Jacob Gelt Dekker | Pot met goud in jezelf is de enige rijkdom

Jacob Gelt Dekker (Oterleek, 1948) is ondernemer, schrijver en filantroop. Hij studeerde medicijnen en werd tandarts. Na een paar jaar besloot hij een nieuwe studie - economie - op te pakken en daarna stortte hij zich met succes in het zakenleven.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben
"De kerk zegt dat God een wezen is, totaal anders en buiten ons. Een absoluut en tastbaar wezen. Quatsch, natuurlijk, maar de God die ík creëer bestaat wel degelijk. Dat ben ik namelijk zelf. Of, zoals de dichter Willem Kloos het heeft verwoord: 'Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten, en zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon'."

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is
"Als het idee achter dit gebod is dat je niet twee heren kunt dienen, dan ben ik het daar wel mee eens. Het is de ene of de andere waarde, niet alle twee, anders wordt het een chaos in je leven. We hebben een geordende samenleving en in die geordende samenleving hebben we de religie vervangen door het burgerlijk wetboek. We zijn niet meer van de kerk, we zijn van de staat. In het parlement worden wetten aangenomen. Die wetten zijn onze normen en waarden en daar knielen we voor. Dat is de afspraak. En je kunt dus niet, zoals ik op Curaçao vaak zag gebeuren, op zondag braaf naar de kerk gaan en op maandag een roofoverval gaan plegen. Het is echt waar: ze stelen daar als raven. Gewoonste zaak van de wereld.

Ik zeg: zonder die innerlijke beschaving van normen en waarden kan een mens, kan de maatschappij, niet functioneren. Ik heb persoonlijk nooit de behoefte gehad om iemand te bestelen, of dood te maken, maar ik doe vast dingen die ánderen als ondeugd willen bestempelen. De grove lijnen zijn wel aangegeven in de wet, wat overblijft is het fijne werk tussen de mensen zelf."

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken
"Was het niet Rimbaud die het woord merde als krachtterm heeft ingevoerd? Dat roep ik nog wel eens. Merde! Of shit. Niet dat het helpt hoor, maar je moet toch iets als je je gefrustreerd of onmachtig voelt."

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen
"Dankzij het socialisme zitten we opgescheept met werkuren en vakantiedagen. Allemaal arbitraire flauwekul. Het bestaat niet eens. Mensen zijn erin gaan geloven, de vakbonden hebben die regels uit steen gehouwen, maar in werkelijkheid is iedereen de hele dag door wel ergens mee bezig. Ik heb die compartimenten echt niet nodig. Je zult mij niet horen zeggen dat ik arbeidsongeschikt ben, of 'aan vakantie toe'. Wat een waanzin. Rust en contemplatie? Ze doen maar. Je moet gewoon altijd bezig blijven. Werken en studeren. Iets uit niets scheppen, dat is het mooiste wat er is."

V Eer uw vader en uw moeder
"Het zal wel. Ik weet eerlijk gezegd niet wat er te eren valt. Mijn ouders waren onaangename mensen aan wie ik geen bal heb gehad. Wat moet ik over die lui zeggen? Mijn vader was een Joodse man, uit Amsterdam. Zijn vrouw en kinderen zijn in 1944 omgekomen. Ik weet niet hoeveel kinderen er waren, of wat er nou precies is gebeurd - ik meen dat er een vliegtuig op hun huis was neergestort - omdat hij er nooit over heeft willen praten. Zelf zat hij in die tijd ergens ondergedoken. Hij trouwde met de dochter van de boer. Daarna kwam ik. O ja, en er was nog een oudere broer, zijn zoon of de hare, dat weet ik niet meer. Het was een sadistische jongen die mij zonder reden in elkaar sloeg, of sigarettenpeuken op mijn lijf uitdrukte. Hij is gelukkig al lang dood.

Het huwelijk van mijn ouders was een ramp. Geen idee waarom die twee ooit zijn getrouwd. Mijn moeder minachtte mijn vader. Ze vond hem een smerig Joods mannetje. Uit Amsterdam. Dus een oplichter. Je moet niet vergeten dat de onderduikers niet altijd uit liefde in die boerengezinnen werden opgenomen; er viel ook gewoon veel geld mee te verdienen. Mijn vader had een paar panden die hij in Amsterdam bezat verpand en de hypotheekakte als een soort garantie afgegeven, maar na de oorlog waren zijn huizen ingepikt of afgebroken. Had hij, volgens zijn schoonvader de zaak dus opgelicht.

Mijn moeder was een hysterische vrouw. Ze heeft meerdere keren geprobeerd zichzelf van het leven te beroven. Om de zoveel tijd kwam er iemand vertellen dat ze weer eens van de brug was gesprongen. Er was kennelijk altijd iemand in de buurt om haar op tijd te redden. Dan werd ze een tijdje in het gekkenhuis opgeborgen waarna de ellende weer van voor af aan begon.

Ze had een onvoorstelbare hekel aan me. Als ik uit school kwam, kreeg ik letterlijk van alles naar mijn hoofd gegooid. Servies, bestek, zomaar, uit het niks. Ik kan mij niet anders herinneren dan dat ik, als zes- zevenjarige, voortdurend voor haar op de vlucht was.

Het ging helemaal mis tussen mijn ouders en mij toen ik in de vierde klas van de lagere school zat. Er was een onderwijzer, meneer Zwitser, die mij na schooltijd liet nablijven, zogenaamd voor een klusje, of om nog extra les te geven. Dan pakte hij me vast en begon zich af te trekken. Ik mocht niet omkijken, want dan kreeg ik een klap met de lineaal. Op zich kon ik dit nog wel verdragen - alles beter dan terug naar huis te moeten gaan - maar meneer Zwitser voelde zich, als hij klaar was, zo vreselijk schuldig dat hij mij van ellende een pak rammel gaf. Om mijn blauwe plekken te verklaren gaf hij me een briefje voor mijn ouders mee: ik had me misdragen en daarom had hij me moeten straffen. Lijfstraffen waren toen nog heel gewoon.

Op een dag had hij mij, na zijn daad, zó hard geslagen dat ik bewusteloos was geraakt. Hij moest toen wel medische hulp vragen en heeft later, toen de verdachte omstandigheden werden onderzocht, bekend wat er was gebeurd. Meneer Zwitser belandde in de gevangenis. Mijn ouders waren woedend. Op mij. 'Smerig kind,' gilde mijn moeder, 'je hebt die arme man natuurlijk verleid!' Ze heeft actie gevoerd om hem weer vrij te krijgen - ik weet niet meer of het haar is gelukt. Ze heeft het in ieder geval voor elkaar gekregen dat iedereen ging geloven dat ik, op een of andere manier, de aanstichter was geweest. Ik mocht niet langer bij de andere kinderen in de klas zitten. Er werd een boenhok leeggehaald waar ik in mijn eentje de twee laatste jaren van de lagere school heb doorgebracht. Ik moest later beginnen en ik mocht pas naar huis als alle kinderen weg waren. Thuis, waar mijn broertje en mijn moeder klaarstonden om mij op m'n lazer te geven. Ik weet niet waar mijn vader was. Die bemoeide zich liever niet met mij.

Na een hoop geruzie mocht ik wel naar de middelbare school, zo lang ik maar niet meedeed aan gymnastieklessen want o jee, dat jongetje is beslist niet zuiver! In die tijd ben ik buiten schooltijd om allerlei baantjes gaan doen. Rond mijn dertiende ben ik, als het thuis weer eens uit de hand was gelopen, perioden op kamers gaan wonen. Na een paar jaar was ik voorgoed het huis uit.

Vanaf toen speelden mijn ouders geen rol meer in mijn leven. Ze lieten mij onverschillig. Ik ging medicijnen studeren, betaalde alles zelf. Ik ontworstelde me niet alleen aan mijn ouders, maar aan die hele hypocriete calvinistische kliek. Het is me gelukt om het juk van die Hollandse benauwdheid van me af te schudden.

Mijn moeder is zestig geworden, of zoiets. Op een dag werd ik opgebeld door een jaargenoot. Hij zei: 'Ik heb een patiënt, en volgens mij is het jouw moeder. Als je haar nog een keer wil zien, moet je nu naar het ziekenhuis komen want ze heeft vergevorderde alvleesklierkanker en ze is er slecht aan toe.' Ik ben gegaan. Ze lag op een kamer met nog een paar vrouwen. Ik stond al een tijdje bij één zo'n bed te kijken, toen een verpleegster mij kwam waarschuwen: 'Eh... meneer, uw moeder ligt dáár.' Ik had geen idee hoe dat mens eruit zag. Het zei me niets. Ik weet niet meer of ik alsnog naar haar ben toegegaan; ik heb er geen enkel beeld meer bij.

Over mijn vader kan ik je ook niet veel vertellen. Hij heeft zijn vrouw nog een tijd overleefd. Tijdens een van onze laatste ontmoetingen, zei hij: 'Ik heb nooit van je moeder gehouden.' Moet je je voorstellen: wij zagen elkaar één keer in de vijf jaar, hooguit een kwartier, en hij vond het nodig om alleen zoiets tegen mij te zeggen.

Nee, ik voel geen verdriet. Waar zou ik verdrietig om moeten zijn? Er was geen band. Er was geen liefde. Er was niks. Als je niets hebt, kun je ook niets verliezen. Bovendien heeft die jeugd mij een enorme vrijheid gegeven; toen ik op de universiteit begon had ik al een heel leven achter me. Ik had mezelf opgevoed, mezelf normen en waarden bijgebracht. Uiteindelijk ben ik daar best ver mee gekomen, misschien heb ik mijn succes in zaken wel aan die moeilijke jaren te danken.

Het enige wat rest is de enorme angst die ik als klein kind heb gevoeld. Angst om geslagen te worden, angst voor gebrek, angst voor uitsluiting. Ik heb de geesten uit het verleden keurig in hokken opgesloten hoor, maar 's nachts, of als ik vanwege een operatie een tijdje morfine krijg toegediend, weten ze toch vaak te ontsnappen en mij vreselijke paniekaanvallen te bezorgen."

VI Gij zult niet doodslaan
"Op mijn achtentwintigste kreeg ik kanker die, in allerlei vormen, keer op keer is teruggekomen. Het begon met een schildkliercarcinoom, gevolgd door pancreascarcinoom - die mij een van mijn ballen heeft gekost - en later nog een melanoom, met uitzaaiingen, behandelingen, chirurgie, de hele boel. In het afgelopen jaar had ik weer iets nieuws: een metastase in het bot van mijn rechterbeen waardoor het gewoon zo, krak, onder mijn eigen lichaamsgewicht doormidden brak. En nog eens, en nog eens - acht keer in totaal. Inmiddels lijkt alles weer goed te groeien. Ik heb geen rolstoel meer nodig. Het is lastig maar kijk, de rest doet nog gewoon goed mee. Ik zou om dat ene been geen suïcide overwegen, net zo min als de kanker mij daar ooit toe gedreven heeft, maar ik geloof tegelijkertijd niet in een 'gevecht' tegen de ziekte, en dat je het uiteindelijk nog zou kunnen winnen ook. Een van de meest huichelachtige toestanden binnen de medische wetenschap is het gegoochel met de termen 'goedaardig' en 'kwaadaardig'; het komt gewoon altijd terug. Uiteindelijk leg je het loodje.

Bij ondraaglijk lijden wordt er een einde aan mijn leven gemaakt. Dat heb ik vast laten leggen, als een soort visum in mijn paspoort. Zodra het te gek wordt, en ik er geen lol meer in heb, houdt het op. Klaar is Kees. Waarom zou ik zo'n proces tot de laatste snik willen meemaken? Geen denken aan. Mensen doen vaak zo ingewikkeld over sterven, maar het is niks. Dood is dood. Einde verhaal."

VII Gij zult niet echtbreken
"In mijn studententijd ben ik een keer naar een huwelijksfeest geweest. Toen wist ik het zeker: dat is niets voor mij. Dat gedoe met die families en de zogenaamde liefde tussen man en vrouw; het ging alleen maar om de seks, want er moesten baby's verwekt... Seksualiteit, daar is eigenlijk nooit iets van terecht gekomen. Ik ben aangerand, misbruikt, verkracht - ik werd in mijn kindertijd door allerlei mensen als prooi gezien en ik heb geleerd om weg te duiken, bij iedereen uit de buurt te blijven. Later, toen mensen op een gewone, gezonde manier toenadering zochten, reageerde ik nog precies zo: wegwezen! Ik weet wel hoe het is om je geil te voelen, maar dat duurt een kwartiertje en dan is het weer klaar. Ik heb nooit geweten hoe ik een liefdesrelatie met iemand zou kunnen opbouwen. Slechte ervaringen, geen rolmodellen en daar kwam die kanker nog eens overheen. Ik kreeg steeds te horen dat ik nog maar kort te leven had - hoe kun je dat een partner aandoen? Het zat er, al met al, dus gewoon niet in. Helemaal niet erg. Deze afdeling is gesloten gebleven. Zo simpel is het."

VIII Gij zult niet stelen
"Het is onzin om te beweren dat bezit diefstal van de armen is, maar wat ik deed - de winkels die ik heb gerund, de bedrijven die ik heb opgebouwd - heb ik vooral voor de ander gedaan. Ik bedoel: ik had mijn tijd ook als tandarts of econoom kunnen uitzitten. Goed, noem me een altruïst, als je er zo graag een kaartje aan wilt hangen.

Ik heb mezelf nooit een salaris gegeven; alles wat ik verdiende stopte ik in een volgende uitbreiding, in onderwijs of in een training van het personeel. Doordat mijn zaken - Kwik-Fit, Budget Rent-a-Car, noem het allemaal maar op - in het financieel circuit zijn gekomen ben ik behoorlijk rijk geworden maar dat heeft op mijn persoonlijk leven nauwelijks effect gehad. Je hebt consumptie, en boven de consumptie. Ik kan maar één boterham eten en zelfs daar heb ik al moeite mee. Al dat geld, wat moet ik ermee? In Godsnaam! Laatst heb ik honderd miljoen in een stichting gestoken, weggegeven. Ik heb ontzettend veel projecten gefinancierd, in Afrika, Laos, Cambodja, overal. Ik heb nog een paar weeshuizen in Nepal, een studiebeursproject in Amerika, een dingetje in Burkina Faso en ook nog iets in Mali. Persoonlijke verzoeken die ik per e-mail binnenkrijg, negeer ik. Dat zijn de klompendansers. Ze kloppen onder valse voorwendselen bij me aan, doen hun dansje - kijk eens hoe zielig wij zijn, we hebben een plan voor de wereld - en verwachten dat ik onmiddellijk geld overmaak. Er zitten heel weinig oprechte mensen tussen. Ze hebben gewoon een hobby en willen dat ik die bekostig."

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste
"Niet één verhaal is volledig waarachtig. Straks breng je ons gesprek terug tot een verhaal van een x-aantal woorden, waarmee je dus in feite de werkelijkheid zult beperken."

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is
"Moet ik soms jaloers zijn op jouw gezonde benen, omdat ze niet zo vaak zijn stuk gegaan? Of op jouw leven zonder angst? Dat kan nu eenmaal niet. Het zijn dwaze, onzinnige gedachtes, waarom zou ik mijzelf daarmee martelen? Er zijn, als ik de hatemail tenminste moet geloven, wel erg veel mensen jaloers op mij. Ik heb het over het algemeen veel moeilijker gehad dan deze haters en tóch heb ik fortuin gemaakt en zij niet. Dat kunnen ze slecht verdragen. Ze zien niet dat er maar één soort rijkdom is, en dat is de pot met goud in jezelf. Creativiteit. Als je daar geen gebruik van maakt ben je je eigen grootste vijand.

Ik erger me aan mensen die larmoyant doen en roepen dat ze eigenlijk niets kunnen, of aan mensen die domweg te lui zijn om zich in te willen spannen. Het hoeft niet eens een creatieve vorm te zijn, je kunt ook gaan studeren en zo iets tot stand brengen. Alleen een geestelijk gehandicapte heeft een goed excuus om geen studie op te pakken. Kom op zeg!

Ik heb nooit geleefd met een verlangen, of met een toekomstbeeld. Geen bucketlist met dingen die ik per se in mijn leven wilde doen. Ik ben al heel gelukkig als ik een redelijk stabiele gezondheid heb. En een goede nachtrust. Oké, en nog één ding dan: een broodje. We moeten nu echt heel snel iets gaan eten, anders val ik flauw. Dan krijgen we dat gezeur weer."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden