Review

Jacques Brel een leven lang op zoek naar zijn verloren jeugd

Het is vandaag, 9 oktober, op de kop af twintig jaar geleden dat Jacques Brel in het Hopital Franco-Musulman te Bobingny bij Parijs overleed aan de gevolgen van een verwaarloosde longkanker. Volgens zijn tweede dochter France was het triest dat haar vader in een ziekenhuis stierf en niet op een manier die beter bij zijn turbulente leven paste. Bij zijn sterfbed was zij overigens niet welkom, net zo min als haar moeder Miche, de enige wettige echtgenote van Brel. Dat voorrecht was voorbehouden aan Maddly Bamy, de laatste van een lange rij minnaressen.

Of het nou helemaal alleen aan Brel lag dat vrouw en dochters zijn laatste dagen niet mochten meemaken is niet te achterhalen. Het is wel zo dat hij hen al tijdens zijn leven grotendeels buitensloot, zonder hen ooit definitief te verstoten.

In 1953, als hij 24 is, besluit Jacques Brel zijn leven en dromen in eigen hand te nemen. Hij laat de commercie in karton, een vrouw en een dochter achter om in Parijs zijn chansons aan de man te brengen. Avond aan avond trekt hij drie jaar lang door Parijs met soms wel drie of vier engagementen per avond voordat het succes toeslaat. In 1956 breekt hij door met 'Quand on n'a que l'amour', een lied waarvoor hij de Grand Prix du Disque krijgt.

Het succes is onstuitbaar en Brel wordt een wereldnaam naast die van George Brassens, Gilbert Bécaud en Charles Aznavour. Maar al tien jaar later zet hij een punt achter zijn zangcarrière. Het zingen is voor hem nooit het doel op zich geweest, maar volgens Johan Anthierens in zijn biografie 'Jacques Brel, de passie en de pijn', onderdeel van zijn streven naar een zo volledig mogelijke manier van leven.

In de twaalf jaar die Brel nog resten, bewerkt hij de musical 'De man van la Mancha' voor het Franse toneel en zingt zelf de hoofdrol. Hij haalt in 1970 in Zwitserland zijn vliegbrevet, omdat de korte momenten tussen de wolken de enige zijn waarin hij zich ontspant. Hij gaat films maken als acteur en later ook als regisseur.

In 1974 behaalt hij het diploma van volleerd zeiler aan de Oostendse zeevaartschool. Met zijn driemaster Askoy van 18 meter zeilt hij dan met zijn nieuwste geliefde Maddly Bamy de wereld rond tot aan het eiland Hiva Oa, een van de Markiezeneilanden. Daar koopt hij een huis en voorzover dat woord ooit op Jacques Brel van toepassing kan zijn, settlet hij zich. Daar wordt hij ook begraven, naast de schilder Paul Gauguin (1848-1903).

In 1977, één jaar voor zijn dood, komt er onverwacht nog een plaat van hem uit. Daarop staan nummers die tot zijn beste en meest gerijpte werk behoren als het hartverscheurende 'Orly' over het uiteengaan van twee geliefden, het afscheidslied 'Voir un ami pleurer' en het woeste 'Les F ...', een afrekening met rechts-nationalistisch Vlaanderen.

Het leven van Jacques Brel was er een van felle contrasten, van passie en pijn, zoals de titel suggereert van het boek dat mede-Vlaming en zielsverwant Johan Anthierens aan hem gewijd heeft. Zijn geboorte als Franstalige Vlaming in Brussel deed Brel direct al belanden in het grote verdriet van België. Brel sprak en schreef de taal van de onderdrukker en waagde het ook nog eens zijn stamgenoten te bespotten in 'Les Flamandes' en dodelijk te beledigen met 'Les F ...'. Het eerste couplet van dit lied eindigt met de woorden: 'Messieurs les Flamigants je vous emmerde', 'mijne heren Flamiganten, ik heb schijt aan u'.

Toch schreef hij ook een liefdesverklaring aan zijn geboortestreek in 'Le plat Pays' en 'Mon père disait'. Eenzelfde getroubleerde verhouding had hij met vrouwen. Altijd getrouwd gebleven met dezelfde vrouw, maar toch een reeks minnaressen. Vader van drie dochters, maar zonder enige verantwoordelijkheid te willen dragen voor hun opvoeding. Een man met bindingsangst die hartverscheurende liefdesliederen schrijft als 'Ne me quitte pas' en 'La chanson des vieux amants'.

De drijvende kracht achter Brels gulzigheid om de beker van het leven tot op de bittere bodem leeg te drinken is het gevoel dat hem zijn jeugd is ontstolen. Door zijn ouders en door de Tweede Wereldoorlog die zich in zijn vroegere puberteit afspeelt. In zijn lied 'Mon enfance' beschrijft hij hoe zijn kindertijd voorbij ging 'in grijstinten en stiltes, met valse revérences en zonder strijd'. “In de winter zat ik in de buik van het grote huis dat in het noorden tussen het riet voor anker lag. In de zomer, halfnaakt maar geheel decent, werd ik Indiaan, niettemin toen al zeker dat mijn welgevoede ooms mij de Far West hadden ontstolen.”

Jacques Brel blijft zijn hele leven op zoek naar dat Verre Westen, naar die altijd wijkende horizon. Je kunt dan twee dingen doen stelt Brel: of tegen alle logica in je jeugddromen realiseren of het menselijke tekort op een creatieve manier compenseren. “Uiteindelijk verhaal je over je feilen”, vertelt Brel in een interview aan Henry Lemaire in 1971. “Je vertelt waar je tekort bent geschoten, waarom die blozende appel te hoog voor je hand hing. In mijn liedjes heb ik dat fenomeen van compensatie verwerkt.” Hij maakt in 1973 ook een film met de titel 'Le Far West', die flopt op het Filmfestival van Cannes. Hij speelt daarna nog in één film en dan is ook die carrière afgelopen.

Als weinig anderen kan Johan Anthierens navoelen wat het is om op te groeien in het katholieke België van de jaren veertig en vijftig. Zijn boek bestaat uit zes hoofdstukken die als zes gekleurde splinters in een caleidoscoop een interpretatie geven van het leven en het werk van Brel. In het derde hoofdstuk, 'De lange liedjeslaan', geeft Anthierens een thematische opsomming van de chansons en hun relatie met het leven van Brel. Ook heeft Anthierens een kandidaat gevonden voor de rol van 'Marieke', de door Brel bezongen ideale vrouw.

In het tweede hoofdstuk vertelt zij over haar ervaringen met de zanger. In het eerste hoofdstuk verslaat Anthierens het leven van Brel, die zelf in het vijfde hoofdstuk aan bod komt in een selectie uit intervieuws met hem. In het vierde hoofdstuk staan de teksten van zijn vijftien beste chansons thematisch georganiseerd met daarnaast een aantal vertalingen van 'Ne me quitte pas' in het Nederlands ('Laat me niet alleen'), Engels, Kruishoutems, Fries en Zuid-Afrikaans. In het Zuid-Afrikaans wordt het: 'moenie weggaan nie'.

In het laatste hoofdstuk doet Anthierens verslag van zijn reis naar de atol Hiva Oa waar Brel begraven ligt. Het is een reisdagboek met zijn impressies van het eiland, het leven in het algemeen en dat van Brel en Gauguin in het bijzonder.

De aanwezigheid van Anthierens zelf in dit boek en zijn uitgesproken visie op Brel bepaalt nadrukkelijk de waarde ervan. Het boekje van Mohammed El-Fers is veel meer een journalistiek product. Het is met veel vaart geschreven en Brel komt veelvuldig aan bod met citaten uit interviews met hem. Alle feiten staan keurig in chronologische volgorde op rij. Echter, het beschrijven van het leven van een supernova als acques Brel in 120 pagina's leidt onvermijdelijk tot een zekere oppervlakkigheid. Goed voor een eerste kennismaking maar voor meer moet de lezer naar het sublieme verslag van het leven en het werk van Jacques Brel door Johan Anthierens. Dat is nu al onmisbaar voor de Brel-fijnproevers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden