Jan Fabre heeft het Belgische Watou voorbeeldig behekst

Watou '95. Dichters rond de beeldend kunstenaar Jan Fabre. 3 x 7 kamers, 3 x 7 gedichten. Tot 3 september, elke dag van 14 tot 19 uur. Catalogus, uitgave De Bezige Bij, BF 350.

De Claus-manifestatie mag dan tot dusver voor de meeste toeloop hebben gezorgd, zeker niet minder bezienswaardig was bijvoorbeeld eervorig jaar het Watou van Roger Raveel. De befaamde schilder had in samenwerking met Mandelinck gedichten gekozen en die verbonden met eigen, zowel bestaand als nieuw beeldend werk. Een opvallende, kleurige Raveel-muur is nog steeds te zien buiten op het Douviehuis, de voornaamste lokatie van de Watou-exposities. De rest is helaas verdwenen. Het moet elke keer een moeilijk moment zijn voor de bedenkers en makers om datgene wat zo plaatselijk functioneerde en indruk maakte ook als tijdelijk te beschouwen.

Obsessief

Watou '95 kan niet anders dan een groot succes worden. Er is weer gekozen voor één beeldend kunstenaar tegenover verschillende dichters, als formule aantrekkelijker dan andersom, aangezien visuele samenhang direct in het oog springt. Deze keer is Mandelinck aan het werk getogen met de obsessieve en theatrale Jan Fabre, die op diverse lokaties in Watou naar eigen goeddunken eenentwintig kamers in wisselwerking met eenentwintig gedichten mocht inrichten. Spectaculairdere resultaten dan die er nu vertoond worden, zijn moeilijk voorstelbaar.

De gedichten zijn telkens op afstand geplaatst van het kunstwerk van Fabre, ze hangen aan een muur, te lezen op een glasplaat die bic-blauw is geverfd. Dat is de kleur en de inkt waarmee Fabre zich heeft vereenzelvigd en die hij bij voorkeur gebruikt. Er zijn drie prachtig stille, met de bic fijn bekraste schoenendozen te zien, die associatieve verbintenissen aangaan met de melancholieke stervenspoëzie van Karel van de Woestijne. Er is een opgemaakt ziekenhuisbed, waarvan het beddegoed geheel met de balpen is bewerkt. Hier heeft Marc Reugebrink een gedicht bij geschreven, een van de vijf gedichten op verzoek gemaakt naar aanleiding van een werk van Fabre.

De meest onthutsende ontmoeting met Fabres wereld vindt al meteen in het begin plaats, nadat ik buiten de kamer regels van Gerrit Kouwenaar heb gelezen: “Leven in een huis / als in een lichaam / (...)in een hoek nog een oud kind / in een kast een vergeten / liefde // stilte neemt bezit van geluid / namen versmoren in stof / geen deur komt ergens op uit”. Dan ga ik de kamer in, die zeer donker is en vrijwel geheel in beslag wordt genomen door een immense kast, van binnen en van buiten met bic-strepen bekrast, het 'Huis van Vlammen III' (1988), uit het museum van Gent. Kouwenaars gedicht klinkt in de kamer op fluistertoon en merkwaardig vervormd. Dat is steeds zo: het gedicht is buiten te lezen en wordt binnen voorgedragen door acteurs als Jan Declair en Frieda Pittoors. Fabre, in hart en nieren theaterman, heeft hun voordracht eigengereid geregisseerd, wat suggestief, vervreemdend of humoristisch werkt.

In het Douviehuis, gelegen aan het Watouplein (nu omgedoopt tot Hugo Clausplein), is één ruimte ronduit sensationeel gevuld. Het is er donker, een beetje licht schijnt binnen door de toegangsdeur, meer licht komt diep van achteren, om een hoek, door een openstaand raam. Aan het plafond hangen duizend theezakjes te bungelen, licht bewogen door de trek. Ze hebben bij nader toezien allemaal als opdruk het portret van Fabre en zijn gebruikt. Diep beneden, waar de vloer van de kamer zou kunnen zijn, al sta ik hoog, is in een kamerbreed bassin vol donker theewater het spiegelbeeld van al die bewegende theezakjes te zien. De aanblik van deze installatie tart alle woorden, en wat mij betreft ook alle interpretatie. Het is me duidelijk geworden, hier in Watou, dat er veel te veel om Fabre heen wordt gepraat, ook door hemzelf, en dat de presentie van het kunstwerk, zoals het geval is bij deze installatie, een directe werking heeft en niet om commentaar vraagt.

De theezakjes en het spiegelende theewater zijn verbonden met een overbekend gedicht van Guido Gezelle, 'Het schrijverke', een gedicht dat bij de door insekten gefascineerde Fabre natuurlijk niet mocht ontbreken. Het wordt twee keer voorgedragen, een keer heel gewoon en een keer stotterend, alsof het geluid er maar met moeite uit wil komen, Beckett-achtig, onverwacht prachtig. Ook dat draagt bij aan het totaaleffect.

Naast een gedicht van Gerrit Achterberg is een kamer ingericht waarin vijfhonderd vliegenvangers hangen en waarin ik althans niet rechtop kon staan zonder mij te verkleven. Tegen de achterwand is een zelfportret van Fabre te zien met één vliegenvanger voor zijn neus. In de kamer hangt een merkwaardige geur. Dit is voor het eerst dat in Watou ook de neus wordt aangesproken. Altijd was dat al wel enigszins het geval, vanwege de landelijke lokaties, voormalige stallen, hooizolders en dergelijke, maar nu is er toch heel bewust met luchtjes gewerkt. Zo heeft Fabre een stinkende ham opgehangen in het rookkamertje van het Douviehuis: het is een hamvorm van ijzerdraad, die volkomen bedekt is met dode juweelkevers (een nieuw werk, uit 1995, waarbij Peter Verhelst een gedicht heeft gemaakt). De stinkende rottenisgeur wordt er bij geleverd. Duizenden juweelkevers, die er zo prachtig uitzien als hun naam doet vermoeden, bedekken ook de jurk van een engel, die in een schuurtje hangt in het Grensland en waarbij Benno Barnard een gedicht schreef.

Als een memento mori figureert het eenkamerige huisje, het Wethuis genaamd, waarin Fabre, ook al omdat 'wetsen' in zijn dialect 'wecken' betekent, honderden weckpotten heeft gevuld met sigarettenpeuken, knikkers, urine, ledematen van poppen, en zo voort. Zelfs in de wieg liggen weckpotten, al het huisraad, de tafels, de stoelen, het staat in weckpotten, overal zijn gevulde weckpotten, het hele leven zit in de weckpot, is gefixeerd, dood. Eddy van Vliet dichtte er terecht bij: “Niets kiemt, niets groeit, niets rot. / Verduurzaamd is het flinterdunne vel / dat vet, bloed en spieren bedekt.”

Wijnglazen

Geheel in de lijn van de theezakjes en de vliegenvangers ligt de stal waarin zeshonderd stukgeslagen wijnglazen op verschillende hoogte aan het plafond hangen. Het is donker, maar door de belichting van een projector met het filmpje van een performance van Fabre tinkelen er sterretjes schitterend in de glazen. En dan te bedenken dat er ergens anders nog een stal om bezichtiging vraagt waarin op honderdveertig vierkante meter stalmest vier piano's op hun kant staan, als nadenkelijke mensen (bij een gedicht van Willem Frederik Hermans), en in een bunker, speciaal voor de gelegenheid gegraven in een weiland, vele tientallen, blauwe kruisen zijn geborgen waarop insektennamen staan, onder meer 'schrijverke'.

Fabre heeft Watou werkelijk voorbeeldig behekst. Zijn kunstwerken, voorzover ze niet opnieuw hier geïnstalleerd zijn, reisden vanuit de hele wereld naar Watou, waar ze in combinatie met het gedicht, de lokatie en het landschap iets gedenkwaardigs gaan voorstellen. Het tijdelijke karakter van ook deze expositie maakt in elk geval één ding duidelijk: wie er deze zomer niet heen gaat, heeft echt iets gemist.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden