige, pakkende melodieën.

Er zijn maar weinig klarinettisten die zich met Sclavis kunnen meten. Zo iemand is de zwarte Amerikaan Don Byron, die met zijn kwintet optrad. Het hoogtepunt was een lang dixieland-achtig werk, dat na een subtiele verschuiving in modernere regionen belandde. In een lange solo etaleerde Byron al zijn technische virtuositeit en muzikaliteit.

Platgeslagen

De verwachtingen van Neneh Cherry, de dochter van de bekende jazztrompettist Don Cherry, die zondagmiddag met zijn band New Organic Music speelde, waren hoog. Al jaren is ze met succes actief als zangeres in de moderne funk en jazzpop. In het Tuinpaviljoen lukte het haar in korte tijd de afgeladen tent tot een aangename hoeveelheid publiek te reduceren. Reden was de beslist onaangename en platgeslagen popmuziek die ze presenteerde.

Het aardigste moment deed zich voor toen Youssou N'Dour onaangekondigd het podium betrad voor een duet in de wereldhit 'Seven Seconds'. Later die avond zongen beiden het nummer nogmaals, ditmaal tijdens het optreden van N'Dour.

Nee, geef mij dan maar de oude soulster Wilson Pickett en de eigenzinnige mix van hiphop en jazz, die Branford Marsalis voorstaat met zijn groep Buckshot LeFonque. Pickett pakte het publiek in met heerlijke soulnummers, zoals het erotische 'Bend over'. Ook de Beatles-song 'Hey Jude' kreeg een fraaie soulbehandeling, met een lekker vet orgeltje. De rapjazz van Buckshot LeFonque bestaat uit spannende rap, ophitsende ritmes en vlijmscherpe solo's. De bezoekers van de barstensvolle Statenhal konden er nauwelijks genoeg van krijgen.

Hedendaags is Buckshot LeFonque beslist, maar voorhoedejazz kun je haar muziek niet noemen. De muziek van Steve Coleman en Paul Motian is dat wel. De eerste maakte het recente debâcle in Groningen en Utrecht, waar hij door een lichte verhoging van de lichaamstemperatuur weigerde te spelen, goed met een kort, maar krachtig concert.

Hectisch

Coleman behoort tot de belangrijkste altsaxofonisten van dit moment. Waren vroeger Charlie Parker, Cannonball Adderly en Ornette Coleman (geen familie) voorbeelden voor iedere beginnende altist, tegenwoordig vervult Steve Coleman in zijn eentje die functie. Hij probeert in zijn muziek met zijn groep Five Elements een beeld te geven van de hectische, veelgelaagde hedendaagse maatschappij. Bij hem uit dat zich vooral in ritmisch opzicht. De manier waarop hij zijn solo's opbouwt, is zeer complex, maar de bizarre logica is fascinerend.

Hoewel Coleman af en toe teruggreep naar een oude jazzstandard, ging slagwerker Paul Motian in zijn 'Broadway'-project heel anders te werk. Coleman eigende zich het origineel toe om het bijna onherkenbaar neer te zetten; Motian verdiepte zich in hits zoals 'What's this thing called love' en 'How deep is the ocean', om zijn eigen visie te geven zonder het origineel geweld aan te doen.

In zijn kwintet, met de saxofonisten Joe Lovano en Lee Konitz, gitarist Bill Frisell en bassist Marc Johnson, leverde dat briljante muziek op, waarin de individuele opvattingen van de musici een boeiend geheel creëerden.

Op het gebied van de salsa gaf Tito Puente met zijn Latin Jazz Ensemble vrijdagnacht in de Jan Steenzaal een swingend concert. Terwijl het Cubaanse ensemble Sierra Maestra en het vanuit New York opererende Cubaanse Cachao Y Su Orchestra, gewone salsa spelen, slaat Puente een brug tussen de Cubaanse dansmuziek en de Amerikaanse improvisatiemuziek. Dat doet hij onder meer door echte jazzstukken te spelen, zoals Horace Silvers 'Go ahead', maar ook door salsastukken van jazzy solo's te voorzien.

De solisten voldoen aan de belangrijkste voorwaarde: feeling met beide stijlen. Met name tenorsaxofonist Mario Rivera en trompettist Ray Vega lieten horen hoe dat moet: met swing, maar ook gevoel voor de Caraïbische ritmische complexiteit.

Een ware fusie tussen jazz en de muzikale rijkdom van het Caraibisch gebied staan ook altsaxofonist Paquito d'Rivera, vibrafonist Dave Samuels en steeldrummer Andy Narell voor met hun Caribbean Jazz Project. Hoewel d'Rivera het meest op de voorgrond trad, bepaalde het typische geluid van de steeldrums van Andy Narell het groepsgeluid.

Bij hem was geen spoor te vinden van de kitsch die de op olievaten gemaakte muziek op het eiland Barbados zo vaak kenmerkt. Met een paar onvervalste 'jazzy' noten bevond hij zich in New York. En enkele 'latin' noten later was hij weer terug bij de oorsprong. Dat is knap, heel knap.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden