Jacquelien de Savornin Lohman 'Ik ga voor niemand door de knieën'

Jacquelien de Savornin Lohman (Buitenzorg, Nederlands Indië, 1933) is emeritus hoogleraar andragologie, voormalig senator voor D66, scriptiebegeleider en, sinds enige jaren, cabaretier. Haar derde voorstelling, 'Dwaallicht', is dit jaar nog één keer te zien, en wel op 16 december in Theater Pepijn in Den Haag.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben
"Ik ben Nederlands Hervormd opgevoed. Gedoopt, belijdenis gedaan, in 1961 met een tot het Remonstrantse geloof bekeerde man in een hervormde kerk getrouwd. In het midden van de woelige, roerige jaren zestig, toen alles op de schop ging, hebben we de kerk er bewust uitgegooid.

Met God zelf had ik al langer moeite omdat er zoiets autoritairs van Hem uit ging. Nu we het er over hebben: ineens schiet me te binnen dat ik als klein meisje, in het kamp in Indië, een keer heel boos ben geworden op God. In de Bijbel staat om de haverklap: God zei dit en God zei dat. Maar waarom zij Hij nooit iets tegen mij? 'Dan moet je héél goed luisteren', zei mijn moeder. Ik denk dat ik vanaf dat moment begon te twijfelen, al bleef ik bijgelovig genoeg om af en toe een schietgebedje te doen. Lieve Heer, laat mijn vader terugkomen.

In die oorlog, onder die buitengewoon schrale omstandigheden, zag je mensen twee kanten op gaan: sommigen werden vreselijk gelovig, anderen - zoals de nonnetjes in ons kamp - gedroegen zich voortreffelijk en leken alleen maar gesterkt te worden in hun geloof. Bij mijn moeder begon de gedachte post te vatten die in alle joodse literatuur ad fundum is uitgespit: hoe kan de Heer van de schepping zoveel leed toestaan?

Zelf kreeg ik een paar jaar later een moment van inzicht. Ik had een beurs gekregen en studeerde in Amerika. 's Zomers ging ik mee naar summercamp. Ik had in Nederland al met soortgelijke fenomenen kennisgemaakt, dat waren de zomerkampen van de Nederlands Christelijke Studenten Vereniging. Eerst zat ik er als kind. Later als leidinggevende. Enfin, in Amerika ging het er iets anders aan toe. Daar hadden we ene miss Ellen die elke ochtend moest worden toegezongen: 'Hail to miss Ellen, our praises we sing!' Het is nu een gewone gedachte, maar toen drong het voor de eerste keer tot mij door: wij zijn helemaal niet naar het beeld van God geschapen, we hebben God naar óns beeld geschapen. Toen ik dat eenmaal doorhad, was er geen weg meer terug. Later - ja, sorry, ik ben een beetje springerig, maar het is misschien wel leuk om te melden - heb ik nog weleens heimwee naar mijn NCSV-tijd gehad. Ik zat voor D66 in de Eerste Kamer en als ik dan de CDA-fractie bij elkaar zag, met Lubbers en al die luitjes, kon ik echt jaloers worden op dat nestgevoel. Kars Veling, van de ChristenUnie, ook zo'n type. Die heb ik verdomde hoog zitten. Keurige mannen: reuze aardig, gezellig en niet competitief. Daar wil ik diep in mijn hart wel bij horen."

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is
"Sommige dingen word je je pas bewust als ze door anderen zijn verwoord. Toen ik de boeken van Couperus, en later ook die van Hella Ruebsamen, ging lezen, wist ik: ja, zo was het. Ik ben twee keer naar Indië teruggegaan. Toen ik er die laatste keer was, is mijn schoonzusje overleden. Ze wist dat het einde eraan kwam, maar ze had me op het hart gedrukt dat ik niet thuis moest blijven, en zeker niet moest terugkomen voor de begrafenis. Toen heb ik - ja, afgoderij - meegedaan aan de rituelen, met wierook en bloemetjes, bij het huisaltaar op Bali. Om mijn schoonzus te herdenken. Ik moet zeggen: het gaf mij voldoening."

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken
"Vieze dingen roepen, vind ik bijna erger. Reet en zo. Het zal wel een opvoedingskwestie zijn. In mijn omgeving werd dat soort woorden niet gebruikt. Ik was jonkvrouw tot mijn huwelijk. Aangezien mijn man niet van adel was, verdween mijn titel, maar na de scheiding keert dat weer terug bij je eigennaam. Ik zeg meestal Lohman hoor, Jacquelien Lohman. Ieder welopgevoed persoon weet toch wel dat daar De Savornin bij hoort. Ik ga niet meteen 'noblesse oblige' roepen en dat soort malle dingen, maar ik geloof dat er wel een zekere trots hoort bij mijn afkomst. Dat heb ik de kinderen ook willen meegeven: we gaan voor niemand door de knieën, geen hielenlikkerij. Met dat gedoe van Jort Kelder ('Hoe heurt het eigenlijk?' en de Avro-televisieserie over oud en nieuw geld, AV) heeft het allemaal niets te maken. Dat is een soap. Alles wordt soap, tegenwoordig. Jort Kelder heeft er beslist geen verstand van. Het gaat niet over het uiterlijk vertoon. Het klinkt misschien bekakt, maar er is ooit een fundament gelegd, en dat breek je echt niet zomaar af - enfin, zullen we nu weer even teruggaan naar de Heer?"

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen
"Vind jij nou ook niet dat dit gewoon een setje formules is, bedoeld om mensen op hun plaats te houden? Ik vecht daar al een leven lang tegen. Ook nu weer: het is leuk hoor, dat cabaret van jou, maar groei je niet een beetje uit je jasje? Sommigen zien toch liever dat ik, als oud mens, achter de geraniums ga zitten. Natuurlijk heb je, naarmate je ouder wordt, meer rust nodig maar ik bepaal het graag op mijn eigen moment. Ik ga het liefst op zondag stofzuigen - ook een vorm van meditatie, je gaat vanzelf zo lekker zoemen - en de was buiten hangen. En ik doe elke ochtend een uurtje yoga. Beetje ademhalingsoefeningen. Dat vind ik wel nodig. Ik ben altijd nogal druk geweest. Als de diagnostische instrumenten destijds voorhanden waren geweest zou ik beslist als ADHD'er te boek zijn gesteld."

V Eer uw vader en uw moeder
"A.F. de Savornin Lohman heeft de CHU opgericht, zijn zoon W.H. heeft het tot president van de Hoge Raad geschopt. Hij kreeg dertien kinderen van wie mijn vader de oudste was. Normaal gesproken zat je als griffier te wachten tot er eens iemand riep: 'Moet jij niet eens kantonrechter worden?', maar mijn vader heeft, tot ergernis van mijn grootvader, zijn eigen keuzes gemaakt. Hij ging naar Indië en werd referendaris van het departement van Economische Zaken in Batavia. Naar ik heb begrepen, en dat beeld werd door mijn moeder zeer in stand gehouden, was hij een idealistische, zachtaardige, hard werkende man. Hij had toen al Indische vrienden en geloofde in het verbeteren van de wereld.

Ik heb een paar herinneringen aan hem. Hoe hij mij leerde zwemmen, bijvoorbeeld. Ik zat op zijn rug en ik hoorde hem puffen. Ik was vreselijk bang dat hij zou verzuipen. We maakten samen wandelingen door de kampong. Hij las voor uit de Bijbel en speelde piano. Ik herinner me ook hoe hij buiten schot werd gehouden. Mijn broers waren zes en zeven jaar ouder dan ik - mijn zusje is zes jaar jonger, die heeft mijn vader niet eens gekend - en zij waren verschrikkelijke pestkoppen. Als ik maar dreigde iets terug te doen, stond mijn moeder al achter zijn stoel te gebaren dat ik mijn mond moest houden. Vader mocht niet weten dat er gedonder was. Alles was in harmonie, mooi, leuk en gezellig. Dat beeld moest blijven bestaan.

Ik heb hem voor het laatst in 1941 gezien. In januari, denk ik. Hij werd opgeroepen voor dienst en is nooit meer teruggekeerd. Mijn moeder bleek onder die oorlogsomstandig-heden over een buitengewone kracht te beschikken. We vertrokken uit Batavia, omdat mijn moeder daar de inval van de Japanners verwachtte, naar Buitenzorg waar niet veel later de Koreaanse stoottroepen zouden binnenvallen. We zaten in het huis van baron en barones Van Till. Die hadden behoorlijk wat drank. Die hebben we met z'n allen door de slokan gespoeld. Op één fles levertraan na die zo'n Koreaan tot mijn grote vreugde onmiddellijk aan zijn mond zette. Ze namen mijn oudste broer mee, omdat ze dachten dat hij de man des huizes was; later zijn wij afgevoerd naar een interneringskamp. Ook daar bleef mijn moeder sterk. Twee keer kreeg ze zo'n standaardbrief van mijn vader. 'We zijn gezond en we krijgen goed te eten,' dat soort onzin. In die tekst had hij dan bepaalde letters onderstreept, zodat ze kon lezen: ik hou van jou. Ik miste hem en het leven in het kamp was bepaald geen pretje, maar het gekke is dat je als kind alles accepteert zoals het is.

Toen de oorlog voorbij was en we steeds naar de poort van het kamp liepen om te zien wie er was teruggekomen, had ik al zo'n voorgevoel. Mijn broers kwamen terug. Mijn vader niet. De brief die een juffrouw van mijn oude school op een dag kwam brengen, hoefde ik niet eens meer te lezen: mijn vader was in 1944 bij de Pakanbaroe-spoorlijn bezweken.

We namen de eerste boot terug naar Holland. Mijn moeder trok, met haar vier kinderen, bij mijn oma in. Haar broer, de schilder Kees Verwey, kwam elke week scènes maken - daar hoeven we nu niet verder op door te gaan, maar laat ik je dit zeggen: 't was een akelige man, vooral voor mijn moeder. Enfin, daar zat ze dan, zonder geld, zonder man. Ze kon het gewone leven moeilijk oppikken en was erg vaak ziek. Mijn oudste broer kwam al snel in de problemen. Hij was heel intelligent, betrekkelijk geniaal, was ook snel getrouwd, maar belandde in de psychiatrie. Een niet erkend KZ-syndroom. Alles werd toegedekt. Hij heeft shock- en slaapkuren moeten ondergaan, was soms in en dan weer uit de kliniek en is uiteindelijk in een inrichting overleden. Voor mijn moeder was dat zwaar. Wij betekenden alles voor haar. Als wij met vakantie gingen, moesten we bellen waar we waren; al onze bewegingen moesten worden gerapporteerd. Later, toen ze al oud was, mochten we na een bezoekje niet meer weg... Een erfenis van een kinderloze oom heeft haar latere leven wel makkelijker gemaakt, maar ze heeft er nooit echt van kunnen genieten.

Dat is overigens wel een les die ik heb getrokken: ik wil mijn eigen leven leiden. Ik merk hoe belangrijk de kinderen en mijn kleinkinderen voor mij zijn, maar ze mogen niet de enigen zijn op wie ik kan terugvallen. Ik wil zoveel mogelijk zelf oplossen."

VI Gij zult niet doodslaan
"Gij zult het leven niet onnodig verlengen! Mag dat hiervoor in de plaats komen te staan? Ik weet niet hoe ik er tegenover sta als het zover is, maar ik heb mijn voorbereidingen getroffen. De mogelijkheid om in te grijpen, is zo uitgebreid; je kunt tegenwoordig al van allerlei soorten kanker genezen. Ik krijg weleens het idee dat artsen te weinig het perspectief van die andere optie schetsen: u mag er ook mee ophouden, mevrouw. Er wordt niet meer gedacht in termen van slijtage, of ouderdom. Er zijn alleen maar ziektes die we moeten zien te genezen. De dood is een lastig ding; het is een sociaal probleem dat niet kan worden opgelost. Daarom wordt de dood weggestopt, of liever nog: ontkend."

VII Gij zult niet echtbreken
"We waren samen naar Amerika geweest, ik had daar een congres. Hij stond de hele tijd te telefoneren en ik zei, voor de grap: 'Rob, hou nou eens op met je vriendin te bellen, we gaan aan tafel!' Hij hing op en zei: 'Ik héb een vriendin en ik heb besloten dat ik voor de rest van mijn leven bij haar wil blijven.' Dat was nogal abrupt, na dertig jaar huwelijk. Ik was zo in de war. Ik heb de GGD gebeld, gesprekken gehad met een psychiater - die later ook in een huwelijkscrisis bleek te zitten - en ben uiteindelijk in het alternatieve circuit terechtgekomen. Ik mocht in kussens stompen, kreeg allerlei massages en het geborrel van mijn darmen werd geanalyseerd. Er was ook een mevrouw die zei dat ik in de oorlog al eens eerder door een man in de steek was gelaten. Het zou best kunnen. Achterdocht, verlatingsangst. Het zit diep.

Ik kon pas na twee jaar weer met Rob praten, maar er viel niet zoveel meer te zeggen. Je kunt niet afspreken om mooi uit elkaar te gaan. Het is altijd lullig. Kijk, het huwelijk is een contract en dat moet je dus kunnen verbreken. Het kan ook verkeerd zijn om je vast te klampen aan die ene relatie; om elkaar te belemmeren als er geen groei meer in zit... aan de andere kant heb ik ook respect voor mensen die het spannend kunnen houden. Daarom, voor hen, heb ik een coupletje aan mijn liedje over lange relaties toegevoegd: 'Laten we dan toch maar die woordjes gaan zeggen: schat, ik hou van jou. En samen botje bij botje gaan leggen, schat ik hou van jou. Wij delen het bestaan, ook al gaat het op en neer, soms is er niet veel aan, dan zeggen we telkens weer...' - en dan zingt de hele zaal inmiddels mee - 'schat, ik hou van jou!'"

VIII Gij zult niet stelen
"Ja, die pakken we er ook nog even bij. Kijk, mijn hele inzet, overigens totaal mislukt, is geweest de repressie terug te dringen. Mijn proefschrift gaat er al over: 'Kwaad dat mag. Strafrechtspleging tussen traditie en vernieuwing'. Je doet mensen bewust leed aan. Op vervelend gedrag volgt altijd repressie - zero tolerance! - maar we komen er geen steek verder mee. Er is helaas nog steeds geen sterk tegenverhaal. Ik vind die verhalen over hoe erg we er voor staan ook zo overdreven. Laatst kwam Henk Hofland met zo'n boekie over dikke, hufterige mensen. Ja, hoor eens hier, klootjesvolk is er altijd geweest. Ze waren gewoon minder zichtbaar. Werden onderdrukt door hun pa, of opgesloten in een kast. Nu rijden ze op scooters rond en steken hun middelvinger naar je op. Het gaat erom dat je, bijna in de boeddhistische zin, leert accepteren dat goed en kwaad tegelijkertijd bestaan. Je moet niet uitgaan van repressie als antwoord, je moet de goede kanten van het leven zien en die bevorderen."

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste
"Het is natuurlijk vervelend om te zeggen dat ik te eerlijk was voor het vak van senator, maar ik was er in elk geval absoluut niet geschikt voor. We hebben tijdens mijn periode in de Eerste Kamer heel wat wetten laten passeren die op zijn minst twijfelachtig waren. Kijk maar naar de gezondheidszorg; die is toch tussen '92 en '96 op zijn gat gegaan? En dan was het: ja, maar als we zus doen, gaan we te veel op de VVD lijken. Of: de mensen begrijpen het niet als we anders beslissen. Ook zo'n dooddoener. Al die compromissen sluiten, ik weet het niet... Het is een kader waarin ik niet goed tot mijn recht kom. Geef mij maar een adviserende rol. Je weet dat ik aan scriptiebegeleiding doe, toch? Dat is zoiets moois. En hoopgevend vooral. Ondanks die vreselijke afvalrace van het huidige onderwijssysteem blijven ze doorgaan, volhouden. Die studenten houden mij helemaal bij de les."

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is
"Jaloezie, berouw en schuldgevoel, dat zijn sensaties waar ik niet veel mee heb. Ik heb wel altijd mijn best willen doen. Je moet je licht niet onder de korenmaat zetten. Waar ik minder van gecharmeerd ben is: schoenmaker, blijf bij je leest. Dat hoort weer bij die regeltjes; het mensen op hun plaats zien te houden. Waarom moet dat? Ik doe wat ik wil, zigzaggend door het leven. Nu ik wat ouder ben, gaat het wel iets rustiger. Eerst dit, dan dat. Step by step."

Voor eerdere afleveringen van de tien geboden: www.trouw.nl/tiengeboden

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden