JAN WOLKERS EN DE SCHOONHEID VAN SCHIPHOL

Aan de overkant van het moddergele Marsdiep staat de blauwe Volvo van Jan Wolkers al te wachten. Hoewel hij niet om auto's geeft is de keus voor de Scandinavische stoerheid niet willekeurig; die past bij hem zoals z'n romeinenkop op z'n eigen romp past. Hij had nog één ander autotype kunnen berijden, Citroën. En voorwaar: ooit bezat hij een DS.

Amper op weg naar zijn huis op de grens van weiland en beboste duinen of het gespek ontvouwt zichzelf in tomeloze heftigheid. De garagehouder had hem met een remake Watermanvulpen uit de jaren twintig willen paaien om de auto in te ruilen. Maar tien jaar oud of niet, het voertuig rijdt nog voortreffelijk, waarschijnlijk nog wel tien jaar langer ook. Een beetje beeldhouwer laat zich niet zo gauw vermurwen, ook door een garagehouder niet. Al die zinloze verspillingslust.

Maar hij heeft al weer wat anders aan z'n hoofd: “Zie je in de sloot die bergeend, en zie je hoe mooi dat eenvoudige schuurtje in het landschap staat? Kijk, daar, de kerk van Den Hoorn, die werd gebouwd toen Rembrandt de Nachtwacht aan het schilderen was. De toren is wat klein geworden, zie je dat, dat komt omdat de wolken destijds lager dan nu hingen, God was dus dichterbij, waardoor die wijzende torenvinger niet meteen in Z'n buik zou prikken.”

Wolkers' huis stamt uit het Nieuwe Bouwen en is van buiten bezien even bescheiden als elegant. Binnen is het in één woord transparant, met zo veel verspreid binnenvallend eilandlicht, dat het een vuurtoren zonder sokkel lijkt. In 'Rembrandt in Rommeldam' beschrijft hij het aldus: “Het 'witte monument' is opgebouwd uit een cilinder met een doorsnede van zeven en een halve meter en een hoogte van zes meter waarop een rond laag puntdak zit dat bekleed is met dakpansgewijs gelegde english tiles, wat het huis nog meer een italiaans aanzien geeft. Daar zijn niet eens de forse populier voor nodig die hoog boven het dak uit waaiert en de machtige kegel van de lindeboom die het huis aan de westzijde op bijna onreglementaire wijze tackelt.”

Samen met levensgezellin Karina maken we een rondgang door de tuinen, langs de lessenaar waarop de schrijver/beeldhouwer z'n Volvo-ladingen siervuurwerk afsteekt, langs de druiven- en vijgenkas en langs het schuurtje waar de tweeling Bob en Tom (13) gebroederlijk naast elkaar gezeten het Texelse landschap plegen te aquarelleren. De rode poes Vincent (naar Van Gogh, strikt genomen zou ze Vincentina moeten heten maar Karina vindt 'Vincent' een vrouwelijke naam bij uitstek) wandelt een eindje met ons op, z'n even rode soortgenoot Knorretje (vanzelfsprekend naar Winnie de Poeh) houdt binnen de wacht.

Het met berken omkraagde duinmeer overtreft de raadselachtigheid van het Keltische monument Stonehenge. De berken spiegelen zich dusdanig parmantig in de ovaal dat je - gewild of niet - deelgenoot van een even tijdloze als gewichtige staande vergadering wordt. Karina's ogen gloeien op, haar neus krult zichtbaar: 's zomers zoeken ze hier op het plankier verkoeling onder de kamperfoeliewaaier. De wind waait z'n typische toonsoort door de dennen, ginds weerklinkt de Noordzee. Als je niet wist dat je op Texel was zou je achter de duinen een snelweg vermoeden. Wolkers weet subiet en ter plekke raad: al die Nederlanders die in de buurt van een snelweg wonen moeten maar leren beseffen dat het de zee is, die het godganse etmaal door hun hoofd dreint.

Maar - “wacht, wacht, let op, let op!” - de vijver is nog schoner dan je ogenschijnlijk al taxeerde. Hij rent terug de tuin in, scharrelt op de grond en keert met gelukzalige oogopslag terug alvorens iets in het water te werpen. “Opletten hoor, nou gebeurt het!” De eerste kring, traag maar onafwendbaar uitdijend, de tweede, de derde, de vierde - huiverend van genot beginnen de berken er bij te applaudisseren. “Kijk, kijk: dat donkere accent hier, dat is echt schilderkunstig bekeken. Wat je met één stukje hout niet kunt maken, wat een peinturen!” Bij vorst prikt hij de luchtbelletjes in het ijs open en steekt hij het vrijkomende moerasgas aan, “dan zie je de uitstorting van de Heilige Geest, zoals er vroeger vuur uit mensenkruinen opvlamde.”

Toch stond het spiegelende duinwater niet model voor zijn Auschwitzmonument, dat zo meervoudig de verschrikking van de gaskamers verbeeldt. De liggende en gebroken spiegel verhaalt letterlijk en poëtisch van de hemel die niet meer ongeschonden gespiegeld kan worden, van de bomen eromheen als getuigen van de geschiedenis, van het aangezicht van de toeschouwer, die zichzelf gefragmenteerd terugziet: wat deed ik destijds, waar ben ik in tijden van herhaling, wat is mijn houding? Het viel niet mee om tot overeenstemming te komen, elk lid van het Auschwitzcomité had bij voorbaat wel een idee over het monument. Maar van Oostblokrealisme wilde hij niets weten (daar valt hij in z'n oeuvre ook moeilijk op te betrappen). “Rusland heeft zo veel weerzinwekkende beelden. Heb je gezien hoe een fabriek van Leninbeelden opeens op de fabricage van gigantische paashazen overging? Het is kennelijk maar een kleine stap, van Lenin naar paashazen. Ik kan me trouwens geen beeld van Stalin of Lenin herinneren dat boeit.”

Eerst bevond het Auschwitzmonument zich op de Amsterdamse Oosterbegraafplaats, waar het wel intiem lag maar waar weinig ruimte voor deelnemers aan de jaarlijkse herdenking was. “Niemand kon daar goed staan, mensen gingen op de graven van nabijgelegen 'christenhondjes' staan. Ik wilde dat de herdenking zo massaal mogelijk bezocht zou worden, ook door jongeren. Burgemeester Van Thijn bood toen de lokatie van het Wertheimpark aan. Ik ben er niet op tegen dat mensen over de spiegels lopen, maar mooier is het natuurlijk als er bossen bloemen, die smeltkroes van herinnering, op liggen. Dat heeft toch heel wat meer grandeur dan al die vorsten die grafkansen bij het nationaal monument op de Dam komen leggen, alsof het jurken zijn die te drogen worden gelegd!”

Wolkers vind overigens al jaren dat het nationale oorlogsmonument maar beter afgebroken kan worden. Uit het essay 'Zwarte Bevrijding', dat hij ter gelegenheid van de Boekenweek schreef: “Ook het benedenmaats geharrewar dat ontstond tussen gemeenteraadsleden, kerkelijke leiders en bepaalde groepen van de bevolking na de onthulling van een monument, werd meer regel dan uitzondering. Het was een waarschuwing voor wat ons beeldhouwers in spe in de toekomst te wachten zou staan, want het leek wel of iedereen maar zijn bekrompen mening tegen je creatie mocht opboeren in artikelen op opiniepagina's en in ingezonden-brievenrubrieken. (...) Men had naar de Place de la Concorde moeten gaan om te bestuderen hoe de Egyptenaren zo'n huizenhoog uitroepteken van steen de ruimte in dreven of er Gerrit Rietveld even bij moeten halen met zijn schaaf. (...) Als men mij als beeldhouwer vraagt wat er dan had moeten gebeuren in die schitterende ruimte tegenover de schepping van Jacob van Campen, dan ben ik nog steeds van mening, net als in 1956, dat men daar op een drie meter hoge granieten zuil het indrukwekkende beeld van Lipchitz 'Prometheus overwint de Adelaar' dat hij in de oorlog in New York maakte, had moeten plaatsen. Dan was er een wervelende ruimte op dat plein ontstaan waarin, in een heroïsch gevecht, het kwaad ten onder gaat. Maar ik geef toe, sommige beelden zijn te groots om er plechtstatigheid omheen te bedrijven.”

“Maar ach, als je weet wat wij als beeldenstormers met onze hakbijlen verbrijzeld hebben, dan zijn alle beelden kwetsbaar.” Vlak voor de bevrijding lieten de Duitsers de klokketoren van Doesburg de lucht in vliegen. Toen koningin Wilhelmina het neergestorte carillon zag aarzelde zij geen moment: 'Dit monument zal herrijzen!' Wolkers wist al gauw dat hij de kloksculptuur in zijn monument wilde verwerken, maar “het moest natuurlijk geen kerststukje worden, waar je omheen loopt om te kijken waar je de kaars moet aansteken.” Hij liet de klok letterlijk in de aarde verzinken in een grafkelder, 'een beetje Egyptisch', en plaatste daar een glasplaat overheen. Pas na de onthulling ontdekte hij dat zijn in het glas gezandstraalde tekst 'Toen de klok zweeg, verschenen de vogels van de vrijheid' op de klok schaduwt wanneer de zon schijnt. Het monument is volgens de beeldhouwer volslagen in harmonie met de bakstenen muur van de kerk en het glas van de gothische ramen: “Dat heb ik heel goed bekeken, zo. Dat is een knap staaltje van intuïtie.”

Voor z'n eigen eiland werkt hij momenteel aan een monument voor de bioloog Jacobus Pieter Thijsse, die onder meer op Texel onderwijzer was, naar aanleiding van diens 50-jarige sterfdag. “Thijsse schreef zelf al dat het zulke heldere koppen zijn, die Texelse jongens. Net als mijn jongens. Er wordt hier harder gestudeerd, het peil op de Texelse scholengemeenschap ligt hoger dan het landelijke. Waarschijnlijk komt dat door invloed van de zeelucht, misschien is het binnenland minder cerebraal. Ik ben hier ook beter gaan werken. Kunst en isolement en rust, hè?” Het Thijssemonument komt vermoedelijk in de vijver van de Thijsseschool. Alweer die spiegeling, net als zijn monument in het Amsterdamse Oosterpark tegenover het huis waar de Tachtigers bijeen kwamen, dat in een liefdedans van twee metalen reigers uit het riet de lucht in zwenkt. “Een reiger kan er moeiteloos doorheen vliegen, en ook de Tachtigers zelf vlogen nogal eens, al was het maar op alcohol.”

Voor zijn monument in Oegstgeest moet hij de lokatie nog vinden. “Het ouderlijk huis stond vroeger in de polder, nu is het een bungalowwijk met luxe wagens die maar heen en weer rijden, terwijl ik in m'n onschuld daar naar kikkers en salamanders zocht. Ik weet nog dat er opeens een ambulance verscheen; een meisje en een jongen konden niet meer uit elkaar - ongehoorde romantiek was dat! Misschien zitten er nu nog kikkers onder het asfalt in de modder.”

Nimmer heeft Wolkers z'n navelstreng met de natuur doorgesneden. Onversneden verontwaardigd is hij over de ingrepen die de mens zich in de natuur en haar monumenten veroorlooft, maar hij houdt die verontwaardiging in evenwicht met een opzwepende verrukking over al dat groeit, bloeit, schittert, ruikt, beweegt en zich anderszins verheft.

Waarom, in vredesnaam, moet er pal voor Durgerdam een volledige IJsselmeerstad verrijzen? “Omdat men niet in de polders, die klaar en leeg liggen, wil wonen! En waarom niet? Omdat men dan 40 minuten moet reizen om naar de stad te komen.”

Uit 'Rembrandt in Rommeldam': “Steden en dorpen breiden zich in onbezonnen gulzigheid uit als vraatzuchtige inktvlekken. Soms denk ik wel eens dat de wallen en muren die men in vroeger eeuwen rond de steden optrok, niet zozeer waren om bescherming te bieden tegen vijandelijke legerscharen als wel om de boel bij elkaar te houden. (...) Het is nog niet te laat, maar als we zo nog enige decennia doorgaan hebben we geen landschap meer over. Dan wordt het inderdaad een stukje bos ter grootte van een krant. Dan zouden we, als we de lenigheid van de chimpansee bezaten over de balkons van Kijkduin naar Oldenzaal kunnen slingeren. De binnensteden moeten dus, door renovatie, veel intensiever bewoond worden. De doorsneemensen zijn helaas en gelukkig zich genotzuchtig tegen elkaar schurkende kuddedieren.”

Betuwelijn, vijfde landingsbaan, de Trein met Grote Vaart (TGV) - moesten die armzalige TGV-rails er maar niet als de wiedeweerga komen zodat in ieder geval minder mensen, via de vijfde baan, op en neer naar Parijs zullen vliegen? Wolkers zucht even voordat hij in de geest van zijn vriend en industrieel ontwerper Friso Kramer (Revoltstoel, rurale brievenbus) antwoordt: “Alle verkeer ondergronds natuurlijk! Wij worden niet gehinderd door rotsen, we kunnen zo de blubber in waar we uit voort zijn gekomen. Even hoopte ik dat Maij de Betuwelijn, net zo prestigieus als de Deltawerken, er ondergronds door zou hebben willen drukken, maar ja, het zit allemaal vast in geld hè, en in kong-si's, terwijl we over heel veel kennis beschikken. Jammer dat we geen verlicht despoot hebben. Zo'n witgewassen Jeltsin, die van de ene op de andere dag reclame voor tabak en drank verbiedt. Nou weet-ie, wat drank betreft, zelf wel waar Abraham de mosterd vandaan haalt, maar toch - je hebt dan een begin.

Als we naar Parijs gaan nemen we altijd de trein, eerst naar Amsterdam en dan de Grote MensenTrein. (Ken je de mooiste Hitchcock, 'The lady vanishes'?) Ik ben gek op restauraties, we eten altijd in de trein. Maar ja, als zo'n TGV er komt, dan moet je je eten natuurlijk zelf meenemen. Dan heb je niet eens tijd om het op te warmen.''

“We moeten natuurlijk zo snel mogelijk een auto uitvinden die geen vervuiling veroorzaakt, Friso Kramer kan dat zo. Een auto die voor mijn part op limonade loopt, of op menselijke urine, dat is ook een beetje boeddhistisch. Als je onderweg een lege tank hebt pis je 'm gewoon weer even vol. Voor dames moet er een wat lagere constructie worden ontworpen. Het straatbeeld zal dan weer op dat van Breughel lijken, mensen die naakt zwemmen en ergens tegen een boom zitten te kakken. Maar ja, Schiphol vind ik eerlijk gezegd een schitterend bedrijf, magnifiek dat landen en steeds maar stijgen. Soms gaat er eens wat mis, maar het is toch de veiligste manier van reizen. Alleen dat geluid en die uitstoot. Misschien moeten ook de vliegtuigen maar op urine gaan vliegen. Heus, dat kan: tegenwoordig kunnen er wel 500 mensen in één vliegtuig. En je krijgt aan boord ook altijd veel te drinken hè, dus kunnen de passagiers onderweg best even helpen bijtanken.”

“Ondertussen zijn het wel, zoals ik in 'Rembrandt in Rommeldam' schrijf, vluchten naar de zinledigheid. Mensen weten van gekkigheid niet meer wat ze moeten doen. De verveling is immens. Ze komen thuis, communiceren amper, vallen voor de televisie neer, grijpen flessen bier en chips en dan zitten ze daar de hele avond. Vroeger liepen de mensen zo'n beetje door het dorp, gingen ze naar de kroeg. Maar ach, die mensen die voor een plaggenhut zo diepzinnig naar de fotograaf stonden te kijken hadden misschien ook wel een zak chips achter hun rug in de hand.”

“Mijn jongens hebben alle Beethovenconcerten van Bernstein gezien, de hele BBC-serie van Shakespeare, de volledige Mahabharata - ze zaten acht uur onafgebroken voor de televisie! Ze kijken ook naar 'Hellraiser', dat vinden Karina en ik verschrikkelijk, maar zij krijgen er geen slaapstoornis van, wij wel, terwijl wij met sprookjes zijn opgevoed. Nee, ik ga dat niet verbieden, want vijf minuten na 'Hellraiser' zitten ze al weer zo hartstochtelijk 'Für Elise' te spelen dat de tranen over je wangen biggelen.”

En dan, die microbezorgheid over de natuur, de recente wateroverlast. Zodra dit nationale onderwerp ter sprake komt zou je Wolkers tegen zichzelf willen beschermen. Het is dat hij zo'n onbedaarlijke dorst naar humor heeft, anders zou hij van stomende woede ontploffen.

Nee, last van water heeft hij op z'n eiland niet gehad. Sterker nog: “Als heel Nederland verzuipt blijft Texel nog boven water. Niet dat ik daarom hier ben gaan wonen, want als het hele volk gaat zinken, dan moet ik wel mee naar de bodem - voor wie zou ik anders nog werken?”

Toch echoot de wateroverlast zelfs op Texel nog door. In de ingezonden brievenrubriek van de Texelse Courant ('Groen Zwart - Texels in het hart') bedanken twee families uit Culemborg de Texelaars voor hun gastvrijheid: “We kregen te horen dat we ons moesten melden bij de VVV. Daar kregen we ook nog de bootkosten vergoed. We hebben nog een kleine daad terug kunnen doen: in een wei langs de Krimweg lag een verwenteld schaap dat we weer op zijn poten hebben gezet!”

Wolkers heeft het met lede maar ook tinkelende ogen aangezien. Hij moest aan het verlichte interieurtijdschrift Goed Wonen uit de jaren zestig/zeventig denken, toen hij op de televisie die Limburgse, Brabantse en Gelderse interieurs zag langskomen. In plaats van dat de bewoners nu eindelijk kans zagen zich van hun 'crapule' te ontdoen, sleepten ze tot z'n verbazing al die bankstellen en IKEA-meubelen weer naar binnen. En wat kwam daar plotseling een reddingsmateriaal aanzetten. “Bij de watersnood in Zeeland hadden we geloof ik één helikopter, en die was nog geleend van Duitsland ook. Er zat een haas in een boom, op het Journaal zeiden ze dat het een konijn was, en dat vond ik werkelijk tragisch. Als-ie op z'n tak is blijven zitten zal-ie het wel overleefd hebben. Hij moet natuurlijk niet, zoals al die rare burgemeesters, een beetje heen en weer gaan lopen. Ronduit schandelijk vond ik het feit dat de geïnterviewden ondertiteld werden. Alsof ze godbeterehet als boerenpummels praatten. Zelfs Mansholt werd onlangs ondertiteld. Als je ondertiteld wordt, is je einde kennelijk nabij.”

Maar wat is dat! Vertoornd spiedt Wolkers de tuin in, hij meent een eend in het duinmeer te signaleren. Een eend nota bene, in de vijver. Sinds de dag waarop het ganse gezin Wolkers met vereende krachten de vijver leegviste (de verhouding vis staat tot water had het percentage 1:1 bereikt), is dat ten strengste verboden. De vissen moesten het veld ruimen omdat ze alle eitjes van de salamanders en padden opeten. En als eenden nu weer in de vijver oprukken begint alles van voren af aan. Die dobberen immers ook in visrijke sloten, waar ze al wroetend de bevruchte viskuit via veren en poten mee naar elders, naar Wolkers' duinmeer nemen. Een maritieme bloemen & bijtjes-variant, zeg maar.

In het atelier toont hij z'n eigen schilder- en beeldhouwwerk maar haalt eerst de schetsen van Bob en Tom tevoorschijn. “Ik zet een Droste cacaoblikje voor ze neer, een artisjok, paddestoelen, aronskelkbessen, en dan mogen ze stillevens maken. Kostelijk vinden ze dat. Er komt nooit een klacht, integendeel: 'ha fijn, we mogen stillevens maken!' Tom is inmiddels overtuigd boeddhist en vegetariër geworden en kan kwartieren achtereen in de lotushouding en met wierook om het hoofd voor het boeddhabeeld in de tuin zitten. Z'n vader roept hem nu en dan tot de hedendaagse orde: “Een echte boeddhist zit geen colaatje te drinken of met de computer te spelen.”

Op weg naar de haven, vrijwel letterlijk op de valreep, doet hij nog even een poging de ziel van de Texelaar te vangen. “Weet je wat er gebeurde toen die blote meid destijds bij de Vpro op de televisie kwam? Helemaal niks! De Texelaars keken niet eens. Die zijn aan de natuur gewend, die gaan gewoon in hun blote kont de zee in.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden