Jaarwisseling en christendom / 'Laat hen drinken, gij zult vasten'

'Oud' en 'nieuw': waar komen ze vandaan? En natuurlijk de mythische herkomst van de oliebol en de appelbeignet. En Augustinus' vermaan: ,,De heidenen mogen zich een roes drinken, u zult vasten''.

Vannacht, om klokslag twaalf, wensen we elkaar weer een gelukkig, gezegend of zalig nieuwjaar, zonder te beseffen dat mensen dit al vierduizend jaar doen. In de goede voornemens blijken we evenmin origineel. Dat gebruik genoot al grote populariteit onder de Babyloniërs. Alleen beloofden zij niet eindelijk eens te stoppen met roken, maar zegden ze toe de geleende ploeg aan de buurman terug te geven.

Dat staat letterlijk op gevonden kleitabletten. Die laten eveneens zien dat de moderne nieuwjaarsparties in New York, Parijs of Londen verbleken bij die in het oude Babylon. Hetzelfde geldt voor het klassieke Rome. Ook de Grieken konden er wat van. Zij hebben trouwens rond 600 voor Christus het gebruik geïntroduceerd om het nieuwe jaar door een baby -teken van zich steeds vernieuwende vruchtbaarheid- te symboliseren.

Eeuwenlang vierde men nieuwjaar niet op 1 januari, maar op 23 (Babyloniërs) of 25 maart (Romeinen). Daar kwam pas een eind aan in 153 vóór Christus. Toen verordonneerde de senaat in Rome om nieuwjaar op de eerste januari te laten beginnen. Nieuwjaar was, onder druk van andere feesten, steeds verder verschoven en spoorde niet langer met het begin van het zonnejaar.

In de eeuw daarna verwaterde het gebruik, totdat Julius Caesar in 46 v. Chr. ingreep en 1 januari weer als de eerste dag van het jaar vaststelde. Hij verbond nieuwjaar met een feest ter ere van de god Janus, heer van alle begin en bewaker van de poorten naar de hemel en de aarde. Men beeldde hem af met twee gezichten. Het eerste keek terug naar het oude jaar (verleden), het andere blikte naar het nieuwe (toekomst). Het Janusfeest werd aanvankelijk sober gevierd, met het maken van goede voornemens en het geven van geschenken. In Frankrijk is dat nog gebruik.

Later ontstond het idee dat men zich tijdens de jaarwisseling moest zuiveren van alle kwade krachten uit de achterliggende periode. Daarom gingen veel Romeinen zich bij het Janusfeest en de geleidelijk ermee verbonden saturnalia (een soort carnaval) te buiten aan wilde feesten vol seks en alcohol. Dit bracht christenen in hun begintijd ertoe andere data tot start van het nieuwe jaar te nemen.

Het Janusfeest bleek echter zo populair dat de kerk in de eerste helft van de vierde eeuw 'om' ging en 1 januari erkende als start van het officiële, profane jaar. Maar in plaats van te feesten, dienden christenen die dag te bidden en te vasten. Want, beval kerkvader Augustinus, ,,zij (de heidenen) mogen elkaar dan nieuwjaarsgeschenken geven, u zult aalmoezen uitdelen; zij mogen uitgelaten liederen zingen, u zult u laten aantrekken door het woord van de Schrift; zij mogen naar het theater ijlen, u naar de kerk; zij mogen zich een roes drinken, u zult vasten''.

De Concilies van Tours (567) en Toledo (633) schreven voor de eerste drie dagen van het jaar boetediensten en vastenoefeningen voor. Die waren toen in Rome kennelijk al in zwang, getuige een oud misformulier met de tekst: 'Voor het afweren van afgodendienst'.

Dat de kerk 1 januari als begin van het burgerlijk jaar erkende, wil niet zeggen dat deze datum ook de start vormde van het kerkelijk jaar. Dat begon en begint op de eerste zondag van de advent (voor kerst). Wat 1 januari betreft wisselden de kerkelijke festiviteiten in de loop der tijd nogal. Zo vierde Rome op die dag eerst (zesde tot veertiende eeuw) een Maria-feest. Later liet de westerse kerk dat gebruik vallen en nam het de gewoonte uit Gallië en Spanje over om op 1 januari de 'besnijdenis des Heren' te vieren. Pas in 1969, bij de hervorming van de katholieke kerkelijke agenda, werd het weer een Mariaviering: het hoogfeest van de Heilige Moeder Gods.

De hele Middeleeuwen door stond de kerk gereserveerd tegenover het profaan vieren van nieuwjaar, uit vrees voor uitspattingen. Daarom werd 1 januari pas sinds de achttiende eeuw in heel West-Europa echt een openbare feestdag.

Het had trouwens lang geduurd voor alle landen die datum als begin van het nieuwe jaar erkenden. In Frankrijk tot rond 1450, in Engeland en Noord-Amerika tot 1752 en in de republiek Venetië tot 1797.

De Reformatie nam de reserve van de rk kerk over. Luther moest niets van nieuwjaar hebben. Hij en Calvijn vonden het een kunstmatige viering. Nog lang daarna weigerden in New Engeland (latere VS) de puriteinen 1 januari als vrije dag te accepteren, omdat het volgens hen om een heidens feest ging. In plaats daarvan vierden ze de hele maand januari als 'eerste maand der maanden'. John Wesley, stichter van de kerk der methodisten, decreteerde in 1784 dat de jaarswisseling -'waaknacht'- biddend moest worden doorgebracht. Niks geen champagne drinken en donuts eten.

Op oudjaar vieren de katholieken het feest van Sint Silvester, paus ten tijde van Constantijn I. 's Avonds, soms ook 's nachts, is er een kerkdienst. In protestantse kring gaat men op oudejaarsavond ook naar de kerk, om er degenen te gedenken die het afgelopen jaar zijn overleden. Dat gebruik lijkt wat weg te ebben. Op nieuwjaarsdag is er dan, net als vroeger bij de katholieken, een dienst ter herdenking van de 'besnijdenis en de naamdag van de Heer'.

Vrijwel alle volksgebruiken rond oud en nieuw zijn van ver vóór het christendom. We noemden al het nieuwjaar wensen en het maken van goede voornemens. Maar ook de rotjes, de vuurpijlen en de kerstboomverbrandingen hebben een lange geschiedenis. Ze herinneren aan het lawaai dat de Germanen maakten en de vuren die ze aanlegden om de wintergeesten te verdrijven. Het nuttigen van oliebollen en appelflappen is eveneens van zeer oude oorsprong en verwijst naar de heidense offerbroden.

En de appelbeignet? Die heeft eveneens een mytische oorsprong. De Franken, maar zij niet alleen, geloofden dat alles wat de vorm van een ring had geluk met zich bracht. Om dit te onderstrepen at men aan het eind van het jaar ringvormige lekkernijen. En ze smaken nog steeds.

Enkele gebruikte bronnen:

Inez van Eijk: Van Aller Heiligen tot Sint Juttemis (1993).

Karl-Heinrich Bieritz: Het kerkelijk jaar (1987).

Jef de Jager: Rituelen, nieuwe en oude gebruiken in Nederland (1981).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden