Review

Jann Ruyters herleest 'Een kamer van jezelf'

Welke klassiekers verdienen het herlezen te worden? Deze maand test 'Het kanon' de canon van het feminisme. Om te beginnen 'A room of one's own' van Virginia Woolf.

Woolf hing in mijn eerste studentenkamer. De twintigjarige Virginia, en profil. Meer studentes hadden die poster begin jaren tachtig aan de muur. Woolfs gezicht staat peinzend, melancholiek, en roept de juiste studieuze ernst op. Beter dan Che, met zijn guerilla-look.

Niet dat we Virginia Woolf lázen, maar haar naam had een mythische klank. 'Who's afraid of Virginia Woolf'. De Bloomsbury-groep. 'Een kamer voor jezelf.' De boodschap van die tekst uit 1929 was ook wel tot me doorgedrongen zonder dat ik hem had gelezen. ,,Een vrouw moet geld hebben en een kamer voor zichzelf om romans te kunnen schrijven'', schrijft Virginia Woolf meteen aan het begin van haar beroemde essay. Weliswaar hádden wij die kamer en dat geld, maar het bleef een mooi, onomstreden feministisch ideaal. Tuurlijk, een eigen kamer, economische onafhankelijkheid, schrijven! Woolf was een feministe waar je je geen buil aan kon vallen. Radicaal, maar deftig. Een beroemd schrijfster, een door mannen erkend literatuurvernieuwer. En nog mooi ook, op het affiche.

'Een kamer voor jezelf' heb ik pas later ook echt gelezen. Veel van wat erin staat, kwam me toen bekend voor, al zag ik nog niet dat Woolf van die inmiddels vertrouwde gedachten het beginpunt was. Historisch besef komt pas met de jaren. Net zoals kinderen trouwens, die ervoor zorgen dat je die vanzelfsprekende eigen ruimte toch weer moet gaan bevechten.

Het is het eerste wat opvalt bij een herlezing van Woolfs klassieke tekst. Al houdt ze nóg zo'n elegant pleidooi voor die eigen kamer, de hele wereld behoort háar al toe. Oké, ze wordt op de derde bladzijde door een pedel van een gazon in Oxbridge verwijderd, omdat vrouwen er niet mogen lopen. En ze mag als vrouw de bibliotheek niet in. Maar je deint niettemin vanzelfsprekend mee in haar benijdenswaardige eruditie, in haar kalme, ironische betoogtrant. Ze heeft niet alleen alle ruimte, maar ook alle tijd. Geen gehaast, geen agenda: wandelen, lezen, kijken, peinzen. Zij heeft dan ook die noodzakelijke toelage van 500 pond per jaar via een erfenis, meldt ze. En ze heeft geen kinderen. Ze voert je mee door weilanden, gebouwen, boeken, geschiedenis. De heuvels in Sussex, de straten in Londen. De lunch bestaat uit tong en patrijzen. Rijnwijn. Fris! Daar schrijven mannen nooit over, weet Woolf.

En intussen denkt ze na over de relatie tussen vrouwen en fictie. En slaat onverwacht toe: ,,De vrouw heeft al deze eeuwen gediend als spiegel die de magische en heerlijke macht bezat het beeld van de man te weerkaatsen tot twee maal zijn ware grootte.'' En:,,Als u niet minderwaardig waren, zouden [mannen] ophouden groter te worden.'' Ze vraagt zich af waarom mannen zoveel geobsedeerde studies over vrouwen hebben geschreven, maar er niets bekend is over gewone vrouwenlevens in de 16de eeuw. Waarom zijn slagvelden interessanter dan huiskamers? Waarom beheersen vrouwen het domein van de verbeelding, maar hebben ze in het gewone leven geen enkele macht? Stel, Shakespeare had een zuster gehad. Hoe had die ooit een beroemd schrijfster kunnen worden? Zonder opleiding, kousen stoppend, uitgehuwelijkt?

Schrijfsters hebben een vrouwelijke traditie nodig, aldus Woolf. Ze bespreekt de Engelse vrouwelijke traditie die loopt van Lady Winchilsea in de 17de eeuw naar Apra Behn in de 18de eeuw en de grote romanschrijfsters (de Brontës, Eliot, Austen) in de 19de eeuw. Toch eindigt ze haar betoog met een androgyn ideaal. De ware schrijver is man-vrouwelijk, of vrouw-mannelijk, betoogt ze. Die laat in het schrijven haar/zijn sekse achter zich.

Dat androgyne ideaal klinkt wel wat gedateerd. Ingehaald door lipstick-lesbo's, tv-travestieten, huismannen en alle anderen die inmiddels de scheiding tussen man-zijn en vrouw-zijn hebben uitgedaagd. Maar haar aanklacht tegen de omstandigheden waaronder vrouwen moeten schrijven staat nog recht overeind. Inderdaad: een eigen kamer met slot op de deur. En wee het moederschap. Inmiddels geldt dat ook voor sommige mannen. Bij mij in de straat woont een zorgende schrijver die ook niet verder komt dan de twintig uur dat de samenleving zijn kinderen opvangt.,,Ach, stond mijn vrouw maar altijd onder aan de trap 'ssst' te sissen'', verzuchtte hij laatst. En dan mag hij eigenlijk niet klagen, want zijn werkkamer is prachtig. Maar kinderstemmen kruipen nu eenmaal in je hoofd.

Toch past het ideaal van de androgynie wel bij Woolf. Want het gaat voorbij aan het lichaam, en dat doet ze zelf ook. Dat is het ontroerendste aan het lezen van haar teksten; ook een ideologisch pleidooi als 'Een kamer voor jezelf' ademt pure geest, pure denkkracht. Ze mag dan terloops uitweiden over het genot van tong en patrijzen, het zijn geen sensaties die haar aardser maken, omdat ze dat fysieke weer tot onderdeel maakt van het hogere doel: de precieze formulering, het originele idee. ,,Denken moeten wij. Laat ons denken in kantoren, in bussen, terwijl we op straat in de menigte staat (...)'', schrijft ze later in 'Three Guineas', een veel polemischer essay. Denken tot de door mannen beheerste instituties erbij neervallen. Aan Woolf heeft het niet gelegen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden