Jaak Albert werd uit Rwanda ontvoerd en groeide in België op zonder identiteit

Jaak Albert: ‘We hebben allemaal onwaarschijnlijke verhalen.’ Beeld Ton Toemen

Net als duizend andere metissen, kinderen uit gemengde relaties, werd Jaak Albert bij zijn moeder in Rwanda weggehaald en naar België ontvoerd. De overheid moffelde zijn dossier weg en hij groeide op zonder identiteit. Nu zijn er excuses van de regering. Wat zijn die waard?

Jaak Albert is 66 jaar, vader van drie kinderen en opa van vijf kleinkinderen. Na zijn militaire dienst werd hij de eerste zwarte agent bij de politie Antwerpen, waar hij zich opwerkte tot inspecteur en in 2012 met pensioen ging. Dat is het succesverhaal van zijn leven, maar ook een erg onvolledige samenvatting. “Ik heb mij altijd een derderangsburger gevoeld.”

Albert is namelijk ook de man zonder geboorteakte, die een door een non verzonnen familienaam draagt en die, hoewel zijn vader een Belg was, zijn staatsburgerschap zelf moest aanvragen en er vier jaar op moest wachten. Iemand die meer tijd heeft doorgebracht in het Belgische administratieve doolhof dan goed is voor een mens.

Toen Albert in 2006 met zijn huidige vrouw wilde trouwen moest hij eerst met twee getuigen naar de rechter om te verklaren dat hij in Rwanda geboren is. Dat was niet de eerste keer, en opnieuw moest hij maanden en maanden wachten op een beslissing. “Tot eind juli was onduidelijk of onze bruiloft op 5 augustus wel kon doorgaan. Voor mijn vrouw was dat zenuwslopend.”

Jaak Albert met zijn pleegouders.

Albert, woonachtig in Kasterlee bij Turnhout, is een ‘metis’: de zoon van een witte, Belgische koloniaal en een zwarte vrouw. Hij werd in 1952 geboren in Gisenyi, Rwanda, destijds een ‘mandaatgebied’ van België. Kinderen uit gemengde relaties werden in de jaren veertig en vijftig door de koloniale overheid gezien als bedreiging voor het koloniale systeem. In veel gevallen werden ze bij hun moeder weggehaald en opgevoed in katholieke internaten.

Discriminatie

In aanloop naar de onafhankelijkheid van de koloniën werden tussen 1959 en 1962 ruim duizend van deze kinderen uit voornamelijk Rwanda en Burundi naar België ontvoerd. Daar groeiden ze op in tehuizen of pleeggezinnen – vaak zonder hun echte identiteit te kennen.

In 2017 verontschuldigde de katholieke kerk zich bij de metissen al voor haar rol. Vorig jaar nam het Belgische parlement een resolutie aan waarin de onrechtvaardige behandeling van de metissen werd erkend en de regering werd opgeroepen om maatregelen te nemen. Begin deze maand was het zover. In het parlement excuseerde premier Charles Michel zich namens de federale regering bij Albert en de andere ‘metissen’ voor het onrecht dat hun is aangedaan.

Michel erkende niet alleen de ontvoering en de discriminatie van de metissen, maar ook dat de staat deze kinderen bemoeilijkte om Belgisch staatsburger te worden en niet voorkwam dat adoptieorganisaties hen beroofden van geboortecertificaten of identiteitspapieren en het contact met biologische ouders verbraken.

Albert kwam in 1960 als zevenjarige in een Belgisch weeshuis terecht en werd na enkele maanden opgenomen door een Antwerps koppel. “In het dossier dat mijn pleegouders kregen stond dat mijn ouders onbekend waren.”

Heel zijn leven is hij naar hen op zoek geweest, vertelt hij. “Ik heb een onwaarschijnlijke odyssee ondernomen naar potentiële vaders. Ik schreef brieven naar oud-kolonialen: konden zij mijn vader zijn? Ik schreef missionarissen in Rwanda aan, wisten zij misschien wie mijn moeder was geweest? Het leidde allemaal tot niks. Ik heb daar enorm door in de put gezeten.”

Herinneringen aan zijn ouders had hij amper. “Ik wist dat mijn vader een blanke was. Lang dacht ik dat hij militair of ambtenaar was, omdat ik mij herinnerde dat hij een uniform droeg toen hij mij bezocht bij een tentenkamp van het internaat in Save; dat was de laatste keer dat ik mijn ouders zag. Achteraf denk ik: dat moet een tropenuniform zijn geweest.”

Gedwongen adoptie

Inmiddels weet hij namelijk dat zijn vader een plantage had in Rwanda. In 2015 ontdekte Albert dat de Belgische overheid wel degelijk wist hoe de vork in de steel zat. In dat jaar besloot de Vlaamse regering dat zij kinderen die het slachtoffer waren geweest van gedwongen adoptie zou gaan helpen inzage te krijgen in hun persoonlijke dossiers.

In Alberts geval bleken er twee schaduwversies bewaard te zijn van het bundeltje papieren dat zijn pleegouders hadden gekregen. Die lagen in het archief van het ministerie van buitenlandse zaken, had historica Sarah Heynssens ontdekt. Heynssens deed van 2010 tot 2012 onderzoek naar het lot van de Belgische metissen, in opdracht van Cegesoma, het Belgisch kenniscentrum voor de geschiedenis van de conflicten van de 20ste eeuw. “Bij de gedwongen verplaatsing van deze kinderen naar België maakte het katholieke internaat in Save drie versies van de dossiers: een voor hen zelf, een voor de Belgische overheid en een voor de pleegouders. In het geval van Jaak kwamen de inhouden daarvan totaal niet overeen, dat was echt verbijsterend.”

In het overheidsdossier stonden de namen van Alberts ouders. “Mijn vader had mij niet officieel erkend, maar hij betaalde wel alimentatie voor mij aan het internaat. Dat deden weinig blanke kolonialen. De betalingsbewijzen zaten gewoon in mijn dossier.” Hij kan er nog altijd niet over uit. “Het dossier dat mijn pleegouders hadden gekregen stond vol leugens. De officiële instanties wisten precies hoe het in elkaar zat. Moeder-overste in Save wist dat mijn vader Boreux heette. Maar zij gaf mij een fictieve naam, Albert.”

Dat geldt voor veel metissen, zegt Heyn­ssens, die het boek ‘De Kinderen van Save. Een geschiedenis tussen Afrika en België’ schreef en momenteel werkt als onderzoeker aan de Universiteit Gent. “De Belgische overheid draaide op voor de kosten van het onderwijs aan de metissen en deed er daarom alles aan om vaders te laten meebetalen voor hun kinderen.”

Nu pas

De vader van Albert bleek in 2010 overleden. Maar nog veel schokkender: “Ik bleek een volle broer te hebben, Jean. Hij woont in Wallonië.” Via ‘Kind en gezin’, de Vlaamse overheidsorganisatie voor kinderen, legde hij contact. “We hebben elkaar voor het eerst ontmoet in november 2015. Dat was een fantastisch gevoel.”

Met andere weeskinderen aan de Belgische kust (1960, Jaak Albert is de tweede van links).

Er zijn metissen die minder ‘geluk’ hadden dan hij, weet Albert. “Mijn pleegouders waren eenvoudige arbeiders, maar zij deden alle moeite mij te gunnen wat een kind verlangt. Mijn moeder was dominant en autoritair, maar met mijn pleegvader, een Nederlander, had ik een goede band.” Wel was hij altijd bang dat ze hem zouden wegsturen, zegt Albert. “Mijn pleegmoeder zei: we wilden eigenlijk een meisje, maar die waren er niet meer. Bovendien was ik tijdens mijn eerste maanden in België bij twee andere pleeggezinnen weggestuurd. Ik leerde nederig te zijn. Maar ik mocht niet klagen.”

Albert benadrukt dat zijn verhaal ‘maar één verhaal is’. “We hebben allemaal onwaarschijnlijke verhalen.” Dat die pas de laatste jaren bekend worden komt doordat de problematiek van de metissen ‘totaal niet in het Belgische collectief geheugen zit’, zegt Heynssens. “Ze kwamen als kind naar België en werden kriskras door het land geplaatst. Dat gold ook voor broers en zussen, die vaak geen weet hadden van elkaars bestaan. Daardoor hebben ze geen groepsidentiteit ontwikkeld en hebben ze problemen, zoals rond geboorteakten, altijd individueel proberen op te lossen.”

Dat veranderde pas nadat Jacqui Goegebeur, zelf een metis, in aanloop naar het 50-jarig jubileum van de dekolonisatie een tentoonstelling maakte en op zoek ging naar verhalen van lotgenoten. Het leidde tot het onderzoeksproject van historica Heynssens en de oprichting van de Vereniging Metis van België, waarvan Goegebeur ondervoorzitter is.

Maar dat er nu pas kennis en excuses zijn, zegt ook veel over de Belgische omgang met het koloniale verleden, zegt Heynssens. “Het bewustzijn daarover komt langzaam op gang. In vergelijking met andere landen zijn we daar heel traag mee.” Begin dit jaar weigerde premier Michel nog zijn excuses aan te bieden voor het koloniale verleden van zijn land, nadat een VN-werkgroep hem daartoe opriep.

Grote stap

In die context zijn de excuses aan de metissen ‘een grote stap’, meent Goegebeur. “Men beseft dat ze mensen leed hebben aangedaan. Michel heeft ook een duidelijk pardon uitgesproken naar de moeders, die vaak dachten dat hun kinderen gestorven waren. Dat is voor het eerst en daar ben ik redelijk euforisch over.”

Dat geldt ook voor Jaak Albert, die naar eigen zeggen kampt met een ‘onwaarschijnlijk minderwaardigheidscomplex’. “Het is rijkelijk laat, maar wat ze ons hebben aangedaan staat nu zwart op wit. Ik heb het idee dat ik iets van mij af kan schudden: ik voel me eindelijk geloofd en gehoord. Hiermee wordt ons verhaal hopelijk eindelijk onderdeel van de kennis over de Belgische geschiedenis.”

Maar het is ook slechts een eerste stap, voegt hij eraan toe. “De grote vraag is nu of er concrete oplossingen komen. Of ze bijvoorbeeld onze geboorteaktes gaan regulariseren.”

Net als de meeste metissen heeft Albert geen officiële geboorteakte. “Er is alleen een document waarin staat dat ik ‘in juli 1952’ ben geboren.” Vandaar dat hij zowel voor zijn eerste als voor zijn tweede huwelijk naar de rechter moest voor een ‘akte van bekendheid’. “Ze hebben ons keer op keer met een onwaarschijnlijke bureaucratische rompslomp opgezadeld. Massa’s energie, tijd en geld heb ik eraan verspeeld.”

Jaak Albert

Er zijn zelfs metissen die kampen met grotere problemen, zegt Goegebeur. Zo heeft een aantal nog altijd geen Belgische nationaliteit gekregen en is er een vrouw zonder geboorteakte die al zes jaar wacht op toestemming van de rechter om te kunnen trouwen. Er is ook een man met geboortedag ‘nul’ op zijn paspoort. “Hij wordt bij reizen telkens weer door de douane apart genomen.”

Bij het uitspreken van de Belgische excuses beloofde premier Michel dat de overheid zulke individuele problemen zal bekijken. Het ministerie van justitie zal ‘binnen het bestaande wettelijk kader zo veel mogelijk en zo snel mogelijk oplossingen aanreiken’, aldus Michel in zijn toespraak.

Heynssens: “Het lijkt erop dat hij daarmee die geboorteaktes belooft, maar ambtenaren op het ministerie zeiden eerder dat dat niet zo evident is. Ik ben daarom geneigd af te wachten. De excuses zijn in ieder geval een belangrijk symbolisch engagement.”

Rechten herstellen

Om te voorkomen dat mensen met problemen blijven zitten wil de Vereniging Metis van België dat er een onderzoekscommissie komt. “Zoals die er voor de Joodse gemeenschap kwam na de Shoah”, zegt Goegebeur. “Die commissie kan de omvang van het leed vaststellen, onze rechten herstellen en bepalen waar wij recht op hebben, zodat het ons niet nog meer tijd, geld en energie kost. Men moet de problemen voor ons als groep oplossen. België heeft er moedwillig een rommel van gemaakt en onze identiteit gestolen. Dat moet worden rechtgezet.”

Vooralsnog heeft de Belgische regering alleen geld vrijgemaakt voor meer wetenschappelijk onderzoek en het beter doorzoekbaar maken van de archieven, want die zijn nog altijd erg ontoegankelijk, zegt historica Heynssens.

Tijdens haar onderzoek ontdekte ze dat er vaak niet eens inventarissen waren van de archieven. Uiteindelijk bekeek ze alle dossiers van de metissen uit Burundi en Rwanda – een duizendtal – en maakte ze een databank. ‘Kind en gezin’, dat metissen helpt bij hun zoektocht, neemt regelmatig contact met haar op om de juiste dossiernummers te achterhalen. “Zij hebben sinds 2015 speciale medewerkers bij de dienst adoptie die metissen helpen. Aan Waalse zijde zijn die er niet omdat adoptie absurd genoeg een gewestelijke verantwoordelijkheid is.”

Maar ook voor Jaak Albert zijn er nog losse eindjes. Hij kent nu weliswaar de naam van zijn moeder, hij heeft haar niet kunnen traceren. “De vraag is of ze nog leeft, zeker na de genocide van 1994.” Uit zijn dossier bleek ook dat zijn vader destijds in Rwanda een spaarrekening voor hem had aangelegd bij de koloniale bank. “Daar hebben ik en mijn pleegouders nooit iets van gezien.”

Lees ook:

Hoe dekoloniseer je een koloniaal museum? ‘Het lukt niet met kleine ingrepen’

Koning Leopold II van België liet 120 jaar geleden het Congo-museum in Tervuren bouwen, als pronkstuk voor het kolonialisme. Vandaag heropent het na een renovatie als AfricaMuseum, met een kritische blik op het verleden.

Europese musea kunnen zich schrap zetten: koloniale kunst moet terug

Wat moeten we met koloniale kunst van omstreden herkomst? Nou, teruggeven maar. Dat staat in een advies aan de Franse president Emmanuel Macron, dat vrijdag verschijnt. Europese musea kunnen zich schrap zetten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden