Review

Jan Salie's rol in de geschiedenis

,,We zoeken altijd en overal distinctie tot ons behoud. We hoeven nauwelijks te zeggen dat dit najagen van distinctie als levensbevestiging allerminst bewust geschiedt'', schreef Carry van Bruggen in 'Prometheus' (1919). Als deze distinctiedrang voor één gebied opgaat dan is het wel de geschiedschrijving. Er is geen periode of deelterrein dat door de nieuwe generatie historici ontzien wordt. Bestaande inzichten vallen onder de slopershamer en worden vervangen door nieuwe die niet zonder triomf gepresenteerd worden.

Daartoe vinden steeds nieuwe technieken van onderzoek en werkwijzen toepassing en worden nieuwe databestanden geformeerd. Het beeld van de historicus als geleerde die zich in zijn bibliotheek terugtrekt om zijn persoonlijke visie in een sprankelend literaire vorm te gieten, is al lang achterhaald. De moderne historicus is een noeste wetenschappelijk vorser die in projectverband opereert.

Een van de meest ambitieuze projecten van de laatste jaren in Nederland is gericht op een 'Reconstructie Nationale Rekeningen van Nederland en analyse van de ontwikkeling van de volkshuishouding 1800-1940.' Door in deze reconstructie aan te sluiten bij het systeem van Nationale Rekeningen zoals dat door economen en statistici wereldwijd gebruikt wordt om de economie in kaart te brengen, kan voor de negentiende eeuw in detail worden nagegaan hoe productie, inkomen, prijzen en bestedingen zich in Nederland ontwikkeld hebben. Dit project heeft een stroom van publicaties opgeleverd die varieert van cijferreeksen tot een detailanalyse van het investeringsgedrag en bedrijfstakstudies.

Het wachten was op een overzichtsstudie waarin de nieuwe gegevens en inzichten worden samengevat. Die studie ligt er nu en geeft een samenhangend beeld van staat, instituties en economische ontwikkeling.

Niet alleen dat de auteurs de datavorming en onderzoekstechnieken ontleend hebben aan de economische wetenschap, ze hebben er voor hun studie ook het begrippenkader en de theoretische inzichten uit overgenomen: ,,Ons doel is aan te tonen dat de prikkels die instituties aan rationeel handelende beleidsmakers, producenten en consumenten gaven, in belangrijke mate de structuur van de economische groei bepaalden.''

De staat kan volgens de auteurs gezien worden als de eerste laag van het institutionele raamwerk waarbinnen een economie functioneert. De tweede laag wordt gevormd door de arena van belangengroepen. Het proces van economische verandering wordt door institutionele veranderingen op die beide niveaus gestuurd, maar kan zelf ook weer oorzaak van institutionele vernieuwing zijn.

De duale vraagstelling van de auteurs luidt nu hoe het mogelijk geweest is ,,dat een relatief moderne markteconomie gedurende een periode van ongeveer honderdenvijftig jaar (tussen 1670 en 1820) een vrijwel constant niveau van productie en inkomen realiseerde: waarom was er geen groei, gebaseerd op technologische en organisatorische vooruitgang, in deze zeer lange periode?''

En waarom kwam die vooruitgang na 1820 wel op gang? Aanvankelijk aarzelend, in een periode van herstel (1820-1840), gevolgd door een periode van versnelde internationale integratie (1840-1870) en uitmondend in 'moderne economische groei' als gevolg van industrialisatie (na 1870). Dit zijn allerminst nieuwe vragen, ze waren onder tijdgenoten al in discussie, maar de auteurs menen er nieuw licht op te kunnen laten schijnen.

Wat de feitelijke gegevens en getalsmatige verhoudingen betreft lijdt het geen twijfel dat de auteurs hun 'claim' waar kunnen maken. Het is verbluffend wat door consciëntieus bronnenonderzoek en inventieve statistische verwerking van uiteenlopende gegevens aan cijfermatige reconstructie van het verleden boven water is gebracht. Die veelheid aan informatie is in deze studie op overtuigende wijze in slagorde gezet. Alleen al om die reden mag deze publicatie een standaardwerk genoemd worden dat niet zonder reden gezien wordt als het vervolg op het inmiddels befaamd geworden werk van De Vries en Van der Woude ('Nederland 1500-1815').

Er is inderdaad geen studie waarin onze economie gedurende de negentiende eeuw zo volledig in kaart gebracht is. De opbouw van de economie in bedrijfstakken en de regionale verbijzondering completeren het algemene beeld, terwijl ook de werking van de markten voor arbeid en kapitaal in kaart gebracht is. Zo maken de auteurs overtuigend duidelijk dat in een stagnerende economie niet alles kommer en kwel is. Er zijn bedrijfstakken en regio's die zich aan de malaise hebben weten te onttrekken. Het is eenzijdig de aandacht alleen op de industrie te richten, in Nederland heeft de dienstensector altijd al een belangrijke rol gespeeld. Hier past een woord van respect dat niet alleen uitgaat naar de auteurs van deze studie maar naar al die historici die er met hun detailstudies materiaal voor hebben aangedragen. Maar hoe zit het met de programmatische ambities van de auteurs, voegen hun verklarende inzichten werkelijk iets toe aan de tot nu toe gangbare opvattingen? De auteurs zelf twijfelen hier niet aan. Sprekend over de late industriële ontwikkeling van Nederland in de negentiende eeuw melden ze niet zonder triomf dat de voorgangers in deze discussie 'slechts een tamelijk impressionistisch beeld van de feitelijke ontwikkeling van de industriële productie' hadden. Daardoor, zo menen ze, heeft deze discussie zich in het verleden in 'een soort schemerduister afgespeeld'. Het licht dat de auteurs op deze kwestie werpen schuilt, zoals gezegd, niet alleen in het scherpere beeld van de economie dat ze weten te schetsen, maar ook in het 'herschrijven van geschiedenis van Nederland aan de hand van nieuwe inzichten die door de institutionele economie geboden worden'.

De verklaring van de stagnatie die de Nederlandse economie zo lang beheerst heeft, schrijven ze toe aan institutional sclerosis (een term van de economisch-socioloog Olsen) die ten grondslag heeft gelegen aan economische inertie. Nederland kende sedert de zestiende eeuw een fijnvertakt corporatief systeem waarin gewesten, waterschappen, steden en plattelandsgebieden elk met hun eigen bestuurssystemen en belangengroepen de economie in hun beklemmende greep hielden.

Wat in de zeventiende eeuw nog als kracht kon gelden verkeerde in de achttiende eeuw in zijn tegendeel: de decentrale institutionele structuur kwam toen op gespannen voet te staan met de eisen van schaalvergroting die de technologische vooruitgang en hierop regerende marktkrachten stelden. De institutionele rigiditeiten frustreerden de marktwerking, waardoor de economie niet efficient kon werken. Pas nadat deze drukkende erfenis was afgeworpen, kon de 'moderne economische groei' ruim baan krijgen.

Waar de oudere auteurs in hun verklaring de nadruk legden op de economische inertie en deze in verband brachten met mentaliteit ('jansaliegeest') verleggen de auteurs het aangrijpingspunt naar de onderliggende institutionele structuur. De betrekkelijkheid hiervan is niet moeilijk aan te geven, want herformulering van klassieke vragen in een nieuw begrippenkader kan wel de weg openen naar een beter gefundeerde verklaring maar dan op voorwaarde dat de causaliteitsvraag afdoende beantwoord kan worden: stond de institutionele structuur de ontplooiing van de economie in de weg en leidde dit zo tot stagnatie of was het gebrek aan economische vooruitgang er juist de oorzaak van dat defensief gedrag de overhand kreeg? Onder die omstandigheden is het immers rationeel om star vast te houden aan eigen belangen want 'wie beweegt betaalt'.

Kende Engeland, de bakermat van de industriële revolutie, geen fijnvertakte institutionele structuur en was het niet juist de economische vooruitgang die deze structuur doorbroken heeft? Waren het dus niet de economische krachten die zorgden voor institutionele vernieuwing en niet andersom? De auteurs sluiten in hun inleidende beschouwing zelf in principe ook geenszins uit dat de economie de oorzaak van institutionele vernieuwing kan zijn. De vraag waarom die vernieuwing in Nederland zo laat doorbrak wordt door herformulering in institutionele termen derhalve verlegd maar wint niet aan verklaringswaarde.

Dit betekent niet dat hun beschrijving geen verheldering oplevert. De actuele begrippen waarin ze historische gebeurtenissen beschrijven brengen die verrassend dichterbij: het lijkt er immers op of de geschiedenis geactualiseerd wordt door erover te schrijven zoals we heden ten dage gewend zijn over onze economische problemen na te denken. We kunnen ons hierdoor beter inleven in wat generaties voor ons bewogen heeft.

Hoe dit zij, één ding lijdt geen twijfel: dit werk staat. De bezwaren die er tegen in gebracht kunnen worden kegelen het allerminst omver. Het zou de auteurs evenwel sieren en het standaardkarakter van hun werk versterken als ze in volgende drukken, die er ongetwijfeld zullen komen, hun distinctiedrang wat zouden kunnen intomen en de oudere historici de plaats teruggeven die hun toekomt. In het schemerduister wisten die hun weg aardig te vinden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden