Review

James Ensor, van alle kanten bespioneerd

Het boek van Eric Min over James Ensor is meer dan een biografie – het is ook een fraai tijdsdocument. Maar de biograaf had wel wat scherper kunnen selecteren.

Had James Ensor nog geleefd, dan was de biografie van Eric Min over de kunstenaar er waarschijnlijk nooit gekomen, althans niet in de vorm waarin hij hem nu heeft geschreven.

Want Ensor, zo lezen we in ’James Ensor, Een biografie’, was zijn eigen perschef. Een leugentje om bestwil, het antedateren van schilderijen, het schrijven van eigen ’kritieken’ en het streng redigeren van teksten over zijn werk en persoon, waren voor hem de normaalste zaak van de wereld. Zijn biografie moest ’een geflatteerd zelfportret’ zijn. Hierdoor ontstond er een beeld over James Ensor (1860-1849) dat vol zat met clichés en overdrijvingen: met veel aandacht over zijn jeugd in de souvenirwinkel van zijn grootouders – ’waar het ruikt naar schimmel en katten maar vooral naar de zure urine van oma’s aapje dat in de schelpen plast’– over zijn rebellie op de academie en vooral over de kunstenaar als miskend genie.

In een ruim driehonderd pagina’s tellend boek heeft Min dat beeld nu voorgoed ontrafeld. Naast Ensors werk baseerde Min zich op de talloze brieven die Ensor heeft geschreven, zijn vaak polemische teksten en niet in de laatste plaats op krant- en tijdschriftartikelen en memoires van tijdgenoten. Daarmee is het boek veel meer dan een biografie van Ensor alleen. Min schetst nauwgezet de ontwikkelingen in het tijdperk waarin Ensor leeft en het milieu waarin hij zich beweegt. Daarin is Min genereus.

Dat begint al bij de beschrijving van Ensors woonplaats, de mondaine badplaats Oostende, waarmee hij was vergroeid en die Min het hele boek door voor de lezer in de 21ste eeuw tot leven laat komen. En dat geldt ook voor het culturele circuit van die tijd. We volgen de oprichting van het kunstenaarsgenootschap ’Les Vingt’, en later ’La Libre Esthétique’, we lezen over de talloze tentoonstellingen en strubbelingen van de verenigingen, de rivaliteiten tussen hun leden en natuurlijk over de kunstkritiek. Ensor zal de ontwikkelingen niet zelden verwerken in (satirische) schilderijen die Min soms uitgebreid bespreekt. We ’horen’ de discussies naar aanleiding van de tentoonstelling van Seurats beroemde doek ’Un dimanche après-midi à l’île de la Grande Jatte’ waarmee het pointillisme zijn intrede deed in de Belgische kunstwereld. En we volgen het ontstaan van Ensors antwoord op dit doek: zijn meesterwerk ’De intrede van Christus in Brussel’ tegen de achtergrond van de stakende arbeiders. We zien de rijzige gestalte van Ensor door de ogen van tijdgenoten: een man met een bleek gelaat die, gehuld in een zwarte cape als ’Pietje de dood’, over de Oostendse kade wandelt. Uiteindelijk trekt hij zich terug in zijn atelier, en componeert marsmuziek op zijn harmonium. Zijn erkenning is gekomen, het atelier is een kijkdoos geworden en Ensor een bezienswaardigheid.

Maar Ensor leeft door en schildert nauwelijks meer (Min noemt het consequent borstelen). Ook in deze fase weet Min Ensor treffend neer te zetten in een door verwarring en oorlog geteisterde omgeving waar het leven van alledag gewoon doorgaat en Ensor zich ontpopt als strijder tegen vivisectie en zich opwerpt voor het behoud van het oude stadsgezicht.

’James Ensor, Een biografie’ is veel meer dan alleen een zoektocht naar de bekende maskers en prullaria die figureren op Ensors doeken. Min legt veel associaties, waarin hij niet zelden vooruit blikt en linken legt met het hedendaagse (kunst)leven, met Pierre Alechinsky, Rogeer Raveel en Louise Bourgeouis. Hij doorspekt zijn verhaal met literatuur en dichtfragmenten en talloze associaties. Soms zijn die associaties prikkelend, soms een flauw anachronisme, zoals de titel van het hoofdstuk james.ensor@oostende.be.

En soms is het gewoon een beetje te veel. De kracht van het boek is tegelijk de makke: het valt Min duidelijk moeilijk keuzes te maken uit de overvloedige hoeveelheid ideeën en bronnen die hij tot zijn beschikking had. Dit, in combinatie met zijn hier en daar wollige schrijfstijl, ontaardt vaak in eindeloze beschrijvingen. Min heeft Ensor kritisch en liefdevol gevolgd, hem van alle kanten bespioneerd. Het levert een rijk beeld op, maar soms loopt de biograaf zijn onderwerp voorbij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden