Jan Wiarda weet wat hij wil, en daarom vinden ze hem lastig

UTRECHT - Zijn afscheid van de Utrechtse politie is in stijl. Geen obligate beleefdheden, maar een vriendelijk briefje aan zijn chefs in de regio Utrecht, met waar hij dat nodig vond een kritische kanttekening.

Zelf zou hoofdcommissaris mr. Jan Wiarda het wel weten: als er in je organisatie iets niet deugt, moet je geen dag wachten om daarin verandering te brengen. “Ik vind dat je echt een grote stommeling bent als je het erop aan laat komen, dat iemand anders komt zeggen dat het zo niet kan, bijvoorbeeld de Ombudsman of de rechter.”

Een uitspraak die model kan staan voor de aanpak van Wiarda: eigenzinnig en als het moet hard. “Daar word ik voor betaald. Het hoort bij je professionaliteit.” Jan Wiarda (56) neemt vandaag na een periode van in totaal 35 jaar afscheid van de Utrechtse politie. Door schade en schande wijs geworden kijkt hij wel uit om nu krasse uitspraken te doen. De onbevangen 'jonge Turk' van weleer kent zijn plaats: uitvoeren wat op politiek en bestuurlijk niveau is besloten. De hoofdcommissarissen zijn zogezegd terug in hun hok. “Zo hoort het ook in een democratie”, zegt Wiarda monter.

Zijn grootste fout als korpschef vindt hij het bijwonen van de uitreiking van de Machiavelli-prijs wegens 'grensverleggend communicatief optreden'. Samen met zijn collega's Nordholt (Amsterdam), Hessing (Rotterdam) en Brand (Den Haag) ging hij op de foto en zag zijn vrees bevestigd dat dat tot een karikatuur van vier zelfgenoegzame en machtsbeluste politiemensen zou leiden.

Vier jaar na dato kan hij er nog kwaad om worden. “Het maatschappijbeeld en de waarden waar ik voor sta, dat is juist het omgekeerde van die macho-foto. Als je ziet hoe ik hier met emancipatie en minderhedenbeleid in de weer ben geweest, dwars tegen alles in.” Hij hecht aan helderheid. Het politieoptreden moet bijdragen aan de veiligheid van de burgers, anders kun je het maar beter laten. Aan dat inzicht ontbreekt het volgens hem nogal eens.

In de loop der jaren heeft de korpschef de aandacht getrokken met uitspraken en ideeën die hoofdcommissarissen tot dan toe hooguit binnenskamers ventileerden. Zo pleitte hij herhaaldelijk voor het legaliseren van drugsgebruik, om de georganiseerde misdaad de wind uit de zeilen te halen, kon hij er begrip voor opbrengen dat winkeliers met een honkbalknuppel overvallers verjoegen en noemde hij lijfstraffen zoals stokslagen in de ouder-kindrelatie een middel om “een impasse te doorbreken”.

Hij zit niet te wachten op het oprakelen van die uitspraken, omdat ze volgens hem van zijn persoon een karikatuur maken. “Vroeger had ik meer stellige meningen. In de conclusie ben je dan toch, omdat je weet dat je opvattingen nog niet echt diep doordacht zijn, geneigd om te zeggen: ja, ik ga daar maar in mee. Dat ligt nu anders, omdat ik meer bezonken opvattingen heb. Dan is het op een gegeven moment ook 'no go'. Ik weet precies wat ik wel en wat ik niet wil. En daarom vinden ze mij ook lastig.”

Wiarda heeft vanaf 1983 de leiding gehad over de gemeentepolitie Utrecht en - na de reorganisatie - de politieregio Utrecht. De door minister Dijkstal in gang gezette 'carrousel' van hoofdcommissarissen leverde Wiarda de leiding op van het regiokorps Haaglanden. De overplaatsing is een gevolg van de parlementaire enquête naar de opsporingsmethoden van politie en justitie. Wiarda heeft zelf mede de aanzet voor de enquête gegeven door de commotie over het interregionale rechercheteam (IRT) Noord-Holland / Utrecht.

Wiarda zou tegen de toenmalige minister van justitie Hirsch Ballin hebben gezegd dat bij de Amsterdamse politie corruptie en lekken voorkwamen. Dat zou de werkelijke reden zijn geweest voor opheffing van het IRT, eind 1993. Het is nooit duidelijk geworden wat Wiarda nu werkelijk heeft gezegd. Hoewel hij met zijn politiecollega's snel in het reine kwam, moest Wiarda tijdens het verhoor door de commissie-Van Traa nogmaals diep in het stof bijten. “Het is niet goed dat ik toen dingen heb geroepen. Het verstandigste was geweest als ik helemaal niets had gezegd”, verklaarde hij najaar 1995 tegenover de enquêtecommissie.

Bij de inzet van rechercheteams ziet Wiarda zich in het algemeen heen en weer geslingerd tussen “het dogma dat de legitimiteit van de politie altijd gaat boven de doelstelling en mijn praktische aard dat ik ook resultaten wilde zien.” Het is bij het IRT-Noord-Holland / Utrecht hoe dan ook nooit de bedoeling geweest om buiten wettelijke bevoegdheden te gaan.

“Integendeel, dat zou tegen mijn gevoel over de legitimiteit van de politie in zijn gegaan.” Dat toch twee rechercheurs van het politiekorps Kennemerland over de schreef zijn gegaan, noemt Wiarda ook nu nog 'schokkend'. “Er is een ongeluk gebeurd onderweg. We hebben voor dat grote IRT toen heel wat werk verzet. Het is me een sleurwerk geweest. We wilden de penose grijpen, tot in de hel en tot de bedelstaf. Dat was ons doel. Maar helaas zijn in het korps bij mijn vriend Ries Straver twee mensen in de materie verstrikt geraakt. Maar we zijn inmiddels over die clash heen.”

De parlementaire enquête is in meerdere opzichten een keerpunt geweest. Zelf besloot hij de publiciteit uit de weg te gaan. “Lopende de enquête werd het steeds problematischer en lastiger om mijn verhaal naar voren te brengen; op een gegeven moment was daar bijna geen mogelijkheid meer voor. Dan maar effe niet, heb ik toen in overleg met de ondernemingsraad en collega's besloten. Dat leek me voor mezelf en het korps beter.” Belangrijker is dat door de enquête “heel duidelijk gemarkeerd is dat de liberale rechtsstaat definitief verlaten is, als het gaat om het optreden van politie en justitie”.

“Als het niet in de wet geregeld is, mag het niet. En nu krijgen we de interessante vraag of de wetgever tevoren de grenzen kan aangeven in plaats van zich volgend op te stellen door in de wet neer te leggen wat in de jurisprudentie gegroeid is. De parlementaire enquête heeft ons geleerd dat die praktijk voorbij is. Voor de wetgever zal het een sisyfusarbeid zijn om de werkelijkheid voor te blijven. Een bijkomend en curieus effect is de depolitisering van het meest politieke onderwerp dat er is, het werk van de politie.”

Wiarda geldt als een uitgesproken leider. Bij de omvorming van de gemeentepolitie Utrecht tot een regionaal korps heeft hij zijn managerskwaliteiten bewezen. Hij ziet zichzelf als een 'Einzelganger'. “Als ik het niet goed vind, dan zeg ik het ook. Als ze allemaal rechtsaf willen en ik denk dat het linksaf moet, dan is toch de grootste kans dat ik linksaf ga.”

Eind jaren zeventig liep hij daarmee vast. De projectgroep organisatiestructuren, waarvan Wiarda deel uitmaakte, kreeg destijds geen poot aan de grond met haar baanbrekende pleidooi ('Politie in verandering') om de politie te organiseren in wijkteams bestaande uit alle rangen en specialismen. “Achteraf kun je vaststellen dat we in ons pleidooi te weinig aandacht hebben gegeven aan recherche en opsporing.” Die 'weeffout' werd hen door politiek en ook door politie-collega's stevig aangerekend.

Wiarda stapte in 1979 van de Utrechtse politie over naar de Nederlandse Middenstandsbank om er hoofd beveiliging te worden. Als korpschef kon hij later profiteren van zijn externe ervaring, overigens net zoals zijn opvolger Peter Vogelzang (52) dat kan doen. Vogelzang, al opgeklommen tot plaatsvervangend korpschef, stapte vier jaar geleden over naar het Nederlands Omroepproductiebedrijf (NOB) om later directeur betaald voetbal bij de KNVB te worden. Dat bleek evenmin een beletsel voor Vogelzangs benoeming tot korpschef van de politieregio Utrecht.

Met voldoening stelt Wiarda vast dat verschillende ideeën van de projectgroep organisatiestructuren nu opnieuw naar boven komen. Zo werken de korpsen van onder meer Almere, Lelystad en Roosendaal inmiddels met wijkteams. “Het gaat nu over elke wijkagent die wordt gekend als een politieman met het hele arsenaal. Niks wijkagent met een aktentas die zegt: 'Ik moet goede relaties hebben en als jij op je kop moet hebben, dan stuur ik een ander'. Dat is de dood in de pot.”

Zijn laatste inspectieronde langs alle onderdelen van het Utrechtse korps heeft de indruk achtergelaten dat de visie van de korpsleiding (“Kennen en gekend worden, partners in veiligheid, wijkpolitie-nieuwe stijl, service als zelfstandig product”) op de werkvloer wordt beleefd en 'heruitgevonden'. “Dan denk ik: nou gaat het goed. Je stuurt zo'n organisatie niet bij commando, maar op basis van gemeenschappelijkheid van ideeën over wat politie is en hoe je het wel en niet moet doen. Dat gaf me een verschrikkelijk goed gevoel om dat te constateren. Het stomste wat de top kan zeggen, is: mensen moeten niet voortdurend het wiel uitvinden dat voor ze uit rolt. Dat frustreert. Mensen willen steeds het wiel uitvinden. Niets hoepelt zo lekker als je eigen wiel; dan gaan ze ervoor.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden