Japanse leger mag eindelijk gezien worden

Het na-oorlogse Japanse leger is nog nooit zo zichtbaar én populair geweest, dankzij de grote inzet na de tsunami. Maar die populariteit heeft ook een gevaarlijke kant, zolang het leger nog geen afstand neemt van het verleden.

In het bijna compleet verwoeste Japanse stadje Onagawa rijden in de middag legertrucks met puin af en aan. Langs een kustlijn van 500 kilometer moeten ontelbare tonnen platgeslagen gebouwen worden afgevoerd, de verwoesting is immens. Hefkranen scheiden het afval in grote bergen hout en ijzer.

Premier Naoto Kan gaf het leger vlak na de tsunami van 11 maart de opdracht naar het rampgebied te gaan. In een unieke operatie vertrokken honderdduizend militairen naar Tohoku, het getroffen noordoosten van het grootste eiland Honshu. Over de hele wereld was te zien hoe zij wekenlang in het puin en in zee naar lichamen zochten, en salueerden bij massabegrafenissen. Helikopterpiloten stortten water op de oververhitte kernreactor Fukushima, chauffeurs rijden nog steeds hulpgoederen naar evacuatiecentra, keukenbrigades koken voor overlevenden. Niemand kan kritiek hebben op een leger dat zo efficiënt voor het goede doel wordt ingezet en veel getroffenen uitten hun dank aan de militairen.

"Natuurlijk willen zij de natie helpen, maar het is een grote bonus voor het leger dat het nu zo positief in de publiciteit komt", zegt professor Tosh Minohara van de Universiteit van Kobe in Japan. Het leger was door zijn agressieve optreden in de vorige eeuw al uiterst omstreden bij de buren in de regio, en na de nederlaag in 1945 ook in Japan zelf. De Amerikanen legden Japan in de nieuwe grondwet op dat het eigenlijk niet eens een leger mocht hebben, maar dat bleek in Koude Oorlog een ongewenste zaak. Zo lieten de VS sluipenderwijs toch een krijgsmacht ontstaan, die is uitgegroeid tot een van de beste legers van de wereld.

Sinds 1995 is dat 'zelfverdedigingsleger' steeds vaker betrokken bij vredesoperaties in landen als Cambodja, Djibouti, Irak, maar ook bij hulpoperaties zoals bij de aardbeving in Haïti in 2010, en China in 2009. Na de grote aardbeving in Kobe in 1995 was er veel kritiek op de regering. Bijvoorbeeld omdat de lokale maffia - de Yamaguchi-gumi - sneller in actie kwam dan de overheid. Die les heeft premier Kan zeker geleerd, en het is bijzonder hoe snel honderdduizend militairen ter plekke konden zijn. "Commandanten mogen sinds Kobe zelf in actie komen", zegt Minohara. Dat is ook gebeurd in maart in Tohoku.

In de regio voelen verscheidene landen zich bedreigd door de groeiende militaire macht van China en door de kernwapens van Noord-Korea. "Het leger moet wel een grotere rol krijgen in Japan, en in dat licht gezien is de tsunami een godsgeschenk", aldus Minohara in zijn werkkamer op de campus van Kobe-universiteit. "De samenwerking met de VS-militairen verliep perfect dankzij de vele gezamenlijke oefeningen die de twee legers uitvoerden." Zelfs 'vijand' China heeft in een recent rapport de Japanse krijgsmacht tachtig van de honderd punten toegekend, vooral vanwege die snelle verplaatsing. "Die twintig minpunten zijn voor de kernramp, die nog niet onder controle is."

De verplaatsing naar Tohoku kon alleen zo snel gaan, omdat de VS het uitgestrekte eilandenrijk beschermen. "Het leger loopt nu op zijn achterste benen, maar moet toch alert blijven. Zo hebben de Russen in maart tweemaal opzettelijk het Japanse luchtruim geschonden." Spelletjes om de kracht van de Japanse krijgsmacht in tijden van crisis te testen, denkt Minohara.

Het leger was tot voor kort onzichtbaar in Japan. "Weet je dat de meeste van mijn studenten nog nooit een soldaat hebben gezien?", vraagt de professor. "Tot 2006 mocht het ministerie van defensie slechts een agentschap zijn." Het tij is door de drievoudige ramp definitief gekeerd. "Ik wist niet dat het leger zo nuttig kon zijn", zegt een fabrieksmanager in de getroffen kustplaats Kamaishi. "Ik woonde lang bij een grote legerbasis en zag ze wel oefenen. Maar wat ze nou echt voor het land deden, ik had geen idee." Het leger zelf is zich als geen ander bewust van deze unieke pr-kans, en is voor een Japanse institutie ongekend open.

Op de tijdelijke legerbasis in havenstadje Onagawa ontvangt de commandant van de 14de brigade hoogstpersoonlijk de gast uit Nederland. Na de gebruikelijke buigingen mogen gasten met de commandant op de foto, die bij het afscheid zal worden meegegeven. Het vergroot het idee van een bedrijfsbezoek. "Ja, het was tot voor kort ondenkbaar dat iemand van mijn rang met de media zou praten", geeft majoor-generaal Inoue Takeru met een glimlach toe. Hij werkte jaren als militair attaché in Bonn en bezocht in die jaren negentig Nederland vaker. "Dat heeft me ook wel opener gemaakt. Bovendien heeft zo'n tien procent van het leger inmiddels meegedaan aan buitenlandse missies. Zelf was ik bijvoorbeeld op de Golanhoogte gestationeerd."

Takeru geeft een powerpoint-presentatie in de grote tent die als zijn hoofdkwartier fungeert. Binnen drie dagen had hij 1500 militairen, vijf helikopters en 360 vrachtwagens van zijn 14de divisie uit het duizend kilometer verderop gelegen eiland Shikoku naar Tohoku verplaatst.

"Inmiddels zijn we met 3150 mensen, ook van het noordelijke eiland Hokkaido. Van de grote aardbeving in Kobe hebben we geleerd dat we snel moeten zijn. Elk jaar oefenen we daarom met de lokale overheid."

Zijn personeel heeft net als militairen en politie in heel Tohoku, vooral naar doden gezocht. "Dat is de zwaarste taak. In het gebied dat wij beheren is zo'n acht procent van de inwoners omgekomen. Verder hebben we meegewerkt aan herstel van het vliegveld in Sendai. Het grootste probleem was dat alle benzinestations vernield waren. We hebben het archief van de gemeente gered, vervoeren benzine naar twee tijdelijke stations, we bezorgen voedsel en medicijnen en hebben van vistanks badruimtes gemaakt."

Een bad nemen is erg belangrijk in Japan, dat duizenden warmwaterbronnen heeft en vol staat met badhuizen, zogeheten onsen. Generaal Hideki Tojo, die van 1941 tot 1944 premier was, werd in 1948 opgehangen als oorlogscrimineel. Hij vroeg daarvoor niet om een laatste maaltijd, maar om een warm bad, zodat hij schoon kon sterven. "Er zijn in dit kamp al 22.000 evacués in bad geweest", zegt majoor-generaal Takeru niet zonder trots, terwijl de zeelucht naar binnen waait. Takeru is zich ervan bewust dat de bevolking ineens veel positiever over het leger denkt, dankzij de inzet in het rampgebied. Meedoen aan een gevechtsmissie als in Libië zit er nog lang niet in. "Maar voor Japan zelf willen we het ultieme vangnet zijn."

Het hoofdkwartier is neergezet bij een hooggelegen sportcentrum in Onagawa. Daarin bivakkeren evacués. Gezinnen met kinderen leven in een tentenkamp iets lager op de heuvel. "Hier kunnen ze na schooltijd spelen en rondrennen, zonder anderen te storen", zegt een bewoonster. Het sportcentrum is ontzagwekkend groot voor het kleine Onagawa. "Misschien compensatie omdat hier vlakbij een kerncentrale is gebouwd", denkt een hoge militair. Een evacuee spreekt hem aan, de oudere dame dankt buigend voor zijn werk in Onagawa. In een sportzaal laden militairen dozen van een vrachtwagen. De zaal staat vol met gestapelde voorraden, buiten ligt een hond aan een ketting. Niemand weet wie de eigenaar is.

Op het sportveld staan nu legertrucks. De chefkok komt uit Hokkaido; elke dag maakt hij twee maaltijden voor duizend evacués. Vanavond staan - heel Japans - witte rijst, miso-soep en kip op het menu. Zelf doen de militairen het al weken met instantnoedels.

Op de terugweg uit het rampgebied naar Sendai komt de legerjeep ineens los van het asfalt: de snelweg is berijdbaar maar heeft door de aardbeving her en der golven, bobbels en scheuren. De chauffeur komt zelf uit Hokkaido en hielp eerder al mee met het zoeken naar lichamen. Op zijn helm heeft hij een sticker geplakt waarop in lokaal dialect staat: Tohoku zet hem op! Dat motto is ook her en der op een nog overeind staand huis te lezen. Militairen hebben doorzochte huizen en auto's gemarkeerd met een kruis in een cirkel. Ontbreekt het kruis, dan ligt er nog een lichaam onder het puin, dat niet met de hand kon worden weggehaald.

Pr-assistent kapitein Tatsuya Kawakami (40) zit naast de chauffeur, hij doceert op een militaire school in Tokio. Kawakami is slechts twee weken in Sendai. "Jammer ja, maar de rest van het leger moet ook doordraaien." Zijn vader was piloot bij de marine van de keizer. Hij overleefde de laatste zelfmoordaanvallen in 1945 in Shanghai, omdat hij net ziek was toen zijn groep vertrok. "Als kind wilde ik al het leger in. Bij het naoorlogse militaire tribunaal was vooral de landmacht doelwit. Zij hadden een slecht imago. Mariniers zoals mijn vader hebben altijd reclame voor het leger gemaakt."

De vriendelijke Kawakami geeft onder meer oorlogsgeschiedenis. Een vraag over de Japanse schoolboeken, die berucht zijn bij buurlanden als China en Zuid-Korea, omdat zij de Japanse agressie wel erg summier behandelen, ligt voor de hand. "De schoolboeken vertellen niet alles." Zelfs met de paar zinnen die in de geschiedenisboeken vermeld worden, blijkt Kawakami nog moeite te hebben. "Er zijn bijvoorbeeld in Nanking helemaal niet zoveel doden gevallen". Het precieze aantal doden bij de massamoord in het Chinese Nanking in 1937 is omstreden (China: 300.000, Japanse historici: 40.000 tot 200.000), maar dat het Japanse leger zich na de inname van de stad beestachtig gedragen heeft, staat vast. De kapitein weet dat het internationaal ook zo gezien wordt, maar denkt vooral defensief. "Het is toch vreemd dat de Chinezen zeggen dat er meer mensen gedood zijn dan het geval was?"

Kawakami weet het ook nog zo te draaien, dat hij vertelt dat de Chinezen blij waren met de komst van het Japanse bezettingsleger. "China was in die tijd erg gevaarlijk, er was een burgeroorlog gaande. Ons leger ging erheen om de orde te herstellen. Als je een foto ziet van een Japanse soldaat die een Chinese vrouw neerschiet, dan is dat omdat je niet wist wie de aanvallers waren, net zoals in het Irak van nu. Ook een vrouw of een kind kon Japanners aanvallen."

Het is te verwachten dat als het oorlogsverleden in het onderwijs al wordt toegedekt, het leger zelf er ook niet feitelijk en open over spreekt. Dat baart zorgen als een prominentere, meer zichtbare rol voor de krijgsmacht in het verschiet ligt.

"Het is in onze geschiedenis vaker misgegaan als militairen zich in de politiek mengden, zoals in de jaren dertig", reageert professor Minohara. Dat gebeurt ook in deze eeuw nog. Zo pleitte luchtmachtgeneraal Toshio Tamogami in 2004 voor de ontwikkeling van kernwapens. Pas toen hij in 2008 een essay publiceerde waarin hij ontkende dat Japan in de Tweede Wereldoorlog de agressor was, was voor de regering de maat vol. Hij schreef bovendien dat de oorlog China, Taiwan en Korea voorspoed heeft gebracht, en had het over 'geruchten over begane wreedheden'. Premier Abe gaf toe dat de opstelling van de bevelhebber van de luchtmacht te lang was getolereerd. Tamogami moest met pensioen maar kreeg nog wel een half miljoen euro mee. "Zijn ontslag gaf in het leger veel ophef, want hij heeft erg veel sympathisanten. Het is een goede vent, dit is oneerlijk, was de gedachte", meldt Minohara. De generaal doet nu de ronde in het lezingencircuit en strijkt daarvoor aardige bedragen op. Verder heeft hij zich gemengd in nationalistische kringen, die zich fel tegen China afzetten.

"Hierin zit het grootste gevaar", meent Minohara, "het publiek is sinds kort erg positief over het leger. Maar doordat de militairen zo lang onzichtbaar zijn geweest, hebben burgers geen enkel bewustzijn over de krijgsmacht. Dus is controle van gewone Japanners op dat leger erg moeilijk." Japanse media zijn van oudsher conservatief en niet zo kritisch op de overheid, dus vanuit die hoek is ook niet de controlerende rol te verwachten die de media in het Westen spelen.

Momenteel zijn veel posities bij de krijgsmacht niet ingevuld. Een divisie moet uit 8000 militairen bestaan, maar dat zijn er vaak niet meer dan 7000 of 7500. Dat zal aantrekken, verwacht Minohara. "Door de werkloosheid en omdat door de ramp nu veel jongeren denken: Ik wil ook helpen."

'Zelfverdedigingsleger'
Japanners noemen hun krijgsmacht consequent, en bijna dwangmatig 'zelfverdedigingsleger'. Het is een overblijfsel van de Japanse nederlaag in 1945. In de nieuwe - door Amerikanen geschreven - grondwet van 1947 staat dat het leger nooit tot de aanval mag overgaan.

Japan kent geen dienstplicht. Alle 260.000 militairen zijn beroeps, van wie 140.000 in de landmacht werken, de rest bij marine en luchtmacht. Dat is niet bijzonder veel voor een land met 127 miljoen inwoners, en als je het afzet tegen het staande leger van Zuid-Korea, Noord-Korea of China. Maar de Japanners zijn goed getraind en opgeleid, en hun materieel is technisch hoogwaardig. Met name de marine en luchtmacht zijn indrukwekkend. De marine heeft 149 schepen, 52 fregatten, 16 onderzeeërs, een minivliegdekschip in aantocht, en hoort daarmee internationaal zeker tot de top-5.

De industrie die wapens en technologie levert, mag niet exporteren, behalve naar de VS. Dat maakt de binnenlandse productie duur. Het is de verwachting dat krijgsmacht en industrie slagen in hun poging die beperkingen van tafel te krijgen, zodat samenwerking met buitenlandse bedrijven mogelijk wordt.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden