Review

Jansons laat Letse landgenote met flair en vaart debuteren

Koninklijk Concertgebouworkest, Elina Garanca (mezzosopraan) olv Mariss Jansons. Herhaling en rechtstreeks op Radio 4: zo 4/2 om 14.15 uur.

Wat een bijzonder concert, donderdag in het Concertgebouw! En wat een overweldigend Nederlands debuut voor de Letse mezzosopraan Elina Garanca! In een interview vertelde de veelzijdige Garanca dat ze de liederencyclus ’Folk Songs’ van Luciano Berio als een uitdaging zag; al helemaal met haar landgenoot Jansons en het Concertgebouworkest.

Berio schreef de liederencyclus in 1964 voor zijn geliefde Cathy Berberian: een stemkunstenares die als een kameleon kon wisselen tussen de meest diverse stijlen en klankuitingen. Na Berberians dood sprak Berio de wens uit dat ’Folk Songs’ liefst door meer dan één zangeres moest worden uitgevoerd.

In de praktijk blijkt die wens niet echt haalbaar. Bovendien sleet het symbolische Berberian-embargo gelukkig (voor het werk) snel en namen bekende zangeressen (recent bijvoorbeeld Dawn Upshaw) de liederen op hun repertoire. Er lijken twee manieren te zijn om de cyclus uit te voeren: volks of klassiek.

Zong Upshaw op haar cd met succes een poppy interpretatie, zo klonk Berio met Garanca als een moderne Mahler. De afkomst van liederen over liefde, leven en dood was door hun directe expressie nog steeds te duiden, maar Garanca en Jansons tilden het volkse prachtig op naar het pastorale en het archaïserende.

Net zoals het KCO kon Garanca daarbij geheel zichzelf blijven: onopgesmukt, warm en stralend riep de Letse de atmosfeer van Berio’s liederen prachtig op, zonder vocale verkleedpartijen. Hier en daar zette de operazangeres haar betoverende geluid kracht bij door wat kleine theatrale gestes, en pakte ze lekker schmierend uit in het Azerbeidzjaanse liefdeslied aan het slot. Schalkse blikken naar het publiek, dat koud na de slotnoot juichend de zaal afbrak. In haar encore gaf Garanca het uitgelaten liefdeslied nóg meer flair en vaart.

Vaart had trouwens de hele avond, waarin het KCO zich in heel verschillende werken van zijn allerbeste kant liet horen, onder een meesterlijke Jansons. In de in kleine plukjes geïnstrumenteerde Berio klonk het KCO als een hecht ensemble van solisten, prachtig van balans en kleurenrijkdom; in Arthur Honeggers ’Pacific 2.3.1’ zorgden het koper en de strijkers voor een langzaam op snelheid komende, vervaarlijk stuwende locomotief; in de doorgedraaide ’La valse’ van Maurice Ravel (ooit door Berio geciteerd in zijn ’Sinfonia’) hoorde je nog nooit zóveel detail in de wervelende gekte; en in ’La mer’ van Claude Debussy zou je zweren dat je de zilte zeelucht kon ruiken, de golven spatten onstuimig tegen de balkons omhoog. Ook op die werken reageerde de zaal alsof het een popconcert was, bij Debussy werd zelfs na het eerste deel al luid geklapt.

Ik werd overigens terechtgewezen op een halve waarheid in mijn vorige recensie over het KCO: ik schreef dat ’Turning Point’ van Colin Matthews niet in première ging op 18 januari vanwege de storm die toen over Nederland woedde. Wat ik verzuimde te vermelden, was dat het werk de dag daarna alsnog werd gespeeld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden