Jan Wijn: ik overwon mijn blessure met Scientology

Jan Wijn speelt Ravels Pianoconcert in G nog op donderdag 23-1 in de Hanzehof te Zutphen (20.00 uur), op vrijdag 24-1 in Musis Sacrum te Arnhem (20.15 uur) en op zondag 26-1 in de Vereeniging te Nijmegen (14.15 uur).

Een verlamming aan zijn rechterhand dwong pianist Jan Wijn in 1976 af te zien van concerten geven. Artsen zagen geen mogelijkheid om zijn kwaal te genezen. Dolgelukkig is hij dat dat nu weer kan. In vier steden speelt hij deze week voor het eerst weer met twéé handen Ravels Pianoconcert in G, met het Gelders Orkest.

De grote naam die Jan Wijn vroeger als pianist had én zijn reputatie als topdocent en veelgevraagd jurylid, zorgen ervoor dat zijn terugkeer op het podium pianominnend Nederland in opwinding brengt. Wijn zelf relativeert dat: “Ik heb absoluut geen ambities een grote carrière te beginnen en wil allerminst de indruk wekken dat ik als een phoenix uit de as ben herrezen. Daarom ben ik niet zo gelukkig met al die publiciteit. Ik wil gewoon weer hier en daar spelen. Ik heb m'n speelgoed terug; ik kan nu weer uren per dag studeren, al die stukken waar ik jaren op lesgegeven heb. Dat is m'n lust en leven! Daarnaast is het tegenover mijn leerlingen eerlijker zelf ook weer op te treden en te voelen wat zenuwen kunnen uitrichten. Te lang was ik immers de beste stuurman die aan wal staat.”

Aan de vooravond van zijn comeback vertelt de 62-jarige pianist in zijn leskamer aan het Amsterdamse Sweelinck Conservatorium hoe hij zijn terugkeer bewerkstelligde. Tevens gaat het gesprek over het lesgeven, dat Jan Wijn dertig jaar als hoofdvakdocent in Amsterdam met zo veel verve heeft gedaan dat hij als de Hollandse pianistenmaker geldt. Vrijwel alle jongere Nederlandse concertpianisten van betekenis komen uit zijn stal, zoals Ronald Brautigam, Wibi Soerjadi, Ivo Janssen, Wyneke Jordans, Leo van Doeselaar, Paul Komen, Frank van de Laar, Frank Mol, Frank Peters en nog studerende talenten als Niek van Oosterum en Jeroen Bal.

Zwaan-kleef-aan

Jan Wijn erkent dat het grote aantal succesvolle leerlingen deels te danken is aan een zwaan-kleef-aan effect. Sinds hij enkele goede pianisten had afgeleverd, dienden zich vanzelf de meest ambitieuze en begaafde studenten bij hem aan. Maar het succes ligt ongetwijfeld ook aan zijn lesgeven.

“Mijn coaching is exact en prestatiegericht: ik leer ze zo mooi mogelijk te musiceren, de eigen belemmeringen te herkennen en manieren te vinden daar overheen te komen. De eerste studiejaren zorg ik dat de basiswetten van pianospelen erin zitten. Pas daarna krijgen de studenten meer vrijheid. Wanneer iemand een goed gefundeerde mening heeft die hij ook kan verklanken, geef ik me snel gewonnen. Maar als de 'verpakking' niet goed is - daarvan spreek ik als er een noot te vroeg komt, te hard klinkt, of als het spel onritmisch is - geef ik weinig ruimte. Dat zijn muzikale fouten die ik er moet uithalen; verder ben ik erg tolerant.”

“Ik heb mazzel gehad met zoveel goede leerlingen te kunnen werken, want daarvan heb ik veel geleerd,” zegt hij, “maar ook aan het lesgeven aan minder begaafden beleef ik veel genoegen. Voorwaarde is dat ze wel moeten begrijpen wat ik zeg en snel reageren. Als ze geen benul hebben waar het om gaat in de muziek, heb ik er geen zin meer in. Tot op zekere hoogte kan ik mensen esthetisch volkomen verantwoord leren spelen, maar dat is niet voldoende. Het moet inhoud hebben, uit de persoon zelf komen. Daar heb ik geen zeggenschap over.”

Volgens Wijn is dat ook het geheim van de grote pianisten die hij bewondert, zoals Artur Rubinstein, Dinu Lipatti (die hij zijn grote voorbeeld noemt), Maria-Joao Pires, Krystian Zimerman, Radu Lupu, zijn oud-lerares Alicia de Larocha of Igor Roma, de winnaar van het laatste Liszt-concours. “Zij hebben naast de technische perfectie met elkaar gemeen dat ze zo volstrekt natuurlijk, schijnbaar zo gewoon spelen. Dat is nu juist de kunst. Bijzonder doen, iets veel langzamer, sneller, harder of zachter vertolken dan men gewend is, is immers niet moeilijk.” Pianisten die het daarin zoeken - herhaaldelijk vallen de namen van Ivo Pogorelich en Glenn Gould in dit verband - noemt hij leugenaars. Ze missen de nederigheid ten opzichte van de muziek, die voor Wijn zo essentieel is.

Te veel ego

Dat brengt het gesprek op het stuklopen van Jan Wijns eigen podiumcarrière.

“Ik was vroeger veel te veel met mijn ego bezig en vroeg me voortdurend af wat men van mij vond. Dat kon ik niet loslaten; op musici die alleen maar aan de muziek konden denken, was ik daarom jaloers. Al vlak na mijn studie gaf ik talloze concerten, maar meer en meer kreeg ik het gevoel te vroeg in het diepe gegooid te zijn. Ik werd onzekerder, niet alleen technisch maar ook muzikaal. Bovendien raakte ik het plezier kwijt om op het podium te verschijnen; het lukte me niet een brug naar het publiek te slaan.”

“Ik wist nog niet dat concerteren niet het afdraaien van je huiswerk is, dat je in de studeerkamer grondig hebt voorbereid. Ik liet niets aan het toeval over en wilde dat in de zaal alles zo klonk als ik van tevoren had uitgevlooid. Ik zag onvoldoende in hoe belangrijk communicatie is.”

“Omstreeks 1975 had ik de behoefte er eens een jaar helemaal tussenuit te gaan voor bezinning. Dat gebedje werd verhoord, maar te hardhandig. Ik merkte dat mijn rechterhand begon te slinken: als ik een octaaf wilde aanslaan, raakte ik een septime (een toets minder - red.). Bovendien kon ik mijn vierde vinger niet meer optrekken. Die bleef tussen de zwarte toetsen steken.”

“Toen ik in 1976 met Willem Brons het Concert voor twee piano's KV 365 van Mozart speelde, moesten we de partijen omwisselen, omdat ik een loopje niet kon spelen. Op dat moment besloot ik er definitief een punt achter te zetten.”

Achteraf begrijpt Jan Wijn wat er fout is gegaan. “Het begon tussen mijn oren: ik zocht een reden om het optreden te stoppen. Dat resulteerde in geforceerd spelen. Ik ben linkshandig en mijn rechterhand was altijd al de zwakste. Tegelijk ben ik een rechterhand speler: ik wil de melodie eruit halen, wat juist op concertvleugels moeilijk is, omdat de discant het minst draagkrachtig is. Dan ga je extra drukken en dat gebeurt uitgerekend met je zwakke ringvinger en pink. Daardoor is er iets beschadigd.”

Jan Wijn bleef wel doorstuderen, maar de kwaal werd alleen maar erger. Als hij optrad was dat sporadisch en uitsluitend in repertoire voor de linkerhand alleen, zoals de concerten van Britten, Prokofjev en Ravel. Pas vanaf 1990 voltrok zich een kentering; Jan Wijn schrijft die toe aan psychologische processen die hij onderging in zijn contact met de Scientology-kerk.

“Daardoor ben ik geestelijk helemaal gereinigd en zo kreeg ik de macht over mijn rechterhand terug, al is de blessure deels nog wel aanwezig. Bovendien leerde ik het publiek te verdragen. Ik bereik dat met een mentale oefening van Hubbard (de oprichter van Scientology - red.). Ik probeer me van tevoren volledig de zaal, het publiek, de vleugel en het orkest voor te stellen.”

Jan Wijn zegt het niet erg te vinden dat zijn carrière zo gelopen is: “Het heeft zo moeten zijn dat ik er 22 jaar tussenuit was. Het lesgeven vond ik prachtig en mede daardoor heb ik gevonden waar ik naar zocht. Vroeger speelde ik als een half onbewust kind. Nu ben ik pas echt volwassen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden