Jan Nieuwenhuis: De onmacht wint altijd

Dominicaan Jan Nieuwenhuis (84) uit Amstelveen is een van de auteurs van de brochure ‘Kerk en ambt’, een voorstel aan katholieke parochies om priesters uit eigen kring te kiezen. Dat viel niet goed bij het hoogste gezag in Rome. Maar Nieuwenhuis blijft bij zijn visie op het priesterschap: ‘Het wezen van de eucharistie is dat je jezelf breekt, deelt, uitgeeft, prijsgeeft’.

Iedereen, ouders, broer en zus, ooms en tantes en ook juffrouw Sol, de naaister van het gezin Nieuwenhuis, viel op de knieën voor de jonge Jan Nieuwenhuis, net gewijd tot priester, en vroeg om zijn zegen.

Een priester gold als een man die kon wat niemand anders kon. Dat gaf macht. Het draaide om het uitspreken van magische woorden. Zijn tante Annie, die nog geholpen had bij zijn geboorte, riep bij die gelegenheid, nu zestig jaar geleden, “Och god, mijn Jantje.”

Door die priesterwijding werd hij zo bijzonder, zo machtig, dat hij bijna een hemels wezen was. Het witte habijt van de dominicanen droeg bij aan dat bijna engelachtige beeld.

Nu, zestig jaar later, draagt hij een visie op het priesterambt uit die daar haaks op staat. Iedereen kan priester zijn, vindt hij, als de medegelovigen je aanwijzen. Vergeet het dan maar, dat er nog geknield wordt. Niks speciale status. Een priester moet zegenen en voeden, het gaat niet om het uitspreken van voorgeschreven woorden boven brood en wijn.

De dominicaan Jan Nieuwenhuis (84) was een van de auteurs van het omstreden voorstel aan katholieke parochies om priesters uit eigen kring te kiezen. ’Kerk en ambt’, heet dat en het leidde tot beroering. Kardinaal Simonis knorde en het hoogste dominicaanse gezag in Rome kwam met een milde vermaning. Niet meer oproepen om zelf een voorganger te kiezen, schreef dat hoogste gezag voor. De Nederlandse dominicanen zullen het niet meer doen, beloofden ze.

Dat vrije, die neiging tot ketterij heeft Nieuwenhuis altijd gehad. Hij haalde in de jaren zestig de voorpagina van het Italiaanse blad Oggi met een foto waarop hij in de Dominicuskerk in Amsterdam de hostie op de hand van de gelovigen legt, in plaats van op hun uitgestoken tong, wat toen gebruikelijk was. Dat was heel vergaand, in die tijd.

Net zo vergaand als nu zijn visie op het priesterschap. Met die visie heeft hij zijn eigen positie ernstig ondergraven, als het om formele macht gaat.

Jan Nieuwenhuis woont op een zolderkamer bij het gezin van een nichtje. Van die zolder maakt hij zelf een klooster, zegt hij. Er hangt een icoon van de heilige Johannes de evangelist. Zodra hij te spreken komt over Johannes, is hij niet te stuiten. Johannes is zijn grote inspirator. Hij schreef over zijn naamgenoot enkele boeken.

Als hij met zijn lange benen halverwege de tweede trap is draait hij zich om en vraagt bezorgd: “Gaat het?” Zijn stem, even krachtig als warm, verraadt dat hij tientallen jaren een menigte heeft toegesproken op een manier waarbij een microfoon overbodig is.

Stonden uw ouders achter uw keus om priester te worden?

“Het gold in die tijd als iets heel eervols, als de oudste zoon priester werd, maar mijn vader vond het niks.”

“Hoe ging het. Ik was twaalf, ik zat op de jongeherenschool Saint Louis op de Keizersgracht in Amsterdam. Een oom kwam op bezoek en vroeg of ik al wist wat ik worden wilde. Ik wist het niet en hij zei dat hij over drie weken terug zou komen en dat ik het dan moest weten.”

“Drie weken later zei ik dat ik dominicaan wilde worden. Hij vroeg: ’Weet je wel wat dat is?’ Ik wist dat niet, maar dat witte habijt vond ik zo mooi. Een prachtig habijt, ik vind het nog altijd mooi. Dat habijt mocht in die tijd niet op straat gedragen worden, dat was toen ik jong was, verboden. Geen religieuze uitingen in de openbare ruimte.”

“Ik zat op school vooraan bij pater Fennell, dan keek ik naar zijn habijt. Mijn moeder vond het prachtig om een priesterzoon te hebben, die ging meteen met een vriendin naar Nijmegen, naar het Albertinum (het dominicanenklooster, ms) om te kijken hoe het daar was. Ze kwam terug en zei dat het er heel mooi uitzag, met die prachtige habijten.”

“We zaten er met 150 jongens. De enige vrouwen die we zagen waren Duitse nonnen, totaal ingekapseld. Ze kookten voor ons. Ze waren verstopt in veel draperieën. Wij jongens mochten geen meisjes zien. Ik had wel een zus, die had ik wel gezien.”

Nu geldt het celibaat als het grote struikelblok bij priesterwijding. Realiseerde u zich in die tijd wat de consequenties waren van een kloostercarrière?

“Nee, dat speelde niet. Je trad in, je werd gekleed en dat was het. Nooit heb ik gedacht: kan ik dat wel? Ik herinner me geen twijfel.”

“We kregen alleen een medische keuring. Geen strenge gesprekken over geloofszaken. Niets van dat. Geen test of je wel geschikt was. Ik ben wel blij dat ik gebleven ben. Velen zijn uitgetreden, ook die na mij gewijd zijn. Ik ben een beetje met de Dominicus (de Dominicuskerk in Amsterdam, ms) getrouwd, en zij met mij. Ik ben dankbaar dat ze het met mij uithouden, me hebben geduld. Ze willen nog altijd naar me luisteren. Ik ben al meer dan vijftien jaar met pensioen, maar daar komt niets van terecht. Ik heb het druk.”

Waarom is het verplichte celibaat zo belangrijk?

“Dat had maatschappelijke en economische redenen. Het ging erom dat priesters voldoende inkomsten hadden. En een man moest superieur zijn.”

“Je hebt met het vierde Concilie van Lateranen, in 1215, al een grote ommekeer van de traditie gehad. Voor Lateranen gold een priester als de oudste. Na Lateranen was een priester een geheiligde. Alleen mannen konden dat zijn.”

“Bij Johannes lees je dat het altijd vrouwen zijn die echt snappen wat er gebeurt, en die het eerst geloven. De apostelen zitten in hun kamertje te bibberen, maar Maria van Magdala gaat naar het graf van Jezus. Zij is de apostel der apostelen. Ze draait zich om, met haar rug naar het graf en dan herkent ze Jezus. Petrus is zelfs niet naar het graf gegaan. Hij begrijpt er niets van.”

“Ik prijs me gelukkig dat ik bij de Dominicus in een gemeenschap zat waarin een priester de oudste is. En dat ze nog altijd naar me willen luisteren.”

Hoe bent u bij de Dominicuskerk terechtgekomen?

“Met een helikopter. Een hemelse helikopter. Het was de bedoeling dat ik journalist werd, want men vond dat ik kon schrijven.”

“Ik ben in Rome gaan studeren, dat was een heerlijke, mooie tijd. Er waren weinig problemen in de kerk. In 1954 ben ik teruggekomen en enige tijd later stond dat bericht in de krant over paus Pius XII. Die was dodelijk ziek en had, volgens de berichten, in de tuin van het Vaticaan een verschijning van Christus gehad. Ik dacht toen: dat kan niet. Daarna begon er van alles te wankelen. Er kwamen vragen over seksualiteit.”

“Na mijn priesterwijding kreeg ik de opdracht om journalist te worden bij De Bazuin. Vanaf die positie maakten we alles mee. Het begon te morrelen en te rommelen en wij moesten er verslag van doen. Paus Johannes XXIII, het Tweede Vaticaans Concilie, het was allemaal spannend en wij schreven erover. In Amsterdam stond toen, in 1964, de Dominicuskerk op de nominatie om gesloopt te worden. Er kwam nog maar een handjevol mensen. Frans van Waesberge, de provinciaal (hoofd van de dominicanen in Nederland, ms) was tegen de sloop en hij probeerde er nog iets van te maken. De vier paters die in de Dominicus stonden werden naar elders gestuurd en met drie andere paters werd ik er gedropt. Ik kwam niet uit het pastoraat, de anderen trouwens ook niet. We hadden geen flauw idee hoe we van dat zieltogende zooitje iets konden maken. Elke dag deed ik de mis en het lof, als je dat nog wat zegt. Het lof, dat was een rozenhoedje. Vijf tientjes, weet je wat dat is? Een deel van de rozenkrans. Vijf keer tien weesgegroetjes en een onzevader.”

“Dat vonden we te veel. We besloten om ons tot drie tientjes te beperken en dan een stukje uit de Bijbel te lezen. We wilden dat boek op de protestanten heroveren. In die tijd lazen katholieken geen Bijbel. De Bijbel was een protestants boek. Het exemplaar dat we hadden, daarvan zat het boek Hooglied dichtgeplakt. Dat gold als te vies, dat mochten we niet lezen.”

Welk deel van de Bijbel koos u? Of was het plan om de Bijbel van begin tot eind te lezen?

“Dat weet ik niet meer. Ik weet wel dat in die tijd Bernard Huijbers aan de deur klopte, dirigent van een jong koor. Zij wilden graag bij ons komen zingen, op voorwaarde dat ze invloed kregen in de liturgie. Een godsgeschenk. Zat je met zestien-, zeventienjarigen aan tafel de viering door te spreken en bijbelteksten te becommentariëren.”

„We hadden drie evangeliën gelezen en toen was Johannes aan de beurt. Niemand durfde dat aan. Te moeilijk. Veel moeilijker dan de evangeliën van Matteüs, Marcus en Lucas. Toen zijn we op scholing gegaan bij Maria de Groot, protestantse theologe in Woudsend. Zij heeft me op een nieuw spoor gezet en dat heeft me nooit meer losgelaten. Johannes fascineert me. Niemand heeft zo goed begrepen wat Jezus bedoeld heeft als hij. Ik ben mijn ouders dankbaar dat ze mij zijn naam hebben gegeven.”

“Hoe oud ik was toen ik op het spoor van Johannes kwam? Even denken, ik weet het niet meer precies, Ja, midden veertig, denk ik, begin veertig.”

Ik weet dat u gefascineerd bent door Johannes, maar we zouden het over uw visie op het priesterschap hebben.

“O ja. Nou, wat wil je weten?”

In uw visie zijn priesters een stuk minder machtig dan u zelf was, zestig jaar geleden.

“Ik was door die wijding iemand geworden die iets kon wat de anderen niet konden. Iets wat alleen mannen konden. We deelden toen, zou je kunnen zeggen, verzekeringspolissen uit. Als wij maar die magische woorden uitspraken over brood en wijn, dan waren mensen ervan verzekerd dat ze goed zaten, dat het later goed kwam.”

“Door de priester zo exclusief te koppelen aan de eucharistie, wordt een priester onderdeel van een machtsbolwerk.”

“Een priester hoort zich niet terug te trekken op het machtsbolwerk, maar hij hoort te geven. Voor mij is het wezen van de eucharistie dat je jezelf breekt, deelt, uitgeeft, prijsgeeft. Kijk maar eens naar de eerste priester waarvan in de Bijbel sprake is.”

“Dat is Melchisedek. Een priesterkoning, dus je zou zeggen een machtige man. Maar Melchisedek was een koning die niet verwoestte en veroverde, maar die aankwam met brood en wijn.”

“Dat geeft hij aan Abraham. Die was in Egypte om zijn broer te bevrijden en ging dat vieren. Priesterkoning Melchisedek bracht vrede, brood en wijn en een zegen. Dat hoort een priester te doen. Het gaat helemaal niet om de eucharistie en om het veranderen van brood en wijn in het lichaam van bloed van Christus. Je zou de eucharistie net zo goed kunnen vervangen door een voetwassing.”

“Ja, dat is ketters. Weet je dat in het evangelie van Johannes het verhaal van het Laatste Avondmaal helemaal niet voorkomt? Wel de voetwassing.”

“Als priesters zo belangrijk waren, dan had Jezus er wel een paar als zijn discipelen gekozen. Maar onder de leerlingen van Jezus is niet een priester. Wel een tollenaar. Jezus had steeds conflicten met de priesters. Hij wantrouwde ze. Hij heeft ook nooit een priester gewijd.”

Heeft het u schade berokkend, dat schrijven van ‘Kerk en Ambt’?

„Integendeel. Misschien komt het ook wel door het luchthartige, dat ik van mijn moeder heb. Mijn moeder was luchthartig en liberaal. Ze zei ook dat er in de kerk van alles wel kon verdwijnen, wat haar betreft, maar ik moest ervoor zorgen dat Antonius van Padua wel altijd bleef. Mijn moeder was altijd van alles kwijt, ze was slordig. En dan had ze Antonius van Padua nodig om het weer terug te vinden.”

“Ik ben trots op mijn orde dat ze het hebben aangedurfd om de brochure ’Kerk en Ambt’ uit te brengen. Het is onze roeping, als religieuzen, om een beetje vooruit te lopen. Dat is historisch zo geweest. Ordes en congregaties hebben iets met pionieren. We vallen ook niet onder het gezag van de bisschop. Bisschop Zwartkruis wilde ons ook ontslaan, toen we in het begin bij de Dominicus zaten. Dat kon niet. Alleen de provinciaal kon dat, en die stond achter ons.”

Het is duidelijk dat u gegrepen bent door Johannes. Wat fascineert u zo aan hem?

“Heb je een paar weken? En onderbreek me als ik te veel leuter.”

“Johannes schrijft niet lineair, hij vertelt niet een verslag van gebeurtenissen die na elkaar komen. Zijn verhaal heeft de vorm van een cirkel. Johannes vertelt hetzelfde verhaal steeds opnieuw, maar langs een andere weg.”

“Steeds kom je langs eenzelfde punt, steeds begint daarna het zelfde verhaal, maar dan anders. Zijn verhaal is ook als een spiegelzaal. Het weerspiegelt andere verhalen, ieder woord in Johannes weerspiegelt een ander verhaal.”

Kunt u een voorbeeld geven van zo’n tekst waarin andere teksten weerspiegelen?

“Het verhaal van de bruiloft te Kana. Dat begint zo: En op de derde dag geschiedde het dat er een bruiloft was te Kana. Elk woord betekent iets en om te begrijpen hoe, is het lineaire denken onbruikbaar. De derde dag, dat is altijd de dag dat de Heer verschijnt. En die bruiloft is niet in Jeruzalem, niet op het Sint-Pietersplein, bij wijze van spreken, maar in Kana.”

“Adembenemend. Bij hem heb ik gezien waar het in het leven om draait. En hij was gewoon een vissersjongen die op zijn vijftiende Jezus gevolgd heeft.”

“Hij had alleen de rabbijnse school, kende de Tenach wel uit het hoofd. „Wat hij vertelt, beleef ik nog steeds.”

Wat heeft Johannes u laten zien?

“Dat het draait om macht en onmacht. Dat de onmacht altijd wint. In Openbaring lees je het. De draak, dat is de macht, het lam de onmacht. Het lam verbindt, het lam wint.”

“Als ik naar een ander gebied ga, en als het waar is dat we daar iedereen terugzien, dat ga ik meteen naar Johannes toe en dan vraag ik hem: ’Hoe heb je dat geflikt’?”

Bij het afscheid loopt hij mee naar beneden, de twee trappen af. In de deuropening van het huis in Amstelveen zwaait hij. Zijn hand blijft even hangen in de hoogte. Van zijn ’God bless you’, kunnen alle omstanders meegenieten, tot aan Schiphol toe.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden