Jazz spelen zonder poespas

Pianist en componist Dave Brubeck, die vandaag 92 jaar zou zijn geworden, maakte met het nummer 'Take Five' de bestverkochte jazzplaat ooit. Maar hij hield ook altijd een beetje een intellectueel imago.

Toen de jonge Dave Brubeck slaagde voor zijn schoolexamen, kreeg hij van zijn vader vier Holstein-koeien cadeau. Pa hoopte dat zijn jongste zoon bij hem op de ranch zou komen. De oudere zonen, Howard en Henry, waren allebei musicus geworden; Dave was vaders laatste kans op een opvolger.

Het liep anders. Toen Dave Brubeck, die gisteren in een ziekenhuis in Norwalk aan een hartaanval overleed, ontviel de wereld geen veeboer, maar een lid van het koninklijk huis van de jazz, vooral bekend van het nummer 'Take Five'. Wel was hij in die koninklijke familie een zwart schaap. Want bij critici was zijn muziek decennialang niet bon ton.

David Warren Brubeck werd in 1920 geboren als de jongste zoon van een Californische veeboer die enig Indiaans Modoc-bloed in zich had, en een pianolerares die in Engeland nog les had gehad van Tobias Matthay, een van de grote 19de-eeuwse pianopedagogen. Zijn moeder was zijn eerste muziekdocent. Op zijn 13de speelde hij al in een bandje. Op zijn 18de ging hij naar een college om er diergeneeskunde te studeren. Maar de muziek trok harder: na een jaar stapte hij over naar het conservatorium.

Hij kon in die tijd geen noten lezen. Als kind bedotte hij zijn moeder door de stukjes die zij hem voorzette op gehoor na te spelen. Op het conservatorium kwam zijn leesluiheid (met noten opschrijven had hij minder moeite) pas in het laatste jaar aan het licht. Het instituut overwoog hem een diploma te weigeren. Maar ja, Brubeck speelde prachtig, had een uitstekend gehoor en was de beste in de contrapunt-klas. Het instituut streek met de hand over het hart: hij kon een diploma krijgen -als hij beloofde dat hij nooit les zou geven. Brubeck ging akkoord, maar werd niet warm of koud van de kwestie: "Ik wilde toch alleen maar jazz spelen, en dat ging zo ook wel."

Na afstuderen in 1942 moest hij het leger in, miste er op een haar na de verschrikkingen van het Ardennen-offensief en zette een militair jazzorkest op, The Wolf Pack - het eerste raciaal gemengde orkest. Toen hij in 1946 weer terug was in Californië studeerde hij compositie bij Darius Milhaud, de Franse componist die in die jaren aan de Amerikaanse westkust werkte. Milhaud zette Brubeck tot twee dingen aan: meer te componeren en zich - je bent Amerikaan of je bent het niet - te wijden aan de jazz. (Ook Arnold Schönberg gaf hem nog even les - twee keer. Schönberg vond dat Brubeck van elke noot die hij opschreef, moest weten waarom die op die plek stond. "Is het niet genoeg als het goed klinkt?", vroeg Brubeck. Schönberg vond van niet.)

De officiële, gecanoniseerde jazz van dat moment bevond zich aan de andere kant van de VS: in New York. Aan de westkust ontstond een eigen, andere vorm. Nu eens heette die cool jazz, dan weer west coast jazz. Die had de naam minder macho, meer 'intellectueel' te zijn dan de hardbop van New York - en lag vooral onder schot omdat hij, met boegbeelden als Chet Baker en Gerry Mulligan, 'wit' zou zijn. Niet dat dat laatste bezwaar hout sneed, want Dave Brubecks bands - eerst een octet, later een kwartet - waren (zoals dat heette) 'geïntegreerd'. Brubeck was daar zeer principieel in. Drong een concertorganisator aan dat Brubeck zijn zwarte bassist Eugene Wright verving door een blanke, dan weigerde Brubeck. Op een tournee door het zuiden van de VS kwam dat het kwartet op 23 afzeggingen te staan - van 25 concerten.

Bij het grote publiek ging Brubecks goed in het gehoor liggende jazz er gretig in: in 1954 stond hij, als eerste jazzmusicus ooit, met zijn hoofd op de cover van Time.

Dave Brubecks muziek heeft zonder twijfel enig intellectualisme in zich. Of misschien is het preciezer te spreken van 'verstandelijkheid', of van 'een hoog conservatoriumgehalte'. Brubecks handelsmerk sinds de jaren veertig waren experimenten met ongebruikelijke maatsoorten en met polyritmiek: stukken waarin elk instrument in een andere maatsoort speelt. Die belangstelling voor ritmische grappen was overigens onder weinig intellectuele omstandigheden ontstaan: als hij zijn vader op de ranch met het vee hielp, lang achtereen op een paard zat en er weinig anders te beleven was dan je af te vragen: welk ander ritme past er in het loopritme van het paard?

'Take Five', de hit in vijfkwartsmaat uit 1959 op de millionseller 'Time Out', maakte Brubeck wereldberoemd en rijk. Toch is het niet zijn compositie. Paul Desmond schreef het, de altsaxofonist met wie Brubeck lang speelde (al was de samenwerking met de alcoholische Desmond vaak gespannen). De royalties van het nummer gaan sinds Desmonds dood in 1977 naar het Rode Kruis, waaraan hij al zijn bezittingen naliet. Maar Brubeck heeft vaak gezegd dat hij veel aan het nummer heeft geschaafd: Desmond kwam met twee stukjes melodielijn en Brubeck maakte ze tot een afgerond nummer.

Brubeck is op 'Take Five' evenmin de grootste instrumentalist - dat zijn drummer Joe Morello en Desmond, met zijn fluwelen geluid. Brubeck zag zichzelf eerder als een componist die ook piano speelde dan als pianist.

Het bijzondere aan 'Time Out' was niet alleen dat vrijwel elk nummer in een andere maatsoort dan de gebruikelijke vierkwartsmaat stond, maar ook dat de plaathoes een schilderij toonde. Bij het vervolg op 'Time Out', het twee jaar later verschenen 'Time further out', was dat zelfs een echte Miró. Dat droeg bij aan het artistieke imago van jazz.

Maar de gunsten van het koperspubliek en de critici gingen niet gelijk op. Weinig jazzmusici hebben zo lang een zo hard oordeel van de jazzkritiek moeten verduren als Dave Brubeck. Nu eens vonden ze dat hij als pianist 'niet swingde'. Dan weer luidde het verwijt dat Brubeck tot het establishment was gaan horen. Of, dat hij met zijn ritmische experimenten alleen maar 'kunstjes uithaalde' - kritiek die miskende dat dankzij Brubeck generaties musici na hem veel vertrouwder waren met rare maatsoorten. Of het werd hem verweten dat hij zo veel blok-akkoorden (tweehandig gespeelde akkoorden) speelde, en 'zo bombastisch' was.

Tegen jazz-schrijver Doug Ramsey verwaardigde Brubeck zich op dat laatste in te gaan. "Dat woord bombastisch blijft maar terugkomen, als een val waar ik telkens weer in val. Verdorie, als ik bombastisch ben, heb ik daar mijn redenen voor. Ik wil bombastisch zijn. Graag of niet."

In Nederland bakte jazzcriticus Bert Vuijsje ze bruin met de verzuchting "Hoe durft Brubeck met echte jazzmusici op één podium te zitten". Maar sinds een Amerikaanse paus in de jazz-schrijverij, Gene Lees, in 1992 over Brubeck schreef: "Het publiek had gelijk, de critici hadden ongelijk'' en hem "een van de meest interessante en individualistische pianisten" noemde, leek het vrije schieten sterk te zijn afgenomen.

Het originele Dave Brubeck- kwartet hield al in 1967 op te bestaan: Brubeck ontbond het omdat hij vaker thuis wilde zijn, bij vrouw en kinderen - zijn meer dan zestig jaar durende huwelijk met medestudente Iola Whitlock was een van de gelukkiger verbintenissen in de jazz - en omdat hij meer wilde componeren.

Sindsdien stond Brubeck nog maar met één been in de jazz, al is hij tot op hoge leeftijd nog zo'n 80 maal per jaar blijven optreden en schreef hij nummer na nummer. Als hij nog optrad, deed hij dat aanvankelijk met baritonsaxofonist Gerry Mulligan. Later ontstond er weer een nieuw, vast Dave Brubeck Quartet, met (de in niets op Paul Desmond lijkende) saxofonist Bobby Militello, bassist Michael Moore en drummer Randy Jones. Vier van zijn zes kinderen zijn musicus geworden en ook met hen trad hij nu en dan op: de zoons Darius (piano), Chris (bas en trombone), Dan (drums) en Matthew (cello).

Met zijn andere been stond Dave Brubeck sinds 1967 in de klassieke muziek. Hij schreef sindsdien een hele rij klassieke werken - waaronder verschillende religieuze; Brubeck werd na een lauw- protestantse jeugd als volwassene katholiek. Een van de eerste klassieke werken was in 1968 het oratorium 'The Light in the Wilderness', Brubecks antwoord op de waanzin van oorlog, en een meditatie over 'Heb uw vijanden lief en bid voor wie u vervolgen'. Een recentere was, uit 1996, de mis 'To Hope! - A Celebration'. Iola was nu zijn vaste librettiste.

Die klassieke, religieuze Dave Brubeck heeft het grote publiek nooit leren kennen. Zijn klassieke werk wordt niet vaak uitgevoerd, is zelden op de radio te horen en is moeilijk verkrijgbaar. Voor veruit de meeste mensen is Dave Brubeck altijd de naam gebleven die eind jaren vijftig hun jeugd opluisterde met het mieterse 'Take Five'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden