Janine Jansen grijpt haar publiek bij de lurven

Klassiek

Cincinnati Symphony Orchestra en Janine Jansen (viool) olv Paavo Jürvi. Wo 9/4, Concertgebouw Amsterdam.

Violiste Janine Jansen, woensdag te horen met het Cincinnati Symphony Orchestra (CSO) onder Paavo Jürvi, werd recent gemunt als ’Queen of the downloads’, vanwege haar commerciële succes met Vivaldi’s ’Vier jaargetijden’ bij internetwinkel iTunes. Ze maakte als eerste klassieke musicus ooit een exclusieve digitale Bach-opname voor de iTunes’ Live Session-serie. Een manier van werken waarmee Jansen nieuw publiek hoopt aan te boren. Tot voor kort was dit voorbehouden aan popartiesten.

Ook in andere opzichten is Jansen een violiste met de uitstraling van een popster. En dan bedoel ik niet alleen de Madonna-achtige pr van haar platenmaatschappij. Nee, het is met name haar expressieve presentatie die je steeds weer bij de lurven grijpt. Alsof elke toon ter plekke vanonder haar vingers ontsnapt. Altijd half naar het orkest toegewend, alsof dat haar persoonlijke rockband is.

Jansen deed dat ook weer in het Vioolconcert van Britten, waarin de soliste zich van haar verfijndere kant liet horen. Het ijl gezongen openingsdeel, de heksendans met spottende blazers van het tweede deel en de hese, huiverende inzetten aan het slot: ze werden door Jansen in fijn geëtste lijnen getekend, met een palet dat reikte van ingetogen elegisch tot bijtend dansant. Het publiek was uitgelopen om de vioolvedette te horen. Ze kreeg een verdiend langdurig applaus en beloonde de fans met de Sarabande uit de tweede Vioolpartita van Bach. Net zoals Brittens Vioolconcert in d-klein poëtisch vertolkt.

In ’Cantus in Memory of Benjamin Britten’ van Arvo Pürt had je eenzelfde soort eenvoud verwacht van CSO en Jürvi. Pürts ’Cantus’ voor strijkorkest en buisklok bestaat uit een steeds langer wordende dalende toonladder, in verschillende snelheden, totdat de laagste tonen op alle instrumenten een donker a-klein doen klinken. Als het goed is, ontstaat ’Cantus’ als vanzelfsprekend, zonder moeite, maar Jürvi wilde er teveel een gespierd en tranentrekkend ’Adagio for Strings’ van Samuel Barber van maken.

Die aanpak paste beter bij de dramatische Tiende symfonie van Sjostakovitsj, een decibelkanon over liefde en dood, waarin de Russische componist de instrumentale duetten van Bartóks ’Concert voor orkest’ combineert met narrendansen en staalwalsen. Was het hout van het CSO niet in topvorm (geknepen rietblazers, niet helemaal stemmende fluiten, ongelijke inzetten), de eenzaam roepende hoorn in het derde deel en de priemende strijkers maakten veel goed. En een orkestbommetje als slotakkoord van zo’n symfonie is een waarborg voor een onstuimig applaus.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden