Jan Westers 1946-2008

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Je hoeft nooit stil te zitten, er is altijd wat te doen. Voor Jan Westers, de Nederlandse pionier vierspan rijden, had een dag eigenlijk te weinig uren.

Om paarden in toom te houden heb je als mens weinig aan kracht; het gaat om je stem en het vertrouwen. Jan Westers straalde bij zijn paarden zoveel rust uit, dat hij soms de enige was die een onberekenbaar paard een hoofdstel aan kon doen.

’Gehoorzaamheid’ was voor Jan Westers heel belangrijk bij het trainen van de paarden. Als hij ’ho’ zei, verzetten de paarden, door zijn consequente manier van omgang, geen stap meer. Hij rukte nooit aan het bit, reed met een fijne hand.

Die fijne hand had hij niet gehad als hij niet al op jonge leeftijd ’onder het zadel’, dus als ruiter had gereden op de Gelderse paarden van het akkerbouwbedrijf van zijn vader. In de strenge winter van 1963, toen het ijs zo sterk was dat je er met een arrenslee overheen kon rijden, gebeurde wat Jan Westers vaker in zijn leven overkwam: Hij ontdekte iets dat hem zo interesseerde dat hij er zich op stortte en er een expert in werd. Dit keer was dat het mennen van paarden. Met zijn vriendin Tineke reed hij jarenlang koetsentochten en in 1972 bezocht het pas getrouwde stel de wereldkampioenschappen vierspan rijden in het Duitse Münster. Daarna werd de hobby een passie.

In Nederland gooit vanouds vooral de tuigpaardensport hoge ogen. Maar, zei Jan, „da’s geen stuurmanskunst”, over deze sport waarin het draait om de show. Vierspan rijden is pure dressuur en zeer spectaculair. Het vierspan moet zich onberispelijk presenteren, maar ook een parcours vol hindernissen afleggen, slalommen, achteruitrijden en door het water denderen. De voorpaarden horen los in de strengen te lopen, de achterpaarden trekken het rijtuig en mogen in een wending nooit naar binnen vallen. Jan Westers reed volgens de ’Achenbach’-methode: alle leidsels in één hand.

Hij stortte zich met zo veel energie op het vierspan rijden dat hij en Tineke zich reeds een jaar later konden melden op de Europese kampioenschappen in het Engelse Windsor, bij Windsor Castle. Ze belandden er middenin de Engelse paardenwereld. Met prins Philip - de gemaal van de Engelse koningin Elizabeth II en zelf vierspanrijder - zaten ze aan tafel en genoten ze van het evenement. Het was een wereld bijna tegenovergesteld aan de vierspantraditie in Duitsland. Daar kwam de vierspansport meer voort uit het dagelijks werken met paarden, zoals boeren, transportondernemers, stalhouders en middenstanders dat deden.

Als grote Groningse akkerbouwer viel Jan Westers precies tussen beiden werelden in.

Want, hoe passioneel Jan Westers ook met zijn paarden bezig was, hij was in de eerste plaats boer. Hij groeide op in Heveskes, een gehucht bij Delfzijl, waar hij als jongetje al een eigen hoekje in de tuin had. Hij verbouwde er zijn eigen gewassen - tarwe en gerst - en het was voor zijn ouders aandoenlijk om te zien hoe hij zijn oogst binnenhaalde op precies dezelfde momenten als zijn vader dat deed. Hij was zeer praktisch ingesteld, had niks met vergaderen. Hij was de ideale opvolger op de grond waar zijn voorouders al zeven generaties boerden, maar het bedrijf werd onteigend voor de oprukkende industrie.

Het zou Jan er niet van weerhouden boer te worden. Maar eerst genoot hij, net als vele andere boerenzonen uit de provincie, intens van het studentenleven in de stad Groningen. Hij zat er op kamers, was er lid van een jaarclub, studeerde aan de Hogere Landbouwschool en ontmoette er zijn meisje: Tineke Barlagen. Zij kwam uit een boerenfamilie uit het Oldambt, studeerde voor huishoudlerares en was opgegroeid met een passie voor paarden. Ze gaf twee jaar les op de Huishoudschool in Zwolle en trouwde toen met Jan, die met zijn vader een akkerbouwbedrijf in Warffum, in de Groningse Noordpolder, kon kopen. Het was een typisch Gronings droombedrijf: het huis en de schuren, omgeven door bomen om de strakke wind te breken, als een eiland te midden van tweehonderd hectare en met een kaarsrechte oprijlaan. Westers hield van zijn werk en onderhield het bedrijf als een perfectionist. Toch zou hij zich nooit zo aan deze grond hechten als aan de grond van zijn ouderlijk huis, zo zou later blijken.

Het stel verbouwde aanvankelijk alleen granen, waardoor er elk jaar vier relatief rustige maanden waren waarin Jan zich het vierspan rijden eigen kon maken. Iedereen in de omgeving kende de aanblik van Jan Westers als hij aan het trainen was, een onafscheidelijke sigaret hangend in zijn mondhoek. Vaak spanden hij en Tineke samen de paarden in en ging hij er alleen met het vierspan op uit, wat een riskante onderneming kon zijn. Als er iets gebeurde met de paarden stond hij er alleen voor. Voor zulke gevallen had hij een groot uitgevallen radiozender waarmee hij contact onderhield met het thuisfront. Het gebeurde wel eens, dat Tineke de oprijlaan van de boerderij afkeek en een van de paarden galopperend naar huis zag komen.

In de internationale wereld van het vierspanrijden was Jan Westers toen al een begrip. In 1974 deed hij mee aan de wereldkampioenschappen in het Duitse Frauenfeld. Daarna deed hij mee aan de Europese kampioenschappen in het Poolse Sopot in 1975. Het jaar daarop verscheen er een andere grote naam in de vierspansport, Tjeerd Velstra. De concurrentie werd groter, maar toch werd Jan Westers in dat jaar voor de tweede keer Nederlands kampioen, een titel die hij in 1979 prolongeerde.

Hij deed mee aan de wereldkampioenschappen in Apeldoorn in 1982 en in Ascot in 1986. Een andere grote naam was Bram Chardon, een stalhouder en de vader van IJsbrand Chardon, de huidige wereldtopper in het vierspan rijden. Maar in één ding verschilde Jan Westers van Velstra en Chardon. Hij deed het naast zijn boerenbedrijf, de anderen waren ook in hun dagelijks werk professioneel met paarden bezig. Daardoor konden zij gemakkelijker mee met de commercialisering van de sport.

Want die ontwikkeling was niet te stoppen. Aanvankelijk waren de toernooien vooral gezellig: paardenmensen onder elkaar die genoeg hadden aan de eer van het winnen. Kampte Bram Chardon met een kreupel paard, dan leende hij een paard van Jan, en omgekeerd. Maar gaandeweg kreeg elk vierspanteam zijn eigen sponsoren en medewerkers en zelfs zijn eigen supporters. Die sponsoren en supporters moeten in de watten worden gelegd, en de competitie laat het niet toe om andere teams te helpen. Jan Westers zag het vorige maand nog op de kampioenschappen in Beesd. Hij genoot ervan, maar werd ook bevestigd in zijn overtuiging dat het zijn wereld niet meer was. Een Groninger boer die zich laat sponsoren? Ondenkbaar.

Maar het was ook een praktische overweging die hem al in de jaren ’90 deed stoppen. In 1982 had hij de boerderij van zijn vader overgenomen. Hij ging nu ook veertig hectare aardappels verbouwen en dat deed de werkdruk flink stijgen. In 2006 verkochten hij en Tineke het bedrijf. Hun zoon en dochter zouden hem niet opvolgen, en bovendien: het harde werken stond niet meer in verhouding tot de lage marktprijzen. Tineke had het er het moeilijkst mee, Jan trok de deur gemakkelijker achter zich dicht. Ze kochten een mooi, maar oud herenhuis in Paterswolde en knapten het helemaal op. Een voorwaarde voor Jan was de zes hectare grond die erbij hoorde, want, vond hij, „je moet altijd grond hebben; dan kan je altijd in je levensonderhoud voorzien, wat er ook gebeurt”.

Zijn passie voor de vierspansport had hij al ingewisseld voor een andere. Een paar tinnen schotels uit de familie hadden zijn aandacht getrokken. Hij bekeek de merkjes op de voorwerpen, raakte geïnteresseerd en begon een intensieve speurtocht naar de Groningse traditie van het tin gieten. Het resultaat is een ongelofelijk gedetailleerd boek over tingieters, tinnen voorwerpen, hun geschiedenis en cultuur, dat binnenkort wordt uitgegeven.

In de afgelopen tijd speelde Jan Westers wel eens met de gedachte om het mennen weer op te pakken, zoals hij nog zoveel plannen had die hij uitwerkte in zijn werkkamer onder de nok van het huis. Dat hij, net als zijn vader, door hartfalen getroffen zou worden, was ondenkbaar; hij was oersterk en nooit ziek. Toch gebeurde het, zomaar en ineens, nadat hij nog de hele middag in de tuin had gewerkt. Hij werd geheel in stijl begraven, met zijn kist op een koets getrokken door een vierspan en geflankeerd door zijn vrienden van de Groningse jaarclub. Het gebeurde in besloten kring, maar desondanks met 250 mensen.

Hij had zich wel eens hardop afgevraagd waarom er geen 36 uren in een dag passen, dan had hij nog zoveel meer kunnen doen. Maar met zijn mentaliteit van ’Je hoeft nooit stil te zitten, er is altijd wat te doen’ lijkt hij van zijn 61 jaar geen tijd te hebben verspeeld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden