Jan Montyn

Jan Montyn (Oudewater, 1924) is beeldend kunstenaar. Zijn ongewone leven – hij vocht als jongen aan het Oostfront, diende bij het Vreemdelingenlegioen, vocht in Korea en zette zich in voor kinderen die het slachtoffer werden van de oorlog in Vietnam – werd prachtig beschreven door Dirk Ayelt Kooiman in het in 1982 bij uitgeverij De Harmonie verschenen boek ’Montyn’. Van 16 tot 27 september exposeert Jan Montyn in Jaski Art Gallery te Amsterdam.

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Het was op een zondag in 1941, of in ’42, dat weet ik niet meer precies. Ik zei: ’Vader, ik ga niet meer naar de kerk. Ik ga zeilen.’ Hij stak van schrik het verkeerde eind van zijn sigaar in zijn mond en vloekte. Dat had ik hem nog nooit horen doen. ’Dat kan niet!’ riep hij toen, ’dat is zonde, Jan!’ ’Maar ik ga toch,’ zei ik. En ik ging. Op de fiets – dat mocht ook niet op zondag – naar de Reeuwijkse Plassen.

Ik was jaren met hem meegegaan naar de kerk. Hij was ouderling. Doordat de kerkgemeenschap te weinig voorgangers had, mocht mijn vader de preken voorlezen. Terwijl hij zich daarop voorbereidde, scharrelde ik wat tussen de kerkbanken, op zoek naar een paar centen. De preken gingen vaak over hel en verdoemenis. Zelf was hij uitverkoren, maar mijn moeder – die toch lid was van dezelfde gemeente – ging naar de hel. Daar had ze zich op een of andere manier bij neergelegd. Niet uitverkoren. Goed. Dan moeten we er toch maar het beste van zien te maken. Ik heb die verhalen altijd met verbijstering aangehoord. Mijn moeder, zó’n wijf! Die gaat heus wel naar het paradijs. Nee, ik nam mijn vader niets kwalijk. Het was zijn geloof. Hij was er eerlijk in en heeft er niemand kwaad mee gedaan. Maar van al dat gedoe in die streng gereformeerde kerk – in ’44 zou er uiteindelijk een kerkscheuring komen – had ik mijn buik wel vol. Voor mij was het klaar. Ik ben een totaal ander leven gaan leiden. God, de kerk, de tien geboden: het is helemaal uit mijn mind verdwenen.

Ik denk, achteraf, dat ik al eerder – op mijn tiende, elfde jaar – bezig was weg te gaan. Het is nooit echt een strijd geweest, hoor – ik voelde me beslist niet onderdrukt of tekortgedaan. Ik voelde me vooral anders. Ik had andere gedachten over de wereld. Ik las alleen maar boeken over oorlogen en ontdekkingsreizigers. Stiekem, natuurlijk, want het was geen christelijke lectuur. Ik was nieuwsgierig. Ik wilde vliegenier worden, ik wilde weg uit dat saaie Oudewater. Op een dag in 1944 besloot ik mij, samen met een vriend uit het dorp, te melden bij de Duitse marine. ’Jan, Jan toch,’ zei mijn vader, ’wat ga je nou toch doen?’ Het lag een beetje in de lijn der dingen: ik ging mijn eigen gang. Daar was niets tegen te doen. Mijn ouders probeerden me niet eens meer tegen te houden. Ik herinner vooral de opmerking van meneer Van IJzeren, een NSB-er, die zei: ’Als je mijn zoon was, brak ik allebei je benen.’”

Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Kijk, daar, aan de muur: dat is het beeld van iemand die stierf en wegging. Ora per novis. Je weet wat dat betekent hè? Bid voor ons. Het is mijn reactie op de dood. Het was een zeer geliefd iemand, maar niet getreurd. Ga verder! Je ziet het ook aan zijn houding: hij heeft het niet benauwd. De dood is gewoon een volgende stap. Een volgende ontdekkingsreis. Het hoort erbij. Zo denk ik ook over landschappen: ik hou van de wereld zoals hij is, met lek en gebrek.

Zo lang als ik mij kan herinneren probeer ik de dingen in beeld te brengen, vorm en kleur te geven. Ik heb ook schetsen aan het Oostfront gemaakt, toen ik daar terechtkwam nadat onze boot werd getorpedeerd. De horror. Oorlog en vrede, dat zijn de grootste thema’s in mijn werk. Vooral vrede. Met het in beeld brengen van oorlog doe ik niemand een plezier. Ik schrijf ook. Een soort gedichten. Ik reageer op wat ik voel, wat ik zie, wat ik meemaak; op wat er is. Niet een veroordeling, nooit een veroordeling. Dat kan ik mij niet permitteren.”

Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Als een ander met God wil leven, als hij zo met de geest wil omgaan, is dat zijn goed recht. Daar heb ik respect voor. Ik ga ook niet in debat. Zinloos gedoe: debatteren. Daar komen oorlogen van. Of het respect wederzijds is? Dat geloof ik wel* Ik zal je wat vertellen: ik kwam uit het heropvoedingskamp. Het was 1947. Met de bus, uit Gouda. Komt er een man aan op de fiets, een boer. Hij ziet mij, roept: ’Zo Jan, verdien je wat?’ en rijdt door. Vind je dat niet prachtig? Verdien je wat? Dat betekent zoveel als: leef je? Zo ging dat, in Oudewater. Nooit slecht behandeld. Niemand had commentaar. Goed, er waren natuurlijk mensen die vroegen: ’Wist je dan niet wat Hitler deed?’ Nee. Dat wist ik niet. We hadden geen radio, we lazen geen krant. Ja, ’De Banier’, het blaadje van de SGP, maar daar stond niets in over de oorlog. ’Oorlog is een straf van God,’ zei mijn vader, ’een straf voor de mens die zich heeft misdragen.’ Ik was achttien, negentien jaar, ik wil mezelf niet verdedigen hoor, maar wat wist ik nou? Ik heb in mijn leven natuurlijk wel het een en ander naar mijn hoofd geslingerd gekregen, maar niet in Oudewater. Daar zijn ze tolerant. Dat was vroeger al zo. Mijn broer heeft zich laten ombouwen. Hij is nu zangeres, een hele goeie in zijn vak. Voor de oorlog liep hij als jongen in jurkjes door het dorp. In Amsterdam zou hij in die tijd gekielhaald worden, maar in Oudewater zeiden ze: ’Zo, dat staat je goed!’”

Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Ik sticht mijn eigen zondag. Hoe? Beetje lezen, beetje stappen, beetje zwerven. Naar Bangkok vliegen, lekker elf uur languit: dat is ook een soort zondag voor mij. Ik hoef nooit ver naar rust te zoeken: ik heb genoeg rust in mijn hoofd. Nee, niet altijd gehad. Na de oorlog, na het heropvoedingsgesticht heb ik mij als vrijwilliger gemeld voor de oorlog in Korea. Toen ik gewond raakte en naar huis kwam, werd ik als een held binnen gehaald. Maar wat ik daar allemaal had gezien* gruwelijk. In de jaren die volgden is de frontkolder pas echt toegeslagen. Ik was conservator van een militair museum. Ik organiseerde wilde feesten, gaf gelegenheid tot ontucht en was – het ergste van alles – verschrikkelijk agressief. Als iemand lelijk naar me keek, sloeg ik hem al tegen de grond. Het liep helemaal uit de hand. Op een dag ben ik opgepakt en na een tijdje door de marechaussee naar Hare Majesteits Gekkenhuis afgevoerd. De eerste dokter die kwam vragen – ’Wat moeten we met jou doen? – sloeg ik onder alle bedden door. Daarna werd ik in een dwangbuis gestopt en naar een ander kamertje gebracht. Daar kwam een andere dokter, Martens, een dienstplichtig psychiater. ’Ga je mij ook slaan?’ vroeg hij. Ik keek hem aan en antwoordde: ’Nee, jou sla ik niet.’ We zijn gaan praten, gewoon, over alledaagse dingen. Hij zei: ’Wat wil je eigenlijk?’ ’Een normaal leven leiden,’ antwoordde ik, ’ik geloof dat ik het allemaal wel weet nu.’ Ik werd naar een zaal met dertig bedden gebracht. Allemaal jongens met oorlogsverwondingen, heel gezellig. Daar heb ik negen maanden gelegen. Elke avond kwam dokter Martens langs. Kreeg ik stiekem een pilsje van hem. In ruil daarvoor schreef ik voor hem op wat ik had meegemaakt. Een paar pagina’s per dag. Ik kreeg een atelier, kon lekker schilderen. Ik had het er naar mijn zin jongen! Prima. Na negen maanden zei dokter Martens: ’Nu weet ik het wel zo’n beetje.’ Ik vroeg wat hij met me ging doen. ’Niets,’ zei Martens, met zijn hand op die stapel pagina’s van mij, ’hier moet je het van hebben, Jan. Dat ben je. Je bent iemand.’ Ik werd ontslagen maar moest nog wel voor de krijgsraad verschijnen. Bij het voorlezen van de ’feiten’ kreeg ik haast de slappe lach. Ik wist zelf niet meer wat ik allemaal had uitgevroten. Na anderhalf uur beraden kwam het vonnis. Mijn straf stond gelijk aan het voorarrest – ik had, voor ik naar het gekkenhuis ging, vier weken vastgezeten – en ik werd, niet oneervol, uit militaire dienst ontslagen. Dat was het einde van mijn militaire loopbaan. Ik had een S5 gekregen waardoor er geen weg terug meer was en ik bovendien geen ander werk meer voor de overheid zou kunnen doen. Die beslissing heb ik aangevochten. Ik was met S1 in dienst gegaan en ging er met S5 uit: dat verschil wilde ik graag in geld uitgedrukt zien. Na een jaar kwam het medisch college tot de volgende beslissing: mijn achterstallige salaris werd uitbetaald – daarvan heb ik een feest van drie dagen en drie nachten op de Zeedijk gegeven – en ik kreeg voor de rest van mijn leven recht op gratis medische behandeling. Ik ben alleen nooit ziek.”

Eer uw vader en uw moeder

„Ik keek naar ze op. Zij zijn over je gestelden, ze weten veel. Ze hielden van elkaar, ze hielden van hun kinderen. Ze deden alles voor je. Lieve mensen. Zat geen kwaad bij.

Mijn vader is achtenzestig geworden. Volgens de dokter had hij een zware griep en een longontsteking. Eenmaal opgenomen in het ziekenhuis bleek hij een hartaanval te hebben gehad. Na een half uur was hij dood. Ik was erbij, samen met mijn zusje. Toch gek, ik had uiteengereten kinderlijken gezien, ik had zoveel mensen zien sterven en nu zag ik mijn eigen vader gaan. Het deed me natuurlijk veel meer, maar toch* ik denk daar niet lang over na. Als je je af gaat vragen waarom, word je gek. Het leven houdt gewoon een keer op. Dat van mijn moeder eindigde op haar zesennegentigste. Goed. Dat was het dan. Niet over jammeren. Volgende patiënt.

Mijn ouders liggen in Oudewater begraven. Ik ben nu de eigenaar van het familiegraf. Wie het hebben wil, kan het van me krijgen. Het is mij daar veel te koud. Ik ken een mooi plaatsje aan de Mekong rivier. Daar ga ik veel liever liggen.”

Gij zult niet doodslaan

„Ik heb mensen gedood. Soms praat ik er over. Soms ook niet. Ik kan er goed mee leven, hoor. Heus wel. Ik moet verder. Het gebeurt. Je kunt twee dingen doen: er voor op de loop gaan of ermee leven. Nee, ik wil je dat verhaal over die Russische soldaat niet vertellen. Het staat in het boek (’Montyn’, Dirk Ayelt Kooiman, AV), dat moet voldoende zijn. Het was tussen twee jongens, twee kinderen nog. Ongeschikt voor theorieën. Maar ’t is moord, natuurlijk is het moord. Zodra je een militair pakkie aantrekt, ben je bereid te doden, te moorden. Niet meer. Nooit meer. Het is iets van toen. Ik heb het leren verwerken. Dat is een vreselijke, lange weg geweest. Dankzij de mensen die recht van spreken hadden – de slachtoffers – kon ik verder.

Anderen hebben beweerd dat ik van oorlog hield. Het heeft zelfs in de kranten gestaan. Absurd! Er is een enorme legendevorming om mij heen. Dat weet ik, dat hoor ik, dat lees ik. Ik was fout in de oorlog. Ik zuip. Ik ga naar de hoeren. Ik leef als een beest. Weet je waar ik achter ben gekomen? Dat de mensen die zoiets zeggen meestal zelf iets te verbergen hebben in die richting. Ze denken: als ik me nou flink tegen die man afzet, zien ze mij er tenminste niet voor aan. Over de maanden die ik als negentienjarige aan het Oostfront vocht, hebben ze nog altijd hun mond vol, maar het werk dat ik sinds de zestiger jaren doe* wil je weten hoe dat is gegaan?

Ik was ontslagen uit het gekkenhuis, werkte en woonde als kunstschilder in Amsterdam. Op een dag, ergens in de jaren zestig, was er een demonstratie tegen de oorlog in Vietnam. Ik las de kranten wel, vond het walgelijk wat daar gebeurde, maar demonstreren, dat leek me zinloos.

Er stond een man naast me, keurig in het pak. We kwamen aan de praat. Hij vroeg: ’Vindt u het erg wat daar gebeurt?’ ’Natuurlijk,’ zei ik, ’maar we staan toch machteloos.’ ’O ja?’ zei hij, ’zeg, als ik vragen mag: wat ben je van beroep?’ ’Kunstschilder.’ ’Dan heb je dus niets te doen. Heb je zin om kinderen weg te halen van het slagveld? Ze liggen daar te rotten en niemand kijkt naar ze om.’ Ik zei dat ik dat best wilde doen, maar dat ik bij God niet wist hoe. Ik kon nog geen kaartje kopen voor de bus. Een dag later had ik een ticket naar Bangkok in mijn zak. Daar heb ik eerst een half jaar een medische opleiding gehad die speciaal gericht was op verwondingen bij kinderen en daarna heb ik mijn eerste kindertransport gedaan.

Ik ben het blijven doen. Gewond geraakt, weer opgekrabbeld, verder gegaan. Nog altijd – want de oorlog duurt in die regio maar voort – breng ik medicijnen naar hospitaaltjes in de regio. Zie je die dozen daar staan? Dat is een schenking van een ziekenhuis uit Frankrijk. Ik ga die spullen wegbrengen. Dat bekostig ik zelf. Daar hoef ik geen medaille voor, maar ik vind het wel wrang dat mensen liever verder bouwen aan die legende. Voor het verhaal van die kinderen hebben ze helemaal geen interesse. Ik heb het wel eens letterlijk te horen gekregen: ’Jij altijd met je kinderen en je oorlog. Hou er nou maar een keer over op.’

Nee, er is geen link met Duitsland, echt niet. Van het gevoel dat ik iets goed moest maken hebben de mensen die de kampen hebben overleefd mij wel afgeholpen. Het is eerder een soort vanzelfsprekende wereld waarin ik terecht ben gekomen: ik kan iets doen! Ik had altijd een grote bek over het onrecht, maar wat deed ik er aan? En nu dóe ik iets. Kinderen - hulpeloos, weerloos - helpen. Ik heb de macht, de middelen, de power gevonden om iets te doen.

Ja, achter mijn rug begint de volgende oorlog, dat is waar, maar vind je dan dat ik er maar mee moet ophouden? Nooit. Ik ben een notoire optimist. Elk kind is er één. Een wereld op zich. Als je een kind redt, zegt Boeddha, red je de wereld.”

Gij zult niet echtbreken

„Hi-en is mijn hoofdvrouw. Met haar ben ik nu meer dan dertig jaar getrouwd. Zij rekent op mij. Ik voel mij verantwoordelijk en tegelijkertijd voel ik mij vrij omdat ze uit liefde met mij is getrouwd. We hebben ieder ons eigen hok – ze is zelfstandig, ze is happy, ze ziet er goed uit - en toch delen we het leven samen. Voor mij is het huwelijk met haar een vrijheidsdaad, een acte de libération.”

Gij zult niet stelen

„Dat heeft een oude heer een keer tegen een menigte soepjurken gezegd. Wat moet ik daar nou mee? In de gebieden waar ik kom hebben ze wel iets anders dan die tien geboden aan hun hoofd. Als je ligt te creperen en een zoen krijgt van een meisje is ’Gij zult niet echtbreken’ niet het eerste wat in je opkomt. Als je honger hebt, dan steel je. Ik heb het nooit hoeven doen. Ik hoef niets te nemen. Ik krijg vooral.”

Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Ze hebben vroeger geprobeerd mij als kunstenaar te weren. Anonieme telefoontjes, oproepen om mij te boycotten. Ik vind het eigenlijk vooral zielig. Ik merk nog steeds hoe moeilijk het is om uit leggen wie ik ben, wat ik doe, hoe ik leef. In Holland staan mensen zo snel met een geheven vingertje klaar. Als ze mij er open en eerlijk naar vragen, wil ik mijn best doen dingen uit te leggen, maar ik ga niet in het beklaagdenbankje zitten. No way.”

Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Ik ben tevreden met mijn leven. Tevreden met mijn leven met anderen. Tevreden met mijn werk, blij dat ik mensen kan helpen. Het leven kan, ondanks alle verschrikkingen, heel paradijselijk zijn. Ik kijk met verwondering naar wat er allemaal om mij heen gebeurt. Ik kijk mijn ogen uit, echt waar. Wat het leven mij heeft geleerd? Dat zal ik je morgen vertellen. Ik ben nog lang niet klaar.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden