JAN VN VLMN ziet het meest heil in essentie en analyse

Morgen de laatste dag. Eén voorstelling: 'Meistersinger'. Het 48-ste festival is daarmee historie. De directeur wordt weer componist: “met notenpapier, een potlood en een stufje.”

Maar u schreef desondanks nieuwe stukken en maakte orkestbewerkingen van liederen van Schönberg, Zemlinsky.

“Dat ging er tussendoor. Bewerkingen, daar houd ik me erg mee bezig; voor dit festival orkestreerde ik prachtige liederen van Karel Hasa. Daarin ontspan ik me van het hectische werk, en je blijft bezig met je vak. Ik componeer in de zomervakantie. Dan maak ik me helemaal leeg en vrij. In Normandië heb ik een oude boerderij; absolute stilte heerst er. Rond Nieuwjaar neem ik de dingen uit de zomer nog eens onder ogen.”

Dit moet het eerste ideale festival voor u zijn geweest want u was helemaal eigen baas voor de programmering.

“In bepaalde opzichten ja. Niet alles viel even gelukkig uit. Je moet lang van te voren beslissingen nemen en dan gaat iets plotseling niet door. We zouden Stockhausens nieuwste opera 'Freitag' doen. De ander deelnemer, de opera van Leipzig, liet verstek gaan wegens financieel debâcle. Maar ik had wel al het Muziektheater gecontracteerd. Dan zoek je wat anders. Ik had ergens de Zuidafrikaanse groep van Mbongeni Ngema gezien met een interessante voorstelling, 'Magic at four'. Die zou naar Amsterdam komen. Krijg ik enkele maanden geleden uit Zuid-Afrika te horen dat ze met wat anders bezig zijn, en dat 'Magic at four' geschrapt is. Wat moet je dan? Ik kon niet meer terug. Daar ben ik erg ontevreden over.”

En die alleenheerschappij? Er waren tot voor kort programmeurs voor de deelgebieden muziek, theater en dans.

“Het is moeilijk artistieke verantwoordelijkheid te delen. Mijn voorganger (Ad 's-Gravesande - red.) gaf de programmeurs veel grotere vrijheid dan ik mij kon voorstellen. Dat heeft te maken met mijn eigen geschiedenis, werk, ervaring. Als het goed is, zet iedere programmeur zijn eigen stempel. Zijn er meer programmeurs dan bestaat de kans dat het totaal er onhelder, verwarrend uitziet. En ik wilde mijn stempel op het festival zetten.”

In de loop der jaren heb ik heel wat vignetten gezien waar het Holland Festival zich mee presenteerde: het voornaam ogende kunstmasker uit de jaren zestig toen het festival nog deftig was en Hoge Kunst bracht, de vlag van het fleurige festival uit de jaren zeventig met thema's, en de bonte verwarring in het logo uit de jaren tachtig, evenbeeld van de programmering. En nu strenge letters, op één na alleen medeklinkers, de essentie, de elementen waar de articulatie mee gemaakt wordt. Zo zag de programmering er ook uit: series, terugblikken, (Stockhausen, Bausch), grotere eenheden.

“Zit wat in. Ik houd er van om te laten zien wat bepaalde figuren, ontwikkelingen nu waard zijn door ze bijna op een analytische wijze te presenteren. Uit de reacties is mij gebleken dat de terugblik op Stockhausen als heel zinvol ervaren werd. Ik geef toe dat de belangstelling mager was, maar aan de andere kant hebben we in dit overzicht kunnen horen hoe anders het pianowerk van Stockhausen nu gespeeld wordt. Als je die eerste, stijve uitvoeringen door Alois Kontarsky en David Tudor vergelijkt met de lichtvoetigheid en gemak waarmee Ellen Corver de Klavierstücke, en 'Mantra' samen met Sepp Grotenhuis, speelde! Het werd muziek, kreeg kleur, warmte.”

U programmeerde drie maal Mozarts 'Die Zauberflöte' met Gardiner en het zat steeds stampvol in het Concertgebouw. U zette Stockhausen een week in de veel kleinere Beurs van Berlage; afgezien van de slotavond was die nog niet voor de helft bezet. Zo weinig belangstelling voor eigentijdse muziek waarbij de componist meewerkt. Dat moet bij u, programmeur èn componist, wringende gevoelens opleveren.

“Verbijstering. Wat we allemaal voor acties gevoerd hebben om het publiek er attent op te maken! Alle componisten in Nederland en alle studenten aan de conservatoria in het westen kregen het aanbod van een passepartout voor de prijs van één concert. We hebben een speciale mailing gedaan met kaarten met het Mantra-thema. Die avond liep nog het best. Je kunt de belangstelling wel wekken, maar je kunt het bezoek niet forceren.”

“Weet u wat zo verschrikkelijk is: dat de nieuwere generaties gewoonweg geen weet hebben van wat zich na de tweede wereldoorlog op compositorisch gebied ontwikkelde. Er hangt een vloek over het serialisme alsof het een vreselijke ziekte is. Toen zijn er toch ook goede stukken geschreven, dat bewijst zo'n terugblik met werken van Stockhausen maar. Het lijkt of dat voor jonge componisten allemaal geen betekenis heeft. Volgend festival doe ik beslist weer zo'n retrospectieve.”

Heeft dat terugkijken ook met uw eigen leeftijd te maken?

“Ja, en met mijn pedagogische achtergrond; dat klinkt zo paternalistisch, maar dat heb ik in me: jongere generaties opvoeden, laten ervaren.”

U nam in 1985 afscheid uit dat onderwijs. U bent nu tien jaar artistiek organisator. Hoe hebt u dat ervaren?

“Stormachtig. Ontzettend veel geleerd, op allerlei terreinen. Een opleidingsinstituut zoals het conservatorium, is toch een betrekkelijk gesloten gemeenschap. Een veilige haven vergeleken bij een kunstinstelling als de Opera waar je in de branding staat, door de aard van het bedrijf. Toch bewaar ik met alle verschrikkingen die zich voordeden, grote herinneringen aan mijn tijd bij de Nederlandse Opera. Ik koester nog steeds de 'Tristan', de zo gewraakte produktie in regie van Jürgen Gosch, als een kostbaar kleinood. En de 'Don Giovanni', maar ook 'Die Fledermaus'. Zo'n 'Meistersinger' van Kupfer als nu gaat, daar vind ik helemaal niets aan, zo ontzettend burgerlijk. ”

Het festival was dit jaar interessant door zijn essentiële beknoptheid, maar een festivalsfeer hing er weer niet om heen. Nog het festivalst waren de Haydn-concerten op de late avond met het Orkest van de Achttiende Eeuw. Maar ook daar gebrek aan publiek.

“We hadden het weer ook erg tegen. Het lokte niet; hoe anders zou het geweest zijn met zulke zomeravonden als nu. En toch kwam er een harde kern, mèt dirigent Mariss Jansons; die is alle zes avonden geweest. Totaal onderste boven van wat hij hoorde en meemaakte. Ik wil proberen in 1997 iets dergelijks te doen. Volgend jaar komt Gardiner weer terug, met 'Leonore' van Beethoven, de eerste versie van 'Fidelio'. En dan brengen we ook weer eigen opera-produkties; we hebben met 'Esmée' bewezen dat we dat met een kleine staf aankunnen. Het wordt 'A king riding' van Klaas de Vries, in samenwerking met de Brusselse opera, en een nieuwe opera van Tan Dun, 'Marco Polo', samen met de Opera-biënnale München. En wie weet Stockhausens 'Freitag'. Leipzig heeft nu 'ja' gezegd. Dat gaat dan in Carré.”

Redt u het financieel dit jaar?

“We hebben 1,3 miljoen aan recettes gehaald, het dubbele van vorig jaar. 'Esmée' was een tegenvaller; slechte kritieken, dus minder publiek dan verwacht. Stockhausen, Haydn, dat hakt er ook in. Maar de toneelavonden zijn uitstekend bezocht; hadden we lager ingeschat. En 'De val van Mussolini' trok veel belangstelling. En met Mozart-Gardiner en Pina Bausch er bij, denk ik dat we precies quitte spelen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden