Jannie Sanders-Woudstra 1917-2008

In haar werk als hoogleraar kinderpsychiatrie was Jannie Sanders-Woudstra heel succesvol. Over haar persoonlijke leven zweeg ze vooral.

Ze was een verlegen kind. Met drie grote broers boven zich – de jongste was negen jaar ouder – groeide ze in een onderwijzersgezin op in Indië, waar het, zou ze veel later zeggen, ’in die tijd heel leuk was om op te groeien’.

Die grote broers vertrokken een voor een naar Friesland, naar de familie, wanneer ze aan de middelbare school toe waren. Want haar ouders kwamen allebei uit een Fries boerengezin. Ze spraken Fries met elkaar, maar Nederlands met de kinderen.

Jannie Woudstra was verlegen, maar wel een doorzetter – hoewel ze een hekel had aan het Fries, benoemde ze die eigenschap als ’een Fries trekje’. Ook was ze leergierig. Dat het bij pake thuis de gewoonte was om lang te ’schemeren’ – het licht niet aan te doen tot het bijna donker was – vond ze vreselijk. Zo kon ze niet lezen.

Een paar jaar was ze in Nederland alleen met haar moeder, toen haar jongste broer heimwee had gekregen, moeder met haar terugkwam maar vader nog in Indië bleef. Het luchtte haar op toen hij weer terugkwam, want dat eenoudergezin met een al te bezorgde moeder beviel haar niet. Ze gingen in Oosterbeek wonen. Jannie Woudstra deed er gymnasium-B, twijfelde even of ze scheikunde zou gaan studeren, maar besloot toch tot geneeskunde. Niet dat ze nou zoveel roeping had om ’zieke mensen te genezen’. Dat er de combinatie van biologie, schei- en natuurkunde bij te pas kwam, dat trok haar.

Ze haalde in Utrecht haar kandidaats maar brak de studie af toen ze trouwde met Ton Sanders. Ze kende hem al uit Oosterbeek. Hij had tropische landbouw gestudeerd en was in Indië planter geworden. Eind ’39 ging ze er met de boot naartoe. Tien maanden later kregen ze hun eerste kind.

Tijdens de Japanse bezetting moest haar man in Birma werken aan de beruchte spoorlijn. Moeder en kind zaten in verschillende Jappenkampen. Echt slecht had ze het er niet, omdat ze werkte in het lab van het kamp, en daardoor altijd wel wat extra eten kon regelen. Maar over die tijd vertellen, dat deed ze later eigenlijk nooit – of het moest de observatie zijn dat ze ’er flinker van was geworden’. Zoals ze later ook over de vroege, gewelddadige dood van haar man altijd bijzonder zwijgzaam is geweest. Hij kwam op de plantage zomer 1952 door messteken om het leven - in een vorm van zinloos geweld, zou je nu zeggen.

Op dat moment had het echtpaar, inmiddels met een tweede dochter, al plannen om de nieuwe staat Indonesië te verlaten: Nederlanders waren er immers niet langer welkom. Ze zouden voor een paar jaar terug gaan naar Nederland; zij zou haar studie vlug afmaken zodat ze een tijdje de kost kon verdienen; vanuit Nederland zouden ze daarna naar een ander tropisch land gaan, waar hij zijn vak weer kon oppakken. Daarom waren, op het moment dat Ton Sanders overleed, de kinderen al bij familie in Nederland en was Jannie Sanders-Woudstra alvast in Soerabaja, de havenstad.

Ze reisde als weduwe terug naar Nederland terug en pakte de studie weer op, deze keer in Groningen. De kinderen bleven bij hun oom en tante wonen, aan wie ze zich meer hechtten dan aan hun eigen moeder, ook al zagen ze haar tijdens vakanties en eens per maand een weekeinde. Maar ook daarover zou Jannie Sanders-Woudstra eigenlijk nooit veel zeggen. De prijs voor haar beroepsleven betaalde ze zwijgend.

Toen ze na drie jaar arts was besloot ze zich te specialiseren tot zenuwarts/psychiater, toen nog één studie. Ze promoveerde op een neurologisch, exact onderwerp – zenuwbanen bij de rat – maar besloot daarna alsnog om in de psychiatrie te gaan werken.

Het werd de kinderpsychiatrie. Dat was in Nederland een nieuw vak – dat van de volwassenenpsychiatrie verschilt omdat er altijd ouders, en vaak ook een school, bij betrokken zijn. Theo Hart de Ruyter was er de eerste hoogleraar in, Jannie Sanders-Woudstra vond hem inspirerend en werd in Groningen zijn rechterhand. Tot de Rotterdamse universiteit, die begin jaren zeventig een medische faculteit opzette, haar aanzocht om daar hoogleraar te worden.

De kinderpsychiaters van het eerste uur waren psychoanalytici; discipelen van Freud, en zelf allemaal in ’leeranalyse’ geweest. Dat was nuttig geweest, zou Jannie Sanders-Woudstra later zeggen – het hoogleraarschap had ze nooit aangedurfd als ze zichzelf in die analyse niet goed had leren kennen, niet had afgeleerd te twijfelen en compromissen te sluiten. Maar in een psychoanalytische behandeling van kinderen met een stoornis geloofde ze niet. Weggegooid geld, vond ze. Met analytische kennis kon je kinderen wel heel goed begrijpen, dat wel. Maar gedrags-, gezins- of speltherapie vond ze beter werken.

Ze was al 57 toen ze in 1974 in Rotterdam hoogleraar werd. Toen ze er begon waren er zo'n dertig medewerkers; toen ze in 1987 eindelijk met pensioen ging, 70 jaar oud, waren het er honderd. Een afdeling van de grond krijgen, dat beviel haar zeer. Zelf onderzoek doen, dat kwam er alleen niet zo van. Maar om zich heen verzamelde ze mensen die zowel het talent hadden om kinderen te behandelen als om de wetenschap te dienen. Die waren schaars, en nog niet helemaal rijp („de jongens moeten nog een paar jaar in de broedstoof blijven”, zei ze) toen ze op haar 65ste volgens de regels van het ministerie van Onderwijs met pensioen moest. Ze kreeg dispensatie om nog vijf jaar door te werken.

In de buitenwereld was ze nu en dan zichtbaar als de hoogleraar die gerust tegen de opinions chic van het moment in ging. Zo kruiste ze in 1986 de degens met gezinssociologe Iteke Weeda (ook hoogleraar, maar dan in Wageningen) over de waarde van crèches. Kan ook voor jonge kinderen best, vond Weeda. Tenminste de eerste drie jaar niet aan beginnen, vond Sanders-Woudstra.

Over zichzelf, haar workwise succesvolle, maar op het persoonlijke vlak dramatische leven heeft ze ook later zelden willen praten. De moeder van de Nederlandse kinderpsychiatrie was niet zo'n prater als het over haar zelf ging. Veel meer dan ’het is geweest zoals het is geweest’ en ’je moet toch verder’ zei ze er niet over. Maar wat ze gemist had met haar eigen kinderen, haalde ze decennia later wel in met de achterkleinkinderen. Tot op hoge leeftijd reed ze wekelijks naar een kleindochter in Vlissingen om daar op de achterkleinkinderen te passen.

Tot haar 91ste verjaardag was ze kerngezond. Ze had ook nog volwassen patiënten in leeranalyse, al kon ze onderhand moeilijker horen. Maar ineens begon ze te sukkelen. Het bleken de nieren te zijn. Hoewel de dokters anders adviseerden, was ze bereid om met dialyse te beginnen: ze wilde nog lang niet dood. Begin december viel ze, kneusde ribben, kreeg darmbloedingen die de genadeslag waren voor de nieren en kwam in een coma terecht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden