Jan Rot Ik hoef niet meer jaloers te zijn

Jan Rot (Makassar, Indonesië, 1957) is zanger, vertaler, schrijver en acteur. In de vorige eeuw schreef Rot vooral eigen liedjes, na 2000 maakte hij naam als vertaler van klassieke werken zoals de Mattheüspassie van Bach en Schuberts Winterreise. In december gaat ’Een Hollands Requiem’ in première, een eigentijdse tekst op ’Ein Deutsches Requiem’ van Brahms.

„Mijn vader was zendingsarts in Indonesië. Uitgezonden door de gereformeerde kerk. Niet om het geloof, maar om zijn medische kennis te verspreiden, in opdracht van de Heer.

Ik ben progressief gereformeerd opgevoed. De dag waarop de bundel van Huub Oosterhuis bij ons thuis op tafel kwam, was een groot moment. Het moest een blij geloof zijn, vond mijn moeder. Dat stond ook op haar overlijdenskaart: ’Zij weet zich geborgen in de blijheid van haar Heer’.

Ik heb nooit kunnen geloven in de God van de bijbel. Mijn moeder zei: ’Tot je veertiende moet je naar de kerk. Je gaat mee, je luistert en je zit stil. Dat kan helemaal geen kwaad.’ Daar had ze helemaal gelijk in. Het kan geen kwaad.

Ik lees Elvis, van vijf, voor uit de kinderbijbel. In het begin had ik nog de neiging om haar uit te leggen dat wij niet in God geloofden zoals Anne de Vries dat doet, maar toen ik laatst de stem van God moest nadoen, liet ik toch mijn mooiste, diepste bas horen.

We houden ook het mysterie van Sinterklaas in stand, dus waarom zou ik dit verhaal voor haar verpesten? Als je vertelt dat Harry Potter natuurlijk niet echt kan vliegen, is er ook meteen geen klap meer aan.

Later zal ik mijn kinderen vertellen hoe ik God zie; hoe ik geloof dat de mens God naar zijn evenbeeld schept en niet andersom. De God van nu is een heel andere God dan de God van tweeduizend jaar geleden.

God is liefde, dat vind ik wel een mooie gedachte. Ik geloof in de liefde, dus geloof ik in God. Oké, de koe is een zoogdier maar niet ieder zoogdier is een koe, maar toch: op die manier, God als de liefde die alles overwint, móet het kunnen. God als de man met de baard, hoog boven in de hemel, haalt het jaar drieduizend niet.”

„Wij zijn echte kaarsjesbranders. Als je al zoveel over je leven zelf bestuurt en beschikt, is het helemaal niet erg om af en toe ergens voor te knielen. Of zoals mijn dochter zegt: ’Even denken’. ’Gaan we denken?’ ’Ja, we gaan denken.’

Ik herinner me nog goed: we waren in Keulen op vakantie. Elvis was tweeënhalf. We zaten met z’n drieën op een terrasje en bedachten ineens: eigenlijk wel saai voor zo’n kindje, er moet er nog een bij. Nou, de Dom in Keulen is dan een uitstekende plaats om, bij het altaar van Maria, hand in hand, in stille woorden gevat, zo’n verzoek te deponeren. Ons gebed werd vrijwel onmiddellijk verhoord. Een maand later was Daan zwanger.

Ik geloof dat je de boel een beetje kunt sturen met positieve gedachten. In Amerika is dat nu erg hip, maar in Ossendrecht doen we het al jaren zo. Ik mis nooit een trein. Als ik te laat kom, heeft de trein plotseling vertraging. Als we op vakantie gaan en het regent, dan zeg ik: ’Dat komt doordat we nog in de auto zitten. We hebben nu toch niets aan mooi weer.’ En de volgende dag schijnt de zon.

Iedereen die een tijdje met mij heeft opgetrokken, zal dit kunnen beamen: op wonderlijke wijze komt het altijd goed.

Ik heb, als origineel kerstkind, wel eens gedacht dat ik misschien de teruggekeerde Verlosser was en dat ik, omdat het helpen van de hele mensheid me een onmogelijke opdracht leek, moest proberen lokaal iets voor anderen te doen. Dat lukt aardig, tot nu toe. Misschien dat ik op het eind nog iets voor iedereen kan betekenen.”

„Van oma van moeders kant moesten we drapiedaatje zeggen als we een gevoel van onmacht in geluid wilden uitdrukken, maar daar heb ik me nooit aan gehouden. Drapiedaatje is een machteloze klank. Ik hou wel van een paar goede krachttermen.

Voor mijn vertaling van de Mattheüspassie kon ik in de tekst van Petrus op een gegeven moment heel mooi de woorden ’een knallend godverdomme’ kwijt; het paste zo goed bij de muziek en het was letterlijk ook heel bruikbaar omdat Petrus God vraagt hem te vervloeken.

Uiteindelijk heb ik het toch maar niet gebruikt. Niet omdat ik mensen zou schofferen, maar omdat die vloek dan zou afleiden van de muziek. Ik weet zeker dat iedereen zich tijdens het luisteren zou afvragen of zoiets wel kan.

Overigens, als ik wel eens geslachtsvoorwerpen gebruik om uit te drukken wat ik, bijvoorbeeld, van een bepaalde film vind, word ik door mijn dochter gecorrigeerd. ’Dat is niet zo’n netjes woord, vader,’ zegt ze dan. En daar heeft ze eigenlijk wel gelijk in. Daarom probeer ik voortaan ’prutfilm’ te zeggen.”

„Ik heb altijd zes dagen per week gewerkt, maar dat hou ik niet langer vol, dus ik werk nu ook op zondag. Mijn ideale dagindeling ziet er zo uit: ’s avonds gaan we, na het eten, met z’n allen in bad en naar bed. Dan zetten we een mooie klassieke film op waarbij de kleintjes op een gegeven moment in slaap vallen. Wij kijken hem uit, dan gaat Daan slapen en vervolgens ga ik, tot een uur of vier aan het werk.

’s Ochtends staat mijn vrouw als eerste op, ik ga er om een uur of elf uit en pik ook ’s middags nog een paar uurtjes werk mee. ’s Nachts werken is zeker voor vertaalwerk heel geschikt. Vertalen is vooral transpireren, net zo lang zoeken tot je het juiste woord te pakken hebt. Financieel is het niet erg interessant – je kunt beter je eigen liedjes maken – maar ik vind het fantastisch om geniën zoals Brahms en Bach te vertalen.

Werkend aan de vertaling van de Mattheüspassie, zoekend naar de stem van God, kreeg ik het ook letterlijk warm toen ik ineens begreep dat ik de stem van God het best met een jongenskoor kon laten klinken. Zoals Mozes zich moeten hebben gevoeld toen hij tegenover het brandende braambos stond: kom mij niet dichterbij, ik kan U niet verdragen, U zult mij verzengen!

Die vondst is mij aangereikt, ja, echt, ik voel me soms opgetild door de genialiteit van de muziek, door iets wat boven de dingen van alledag staat. Een soort wolk van spiritualiteit die al duizenden jaren over de mensheid waakt. De heilige geest.

Misschien heb ik me vroeger iets te makkelijk afgezet tegen christenen. Ik zag de mooie dingen niet, erkende de kracht niet die van het geloof uit kan gaan. Tenslotte heeft die God gelovigen toch door oorlogen en rampen en ander groot verdriet heen geholpen. Je kunt zoiets niet zomaar afdoen als een sprookje.”

„Dit vind ik het mooiste gebod. Ik heb zowel met mijn vader als met mijn moeder een hele diepe band gehad. Ik kan me geen kwade tijden met hen herinneren.

Ik weet nog dat ik, op mijn zeventiende, een keer de hele nacht had doorgehaald en vroeg in de ochtend mijn vader tegenkwam op de fiets. Hij was op weg naar zijn werk. Misschien drong het niet tot hem door dat ik nu pas naar huis kwam – en waarschijnlijk besefte hij ook niet dat ik over de snelweg fietste – maar hij stak in ieder geval zijn hand op, zwaaide gezellig naar me en heeft er verder nooit een woord aan vuil gemaakt.

Op mijn achttiende, toen ik volgens oud gebruik, met hem op vakantie mocht, zei ik: ik ga liever met mijn vrienden. Geen punt. Jaren later ben ik alsnog samen met hem op pad gegaan. Ik was midden dertig, mijn vader wilde zijn broer opzoeken in Australië. Het werd een van de hoogtepunten in mijn leven.

Het verstrijken van de generaties, hoe de een langzaam plaatsmaakt voor de ander: ik vond het van een ontroerende schoonheid. Nee, dat is niet droevig! Vorige generaties zijn vergeten en ook de komende zullen vergeten worden: Prediker. Zo gaat het, het gaat voort. Niet alleen de mooie dingen verdwijnen, ook de slechte dingen gaan verloren. De Nazi’s zullen over driehonderd jaar geen impact meer hebben.

Het enige wat je kunt proberen is dat wat je de moeite waard vindt te koesteren, te bewaren, door te geven aan je kinderen.

Laatst heb ik, ter gelegenheid van de dertigste sterfdag van mijn moeder, alle familiefilmpjes laten digitaliseren. Ik heb ze netjes gemonteerd en er prachtige muziek onder gezet. Nu heb ik, in veertig minuten tijd, het leven van mijn ouders op een bandje.

Hun trouwfeest, ooms en tantes die al jaren dood zijn: alles komt voorbij. Ik vind het mooi dat ik mijn vrouw en kinderen kan laten zien hoe mijn ouders waren, toen ze zo oud waren als wij nu zijn.

In diezelfde sfeer zit ook mijn vertaling van ’Ein Deutsches Requiem’ van Brahms, een werk dat er om schreeuwde vertaald te worden. Voor mij stond vast dat het niet over het hiernamaals moest gaan; het was bedoeld voor de achterblijvers. Terwijl ik aan de vertaling werkte, had ik allemaal foto’s aan de muur gehangen: verlovingsfoto’s van mijn ouders, maar ook foto’s van vrienden en van beroemdheden die overleden waren.

Dát moest het thema van ’Een Hollands Requiem’ zijn: levend zijn de doden zo lang wij hen herdenken. Die mensen wonen in je hart. Dat is ook het idee achter de woorden van Jezus: ’Het koninkrijk is in u lieden.’ Luisterend naar Brahms begreep ik ineens wat er met de gouden straten in de hemel werd bedoeld. Dat zijn de mooie momenten die je je herinnert. Uit het filmpje van mijn ouders: hoe ze tomaten eten op het parkeerterrein. Een prachtig plaatje. De lekke band die ze daarna kregen, krijg je niet te zien. Zo bewaar ik mijn ouders. Mooi, schoon, gaat nooit meer stuk. Zo denk ik aan hen, tot ik niet meer aan hen kan denken en dan is de herinnering weg.”

„Ik deel iedere avond op het podium een corrigerend tikje uit aan Daniël Boissevain, mijn zoon in de musical ’Doe Maar’. Tijdens de repetities heb ik nog gevraagd of die tik er uit kon - ik vond het zo’n onzin - maar nee, dat ging niet. Inmiddels heb ik er wel plezier in gekregen. In het echt heb ik nog nooit iemand een klap gegeven. Ik geloof dat je met geduld en liefde verder komt.”

„Trouw niet voor je veertig bent. Die raad was wel aan mij besteed. Ik zou er aan toe willen voegen: gij zult eerst drie maal zeven jaar rond hoereren waarna gij u zich pas zult settelen en kinderen krijgen.

Ik heb de vorige eeuw afgesloten. Ik wil je best nog wel een keer vertellen hoe mijn leven er toen uitzag, maar ik zou je net zo goed kunnen verwijzen naar mijn prachtboek ’Meisjes’.

Ik heb me uitstekend vermaakt en er is niks, bijna niks, waar ik met schaamte op terugkijk. Ik verdring niets, ik verzwijg niets, maar ik vind het niet interessant meer. Die jongens, toen* het is voor mij alsof ik achttien jaar in het buitenland heb gewoond. Ik ben één geweest met de bevolking, maar ik ben weggegaan en mijn belangstelling kwijt geraakt.

In het begin waren mensen wantrouwig: hoe kan hij ineens trouwen en kinderen krijgen? Ze willen je het liefst in één kamp hebben. Ik heb zelf altijd het woord hotero gebruikt. Ik vind het goed dat ik mijn homoseksuele gevoelens heb gebruikt, ik vraag me ook wel eens af hoeveel verstokte homoseksuelen niet hun gevoelens voor vrouwen onderdrukken en maar in dat homoseksuele wereldje blijven hangen.

Mijn verhaal is een beetje het verhaal van Piet Keizer. Geweldige voetballer. Toen zijn kracht tanende was, is hij gestopt met voetballen. Nooit meer een bal aangeraakt.

Ik heb altijd geweten dat er één voor mij zou komen – of het een jongen of een meisje was, dat maakte mij niets uit.

Kort voor de eeuwwisseling kwam ik Daan tegen. Ik herkende haar meteen. De eerste nacht die we samen doorbrachten, zag ik mijn moeder op de kast zitten. Ze zei: ’Ga je dit mooie meisje stuk maken? Nee toch? Ze gelooft in jou.’ Ik wist: ik geloof ook in haar en dat is altijd zo gebleven. We zijn nu zeven jaar bij elkaar. Inmiddels koester ik dit gebod: ik wil er exclusief zijn voor haar. Het zit niet meer in mijn systeem om met wellust naar anderen te kijken.

Ik heb de ware gevonden. We hebben twee prachtige kindjes. Een prachtig leven samen. Daar moet je niet mee fucken. Het is een kristallen bol, het rinkelt misschien wel lekker als je er een baksteen op zou gooien, maar je krijgt hem nooit meer heel. Waarom zou ik, in een dronken bui, nog met een ander zoenen? Of op een pilletje door nachtelijk Amsterdam gaan zwerven?

Vroeger zei ik dat ik liever spijt had van iets wat ik had gedaan, dan van iets wat ik niet had gedaan. Daar denk ik nu anders over. Sommige dingen moet je voorkomen.”

„Een junk die een pakje melk steelt wordt strenger veroordeeld dan de mensen aan de top die elke dag hun zakken staan te vullen. Die collectieve hebzucht wordt kennelijk heel normaal gevonden. Televisiepresentatoren die zo veel geld verdienen dat er niets meer overblijft om behoorlijke programma’s mee te maken, ondernemers die hun enorme salaris willen verdubbelen of zelfs verdriedubbelen terwijl anderen honger lijden: dat is een vorm van gelegaliseerde diefstal waar iets aan gedaan zou moeten worden.”

„Ik heb nog nooit gelogen, maar ik laat wel eens dingen weg. Het uitzicht vanaf een berg laat zich idyllischer bejubelen als je er niet bij vertelt dat je met de auto naar de top bent gereden.”

„Ik kon vroeger jaloers worden op mensen die heel veel van elkaar hielden. Nu hoef ik niet meer jaloers te zijn. Inmiddels geloof ik eigenlijk dat er niemand is die het leuker heeft dan wij. Dat wil niet zeggen dat ik niets meer te wensen over heb. Je moet altijd met je talenten blijven woekeren. Je kan zoveel doen en je leeft maar zo kort!

Bij alles wat ik doe, wil ik daar aan denken. Als ik op vakantie ga, moet het wel een mooie vakantie worden, als ik voor mijn kinderen uit een boek voorlees, moet ik dat wel zo goed mogelijk doen. Ik laat ze liever naar klassieke films kijken dan naar die Kabouter Plop-onzin.

Er zijn nog zoveel dingen die ik niet heb gedaan, nog zoveel plekken waar ik nooit ben geweest! Ja, goed het houdt een keer op* Ik vind mezelf een uitgelezen figuur om drieennegentig te worden. Niet langzaam wegsukkelend in mijn slaap, nee, alles tot het einde toe meemakend.

Mijn vader wist dat hij ging sterven. De laatste maanden raakte hij zijn geheugen kwijt. Dan zei ik tegen hem: ’U weet niet meer wie wij zijn, maar dat geeft niets hoor, wij weten nog heel goed wie u bent.’

Mijn moeder is zo maar omgevallen* Veel erger. Ik bedenk me nu: ik geloof niet in de man met de baard, maar mijn ouders kijken altijd met mij mee. We zullen het niet altijd eens zijn, maar ik heb wel verantwoording af te leggen voor het leven dat ze mij hebben gegeven. Dat is ook een graadmeter van goed en kwaad. Het is niet per se wat mijn ouders hebben bepaald, het is iets wat ieder mens bij zijn geboorte meekrijgt. Uiteindelijk zal dat dan wel God zijn.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden