Jainisme / Geweldloos ten strijde tegen karma

Ghandi liet zich in zijn geweldloosheid inspireren door het jainisme, een hindoeïstische stroming in India. Maar bij de jains zelf gaat geweldloosheid veel verder: geen kever wordt gekrenkt.

Met melk, honing, saffraan en boter zalfden duizenden Indiërs afgelopen maand het hoofd van het zeventien meter hoge standbeeld van Gomateshwara in Karnataka, India. Het beeld is 1800 jaar oud en staat symbool voor een van de eerste leermeesters van het eeuwenoude jainisme, dat wereldwijd meer dan zes miljoen gelovigen telt. Voor de jains staat één ding voorop: het streven naar geweldloosheid ten opzichte van mens, dier en zelfs micro-organisme. Mahatma Ghandi liet zich door het jainisme inspireren.

Met een zachte borstel veegt Manish het dakterras schoon van Joshi’s Blue House. Aan de zijkant schuifelt een Indonesische sterschildpad voorbij, op zoek naar schaduw tijdens de hete zomermiddag in de blauwe stad Jodphur, aan de rand van de Thar woestijn.

Elke mier wordt zachtjes aan de kant geduwd, want de Jains weten het zeker: in essentie zijn alle wezens gelijk en elk wezen verlangt naar leven, zowel de mens als de tor.

Gisteren is Manishs grootmoeder overleden en – al heeft Manish tranen in zijn ogen – met een gelukzalige glimlach vertelt hij dat ze naar het godenrijk is gegaan. In een kantoortje haalt zijn vader een fotoboek tevoorschijn, waarin de begrafenisceremonie is vastgelegd. Op een versierde baar hebben ze de overleden vrouw zittend rondgedragen door de mensenmassa in de stad, haar gedoofde ogen starend in het niets.

„Ze heeft een zwaar leven gehad. Al de problemen uit haar vorige levens moest ze nu voor het laatst bevechten”, legt Manish uit. Het finale gevecht tegen honger en dorst heeft ze uiteindelijk weten te winnen. „Voordat ze stierf heeft ze acht dagen niet gegeten en gedronken”, vertelt hij trots.

Het jainisme (’jina’ staat voor ’overwinnaars’) is een hindoeïstische stroming en geldt als de oudste monnikenorde in India. Deze religie heeft veel raakvlakken met het boeddhisme, al is het maar omdat een van de belangrijkste leermeesters, Mahavira, een tijd- en plaatsgenoot was van Gautama Boeddha. Het verhaal gaat zelfs dat Boeddha de beroemdste leerling was van Mahavira.

Het jainisme kent geen goden die aanbeden moeten worden en er is ook geen god die de wereld heeft geschapen. De wereld heeft altijd bestaan en zal dat ook blijven doen. Wel kennen de gelovigen leermeesters, de zogenoemde tirthamkara’s, leraren die ’een doorwaadbare plaats hebben gevonden waardoor men de rivier van het aardse bestaan veilig kan oversteken naar de andere oever’. Die oever staat symbool voor de uiteindelijke bevrijding van de ziel.

In totaal zijn er vierentwintig tirthamkara’s geweest. De laatste leraar, Mahavira, bouwde voort op de kennis van zijn drieëntwintig voorgangers. Hij verliet zijn gezin en mediteerde twaalf jaar lang als monnik. Daarna trok hij dertig jaar blootsvoets door India om de bevolking te leren hoe de ziel zich kon bevrijden van kwade invloeden en kon ontsnappen uit de kringloop van geboorte en dood.

Elke jonge jain legt de ahisma-belofte af: de totale geweldloosheid. Ook belooft hij niet te liegen, niet te stelen, geen seksueel wangedrag binnen en buiten het huwelijk te vertonen. Ook zal hij zich niet hechten aan wereldse eigendommen, waarbij ook inwendige ’bezittingen’ zoals hartstocht en sentimenten worden gerekend.

Vegetarisme past binnen deze ethiek; elk wezen verlangt naar leven en daarbij mag ’geen enkel wezen gehinderd worden op het pad dat zijn ziel gekozen heeft’. Dus geen slachtbank voor het schaap, maar ook geen onvoorzichtige voetstap waarmee je zomaar een insect zou kunnen doden. De gelovigen dragen geen leer, eten geen vlees van dieren – zelfs niet als ze een natuurlijke dood zijn gestorven, want in het vlees huizen altijd nog veel micro-organismen. Deze redenering geldt ook voor alcoholgebruik – dat bovendien de kans op het begaan van misstappen groter maakt.

De jains zijn ervan overtuigd dat elke actie gevolgen heeft voor de ziel, maar dat geweld tegen andere levende wezens de grootste ramp is voor het Zelf. Ze zijn dan ook vaak werkzaam in het bedrijfsleven, de handel, om maar zo goed mogelijk te kunnen leven volgens de regels van ahisma. Beroepen als boer, soldaat of slager zijn uit den boze.

De jains geloven dat elk wezen uiteindelijk naar het stadium van mens-zijn zal toegroeien. Dat betekent dat élk dier een moreel besef heeft, zegt Manish. „Een koe die wegloopt als zijn baas hem roept, is een slechte koe. Een koe die luistert en doet wat zijn baas wil, is een goede koe”, vertelt hij. Braaf gedrag voorkomt dat karma de koeienziel zal verduisteren.

Maar niet ieder dier is even slim. Het jainisme kent al vanaf zijn oorsprong een ’hiërarchie’ in de planten-, dieren- en mensenwereld. Wormen, oesters, wespen en vlinders behoren tot een hogere groepering dan de groenten, planten en bomen die alleen een tastzin hebben ontwikkeld en geen smaak. Vervolgens komen alle insecten die een gezichtsvermogen hebben. De creaties die kunnen horen staan daar weer boven: schorpioenen, bijen, vliegen. De hoogste klasse bestaat uit de wezens met vijf zintuigen: sommige dieren, de mens én helbewoners en goden. Manish pakt de rondkruipende schildpad op het dakterras. „Een koe zal eerder veranderen in een mens, dan deze schildpad”, zegt hij. „Maar ook de schildpad kan goede keuzes maken. Door niet te bijten bijvoorbeeld.”

Een bedelmonnik plaatst de puntjes op de i wat geweldloosheid betreft – om sneller te kunnen ontsnappen aan de kringloop van leven en dood. Sommige monniken hullen zich in witte doeken, maar de digambara-sekte kleedt zich met ’lucht en ruimte’; zij gaan naakt door het leven. In totale harmonie met de wereld.

Monniken en nonnen dragen witte mondkapjes om te voorkomen dat ze een vliegend insect zullen beschadigen. Ze hebben een bezempje bij zich om heel voorzichtig diertjes aan de kant te kunnen schuiven, zodat ze er niet op zullen trappen. Een monnik graaft nooit in de aarde, want dan zou de bodem geweld worden aangedaan. Om dezelfde reden eten jains geen bodemvruchten zoals uien en aardappels. Vuur doven is uit den boze en een jain zal ook op niet gauw het gras op lopen. Hij zal moeten proberen heer en meester te worden in meditatie. Het beeld van Gomateshwara in Karnataka vormt hierin een van de heiligste voorbeelden: Gomateshwara wordt gezien als de eerste persoon die verlichting heeft bereikt. Hij was zo diep verzonken in meditatie, dat een wijnrank zich om zijn benen wikkelde. Het jainisme leert dat de ziel, die van het ene leven overgaat in het volgende, geteisterd wordt door karma, zoals woede, begeerte, trots en heftige emoties. ’Karmische materie’ bijt zich vervolgens vast aan de ziel. Het is de taak van de individuele gelovige om zich tegen deze karma’s te weren en ze onschadelijk te maken. De betekenis van het woord ’jina’ (’overwinnaar’) moet dan ook vooral worden gezien als het overwinnen van de eigen innerlijke vijanden.

Monniken leren om een ’veertienvoudig pad’ te bewandelen voor de ultieme bevrijding van de ziel. Zijn grootste innerlijke vijanden – die zich opgehoopt hebben door talloze eerdere levens – moet hij onder ogen zien en elimineren. Het laatste stadium van het veertienvoudige pad vindt plaats op het sterfbed: als het goed is trekt de ziel geen karma’s meer aan en is de gebondenheid met het materiële opgeheven. Zo niet, dan wacht weer een volgend leven op aarde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden