Javier Guzman

Javier Guzman (Las Palmas, Gran Canaria, 1977) is cabaretier. Hij won in 2002 zowel de jury- als de publieksprijs van het Leids Cabaretfestival. In hetzelfde jaar tekende hij voor het televisieprogramma ’De 100% Ab Show’. Guzman treedt met zijn voorstelling ’Ton Zuur, de vergeten mens’ op in theaters in het hele land.

I

Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

„Ik heb keurig communie gedaan. En vormsel. Ik was gelovig, Godvrezend vooral. Dat laatste ging mij steeds meer tegenstaan: voor wie zou ik eigenlijk bang moeten zijn? Ik merkte dat ik geleidelijk mijn geloof begon te verliezen; op het laatst bad ik alleen nog maar de dag voor een overhoring of een repetitie. Ik weet niet van die quote komt, maar hier kan ik mij wel in vinden: ’God didn’t create man, man created God’. Ik kan me voorstellen dat het mensen troost geeft te bedenken dat er een hiernamaals bestaat waar alles beter is, maar voor mij is het juist een troost te weten dat alles acuut ophoudt als je sterft. Het maakt dingen logischer, minder ongrijpbaar: ik ben een dier –negentig procent van mijn DNA vind je ook in een fruitvlieg terug– dat op een dag, net als alle andere dieren, doodgaat en verdwijnt. Afgelopen, uit. Dat wil niet zeggen dat ik niet meer nadenk over de zin van het leven. Ik doe niets anders. Waar gaat het over? Waar dient het allemaal toe? Ik ben niet zo goed in leven, ik maak er vaak een rommel van. Zelfdestructie. Ja, ik weet waar het vandaan komt‿ ik heb veel meegemaakt in mijn leven, maar moet ik daar nu echt over‿ Kijk, zoveel wil ik wel vertellen: ik ben vreselijk op mijn bek gegaan en nu probeer ik weer overeind te komen. Ik bezin mij. Het lukt me al veel beter geluk te vinden in kleine dingen. Het hoeft niet zo groot; vijf minuten genieten is ook goed. Ik kan me nog steeds afvragen wat de zin van mijn leven is –wat doe ik daar eigenlijk op het podium? Luistert er iemand naar mij? Verandert er iets door wat ik zeg? Maar al die gedachten beletten me niet langer het tóch te blijven doen.”

II

Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken

„Ik vind dat je over alles en iedereen grappen mag maken. Als je grappen maakt over een groep zeg je daarmee vooral dat die groep er óók bij hoort. Daarom zal ik net zo goed een moslim als een christen op de hak nemen. Ik ben ook niet bang voor boze reacties: ik sta gewoon in het telefoonboek, mensen mogen weten waar ik woon, ik heb niets te verbergen. Bovendien geloof ik niet dat door toedoen van één grap van mij over Mohammed –als ik die al zou willen maken– er ergens anders op de wereld iemand het leven zal laten.

Dat gedoe om die Deense cartoons is misschien wel ergens goed voor –een relletje om de emancipatie van de islam een beetje op gang te helpen– maar ik vraag me tegelijkertijd af of het nodig is om steeds maar weer onze waarden aan anderen op te dringen. Waarom ageren wij bijvoorbeeld tegen het dragen van hoofddoekjes? Wij zien het als een middel om de vrouw te onderdrukken terwijl die vrouw zelf zegt dat ze het uit geloofsovertuiging doet. Waarom gaan we daar aan voorbij? Mensen zeggen op zoek te zijn naar de grenzen van de vrijheid van meningsuiting, maar waarom zou je dat doen? Ik ben helemaal niet zo’n voorstander van onbegrensde vrijheid; daar kunnen we helemaal niet mee omgaan. Er zijn momenten waarop ik hevig terugverlang naar een paar stevige taboes.”

III

Gij zult de dag des heren heiligen

„Soms, als ik te veel onder de mensen ben geweest, moet ik even alleen zijn. Ik kan me goed afsluiten. Misschien wel te goed. Van de vierentwintig uur heb ik eigenlijk maar anderhalf uur op het podium nodig om mijn verlegen kant te compenseren. Het moet er uit, anders zou ik imploderen. Ik streef er wel naar om wat langer deel te nemen aan het gewone leven, maar het bevalt me zo goed in mijn eigen wereld.”

IV

Eer uw vader en uw moeder

„Als ik aan mijn vader denk, denk ik vooral aan de laatste minuten van zijn leven. Hoe is hij ertoe gekomen om een touw te pakken, een knoop te leggen‿ Ik ben niet iemand die zegt ’over de doden niets dan goeds’ –daarvoor heeft hij te veel dingen fout gedaan– maar ik kan niet ontkennen dat ik met hem te doen heb, dat ik me, op een of andere manier zelfs verantwoordelijk voel voor zijn zelfmoord. Ik heb hem de laatste anderhalf jaar van zijn leven financieel onderhouden, maar ben daar een paar maanden voor zijn dood mee gestopt. Ik weet niet of er een verband is tussen die twee dingen. Mensen zeggen heel makkelijk dat hij het tóch wel had gedaan, maar hoe kun je dat weten? Niemand weet wat zich op dat moment in zijn hoofd afspeelde. Ik weet niet waarom hij het heeft gedaan –hij heeft geen briefje achtergelaten, niets. Ik probeer erin te berusten dat ik er nooit achter zal komen.

Ik hield van hem, natuurlijk. Of hij ook van mij hield, weet ik niet. Ik denk het wel, al was hij erg egocentrisch. Het zal een soort liefde geweest zijn waar je weinig moeite voor hoeft te doen. Bovendien loog hij veel. Ik weet dat mensen die veel liegen uiteindelijk in hun eigen leugens gaan geloven. Dat maakt het ook moeilijker hen iets kwalijk te nemen.

Hij stierf vorig jaar. Twee jaar eerder had ik hem voor het laatst gezien. Ik heb geen slechte herinneringen aan die ontmoeting. Ons contact was iets verbeterd. Ik moest hem, op een gegeven moment, proberen te vergeven en de draad weer oppakken. Wat hij me heeft aangedaan? Hij heeft me geslagen, hij heeft‿ nee, sorry‿ dit is me te privé, ik‿ goed: hij heeft me financieel benadeeld, geprobeerd me te besodemieteren. Dat het niet is gelukt, kwam doordat ik hem doorhad, niet door een plotselinge inkeer van hem. Ooit was hij een multimiljonair, maar hij heeft ons gewoon laten vallen.

Toen mijn ouders uit elkaar gingen, vertrokken mijn moeder, mijn broertje en ik naar Nederland en bleef hij in Spanje, zijn geboorteland, achter. Daar zat hij rijk te wezen, terwijl wij verkommerden met een uitkerinkje in Ouderkerk aan de IJssel. Ironisch genoeg heb ik hem dus uiteindelijk, toen hij door de drank aan lager wal was geraakt, onderhouden‿ Ik heb me neergelegd bij het feit dat hij een roerig leven heeft gehad, met succes en veel falen, dat hij triest aan zijn einde is gekomen en dat ik, ondanks alles, van hem heb gehouden. Dat is toch heel wat?

Het eren van mijn moeder gaat me makkelijker af. Ze heeft altijd goed voor me gezorgd. We doen dingen samen, ik probeer haar te plezieren. Ik weet niet of we altijd even gelukkig waren, met z’n drieën –ik ben op mijn zestiende het huis uitgezet omdat ik een onhandelbare puber was– maar aan mijn liefde voor haar heb ik nooit getwijfeld.”

V

Gij zult niet doden

„Het lijkt me bizar om een mes te pakken en dat door iemands huid te prikken –ik kan me er niets bij voorstellen. Ja, een moment van verstandsverbijstering, dat zou kunnen, maar dan nog‿ Ik denk dat ik, als ik zou slaan, altijd in mijn achterhoofd zal houden tot hoe ver ik kan gaan. Nee, ik ben geen vechtersbaas. Ik weet dat ik die reputatie heb, maar het is echt onzin. Ik vecht nagenoeg nooit. Als ik agressief word, gebruik ik woorden. Als ik te veel heb gedronken, ja. Maar ik drink niet meer. Ik ben bij twee afkickcentra geweest, een in Londen en een in Madrid. Ik heb nooit gedacht dat ik, net als mijn vader, alcoholist zou worden. Ik ben 28 en heb die zaak achter me liggen. Het is klaar. Geen druppel meer. Ik merk nu al veranderingen. Nuchter ben ik mezelf: rustig, bedachtzaam, aan de stille kant. Als ik teveel heb gedronken, ben ik uitgelaten, sneller agressief. Natuurlijk, die agressieve kant is er nog. Daar praat ik met mijn psychiater over.”

VI

Gij zult geen onkuisheid doen

„Als ik het fijn vind om een piercing in mijn eikel te nemen, moet ik dat maar gewoon doen. Het is mijn lichaam en ik doe ermee wat ik wil. Hetzelfde geldt voor wat anderen met elkaar doen: zo lang een van de twee het maar niet voor die ander doet, mogen ze alles uitspoken wat ze fijn vinden. Vreemdgaan, dát is pas onkuis. Ja, daar heb ik mij in het verleden vaak schuldig aan gemaakt. Ik heb daar in sommige gevallen spijt van, maar in andere gevallen heb ik er spijt van het niet te hebben gedaan. Trouw zijn in een relatie, dat is echt zoiets waar je op een zeker moment aan toe moet zijn. Ik ben nu zo ver.”

VII

Gij zult niet stelen

„Ik was een te grote schijterd om dingen te jatten. Het waren de jongens met wie ik omging die het serieuzere werk deden. Ik zette hooguit wat graffiti of stal wel eens een pakje sigaretten. Op een of andere manier was ik een clown in de groep. Als er gevochten werd, was ik degene die ging sussen. Als er gestolen werd, voelde ik me bezwaard.”

VIII

Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

„Ach jongen, er zijn zoveel valse getuigenissen over mij afgelegd. Dat gezeik over die knokpartij op de Zeedijk! Wanneer is dat gebeurd? Februari 2005! En toch schudt iedere journalist de knipselmap weer boven zijn bureautje leeg en komt met diezelfde vraag: ’Klopt het dat jij dronken was, je hebt misdragen en de kroeg bent uitgesmeten?’ Nee dus. Dat klopt niet. En moet ik –met vijf programma’s op mijn naam– nou de geschiedenis ingaan als de man die zich zogenaamd op de Zeedijk misdroeg? Ik word er echt schijtziek van!

Ik heb door die slechte publiciteit wel een lesje geleerd. Ik heb me heel erg opgewonden over de eenzijdigheid van die verhalen en het staat er zomaar, zwart op wit! Nu kan ik iets lezen, constateren dat het niet klopt en het van me afschuiven. Klopt niet. Weg ermee. Als jij dit interview was begonnen met een vraag over die Zeedijk was dit een heel ander gesprek geworden, dan zou ik je gewoon gaan fucken met antwoorden waar je niets mee kunt. Een zo’n stom incident bepaalt wie ik ben? Donder op! Kijk, in Den Bosch heb ik me, na een voorstelling, een keer misdragen. Dat heb ik toegegeven. Mijn fout, klaar. Waarom zou ik over dat soort dingen liegen? Ik vind liegen vreselijk. Zeker als je er een ander pijn mee doet. Liegen is zeggen dat je een vis hebt gevangen terwijl je niet eens in de buurt van het water bent geweest. Dat heb ik nooit gedaan. Wat ik wel eens doe –al probeer ik het zoveel mogelijk te vermijden– is een beetje overdrijven hoe groot de vis is die ik aan de haak heb geslagen.”

IX

Gij zult geen onkuisheid begeren

„Of ik nu de kans krijg ontrouw te zijn? Daar praat ik niet over. Ja, luister eens, ik zit hier nou al anderhalf uur een belangrijke regel te overtreden: ik vind dat ik véél te openhartig ben geweest. Zo is het echt genoeg. Bovendien vind ik vragen over vriendinnetjes van een hoog Hitkrantgehalte. Het is volslagen oninteressant om te weten of ik een vriendin heb, of niet. Daar leer je me echt niet beter door kennen. Aan welke eisen een partner moet voldoen? Het moet iemand zijn die mij vertrouwt, iemand die van mij houdt; een goede vriendin die niet meteen wegloopt als er moeilijke tijden aanbreken.

Je hebt gelijk, het is misschien niet makkelijk om mijn partner te zijn. Ik kan ontzettend somber zijn, helemaal in mijn eigen wereld verdwijnen, maar als je die depressieve buien voor lief wil nemen, kan ik echt een reteleuke gozer zijn. Ik luister naar je, ik ben begaan met je, ik verraad je niet. Weet je wat het probleem is met die sombere kant van mij? Ze lopen er voor weg, of ze proberen me van mijn somberte te verlossen. Dat heeft helemaal geen zin. Laat me met rust, of praat gewoon met me, maar probeer me niet te redden. Ik wil helemaal niet gered worden.”

X

Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

„Vroeger zei ik: ik wil de beste cabaretier zijn. Nu weet ik dat ik de beste cabaretier wil zijn die ik kan zijn. Ik hoop natuurlijk dat die twee verlangens overeenkomen, maar vooralsnog kijk ik erg tegen anderen op. Theo Maassen is, wat dat betreft, mijn grote voorbeeld. Ik kan erg onder de indruk van hem raken. Freek de Jonge idem dito. Nee, geen jaloezie, maar ontzag, respect. Goed, soms heb ik momenten van verschrompeling; dan voel ik me heel klein in hun buurt. Maar ik weet ook wat ik kan. Dat ik altijd uitverkochte zalen heb, is toch niet niks? Mensen hechten kennelijk waarde aan wat ik doe, wat ik verwoord – daar zie ik wel een zekere erkenning in. Zo is het toch begonnen: ik wilde laten zien wat ik kon. Als er zo’n enorme bulderlach door de zaal gaat, heb ik dat gevoel weer terug. Ze lachen om mij! Ik had het ook toen ik een huis kocht: dit heb ik toch mooi met grappenmaken bij elkaar verdiend. Ja, ik kom van ver. Ik geloof dat negen van de tien mensen in soortgelijke situaties het niet hadden gered. Ik heb er mijn voordeel mee gedaan. Die achtergrond, mijn doorzettingsvermogen en mijn eigenwijsheid hebben me hier gebracht. Natuurlijk, je moet ook kansen krijgen, maar voor de rest ben je zelf verantwoordelijk. Dat zijn allemaal zaken die ik voor mezelf op een rij heb gezet. Ik was mezelf gewoon een beetje zat. Ik streefde dingen na die niet na te streven zijn‿ Misschien had ik ook genoeg van die zwaarmoedige kant van mezelf. De dood van mijn vader zal daar zeker een rol in hebben gespeeld. Voor mij is het op een dag ook afgelopen –wat doe ik eigenlijk met mijn leven? Wil ik op mijn kamertje blijven zitten en somber voor me uit staren? Ik wil eruit. Ik wil mensen aan het denken zetten, ze heel hard laten lachen, troost bieden, een mening verkondigen waar ze over door kunnen praten. Applaus ontvangen? Ook. Een slotapplaus, een open doekje is prachtig, maar het is toch minder belangrijk geworden. Nog niet zo lang geleden hing ik daar heel mijn identiteit aan op: ik bestond alleen als ik gezien, gehoord, bewonderd werd. Dat heb ik niet meer nodig. Ik besta sowieso. Door de gesprekken met mijn psychiater –en andere goede coaches om mij heen– vallen er allerlei dingen op zijn plaats. Ik begin nu te begrijpen wat al heel vaak tegen me werd gezegd, het is een domino-effect. Ik zal niet zeggen dat ik nu ineens ontzettend veel van mezelf hou, maar een beetje zelfacceptatie begint wel te komen. Ik erken dat ik duistere kanten heb. Die wil ik, waar mogelijk, bevechten. Ik wil ook leren minder bang te zijn. Bang dat het over gaat, bang dat ik alles weer kwijtraak, bang dat ik me op een hoogte ga begeven waar ik niet meer aan de verwachtingen kan voldoen. Bang te eindigen zoals mijn vader? Zo heb ik er eigenlijk nog nooit naar gekeken‿ ik weet het niet. Ik heb niet alleen mijn vader zien wegzakken. Ik ken het gevaar van verval, van verslaving. Daar ga ik in mijn nieuwe show iets mee doen. Ja, een breder verhaal over verslaving en hulpverlening. Ik wil het probleem maatschappelijk duiden, maar ik wil tegelijkertijd iets van mezelf laten zien. Dat lukt me op een podium nu eenmaal beter dan, bijvoorbeeld, hier aan een tafeltje in de kroeg. Ik durf je ook niet zo goed aan te kijken. Ik vind oogcontact zo intiem. Waar ik bang voor ben? Ik weet het niet. Misschien wel om ongelijk te krijgen; dat je me zo, in mijn gezicht kunt zeggen dat je het met mij oneens bent‿ Dat geloof je niet? Tja, waarom ik bang ben voor intimiteit? Goed dan: omdat iedereen met wie ik ooit intiem ben geweest bij mij is weggegaan. Zo. Dat is het antwoord. Zijn we nu klaar?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden