Jansen geeft Italianen het nakijken

KLASSIEK

Filarmonica della Scala *** Orchestra dell'Academia di Santa Cecilia ****

Twee Italiaanse orkesten vlak na elkaar in het Amsterdamse Concertgebouw. Een mooie kans om de klassieke nationale trots van Italië - een soort muzikale pendant van de voetballende Azzurri - eens met elkaar te vergelijken. In de NTR ZaterdagMatinee trad de Filarmonica della Scala aan onder leiding van Christoph Eschenbach. Twee dagen later streken hun Romeinse collega's van het Orchestra dell'Academia di Santa Cecilia met hun chef Antonio Pappano op hetzelfde podium neer.

Zeg Italië en je zegt opera. Een symfonische cultuur zoals we die hier of in Duitsland kennen, is in Italië niet zo vanzelfsprekend. De grote Italiaanse maestro's - Toscanini, De Sabata, Giulini, Abbado, Sinopoli, Muti, Chailly en Gatti - hadden hun roots in de operacultuur. Echte concertzalen zijn er schaars en toen in 1994 de vier radio-orkesten van de Rai (Turijn, Rome, Napels en Milaan) opgingen in één nationaal orkest van de staatsomroep werd het symfonisch aanbod nog minder.

Toch werd het Santa Cecilia-orkest al in 1908 opgericht en timmert het met Pappano, chef sinds 2005 en exclusief onder contract bij Warner (voorheen EMI), behoorlijk aan de weg. Het filharmonische onderdeel van de Scala scheidde zich op instigatie van Claudio Abbado in 1982 af van het beroemde Milanese operahuis. Giulini en Muti kneedden het vervolgens tot grote hoogten.

Want zoals de Scala hoger wordt aangeslagen dan de Opera van Rome, zo is het Milanese orkest beter en gedisciplineerder dan zijn Romeinse tegenhanger. In het Concertgebouw was dat niveauverschil merkbaar en toch was het optreden van de Romeinen hartstochtelijker en meeslepender dan dat van de Milanezen. Milaan had de pech dat Eschenbach nou niet de meest bevlogen dirigent is, en Rome bofte niet alleen met de bruisende Pappano, maar ook met soliste Janine Jansen die weer eens glorieerde in Tsjaikovski's Vioolconcert.

En zo was de avond met Pappano, Jansen en de Romeinen een slagje slordiger, maar wel bevredigender dan de middag met de Milanezen. Het programma van Eschenbach was daarbij niet erg des matinees, met tweemaal een Vierde symfonie (die van Mendelssohn en Tsjaikovski) en een Berlioz-ouverture vooraf. De dirigent werkte het programma - geheel uit het hoofd - gedegen en keurig af. Eschenbach behield mooi balans, maar een beetje saai was het wel. Zelfs in de Willem Tell-ouverture van Rossini die als toegift werd gespeeld.

Pappano deed drie toegiften, wat weer overdreven was. Maar eerder, in de beeldende orkeststukken van Dukas en Moessorgski, kreeg hij zijn musici erg mooi mee. Desondanks was het uiteindelijk de Nederlandse Jansen die met haar enerverende en onopgesmukte spel al die Italianen het nakijken gaf.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden