J'accuse

'De Joodse pioniers die Palestina letterlijk op de woestijn en het moeras veroverden, kenden geen enkele illusie over het oude Europa dat zij hadden verlaten.'

Leon de Winter

In dit drie pagina's lange pamflet, J'accuse, klaagt de schrijver Leon de Winter de Europese media en politiek aan: 'Iets is erg aan het rotten in de staat Europa; de stank van zijn hypocrisie is misselijkmakend'.

Volgens De Winter ligt de grondslag van het conflict in de grote Palestijnse en Arabische weigering om Israël als Joodse staat te accepteren. Maar tegelijkertijd is het ook de vorm waarin een veel dieper liggend conflict aan de orde komt: dat van de catastrofale culturele en economische stagnatie van de Arabisch-islamitische cultuur.

1. De pr-ramp

Sinds Israëlische tanks op 29 maart de steden op de Westelijke Jordaanoever zijn binnengetrokken, zijn er talloze onschuldige burgers om het leven gekomen. Palestijnse woordvoerders laten geen kans voorbijgaan om drie woorden continu te herhalen: 'genocide', 'oorlogsmisdaad', bloedbad'. Zij willen de wereld vertellen dat Israël met opzet massaal burgers doodt. Israëlische woordvoerders zeggen dat zij in gevecht zijn met Palestijnse terroristen, die met opzet Joodse burgers doden, en dat in hun strijd onbedoeld Palestijnse burgers worden getroffen.

In het collectieve geheugen van de openbare mening zakken de feiten razendsnel weg en de afgelopen dagen is er nauwelijks meer gerefereerd aan de oorzaak van de massale aanwezigheid van het Israëlische leger in de steden op de Westelijke Jordaanoever. Het lijkt me zinvol ze te memoreren: Israëlische tanks staan in Ramalla en Hebron omdat er op 27 maart jongstleden in Netanja een aanslag werd gepleegd. In het Park Hotel blies een man uit het Palestijnse dorp Toelkarem zichzelf met 26 Joden op. Deze Joden waren die avond bijeen gekomen om met elkaar Seideravond te vieren, de belangrijkste avond in de Joodse traditie.

Het volgende gebeurt op een Seideravond: terwijl iedereen stil en plechtig toekijkt - alle aanwezigen feestelijk uitgedost, in afwachting van een gezellige maaltijd met veel eten en drinken, gezang, lastige kinderen en dronken ooms - stelt aan het begin van de avond de jongste aanwezige jongen de vraag waarom deze avond anders is dan alle andere avonden. De vraag is de inleiding op het verhaal dat deze avond verteld wordt: de uittocht van de Joden uit Egypte, waar ze slaven waren, onder leiding van Mozes.

Het is zo goed als zeker dat er nooit een historische Mozes heeft bestaan (zoals er sterke vraagtekens gezet kunnen worden bij de aanwezigheid van Joodse slaven in Egypte), maar de betekenissen van het verhaal van Mozes stijgen uit boven zijn twijfelachtige historiciteit. Zo belanden bij de Joden de Stenen Tafelen waarin de Tien Geboden gebeiteld zijn, een revolutie in de menselijke ethische geschiedenis. Verder legitimeert het verhaal van Mozes de verovering van het Beloofde Land door de Joden, een typische mythe die de overgang van een nomadisch bestaan naar permanente vestiging kenmerkt.

Op Seideravond wordt deze belofte van God zo breed mogelijk uitgelegd: de aarde is door God aan de mensen beloofd, ze moeten er slavernij, bijgeloof, armoede en onrechtvaardigheid bestrijden. Dit wordt op Seideravond beleden, door bijna elke Joodse familie waar ter wereld dan ook, gelovig of ongelovig, want het verhaal drukt tijdloze, universele waarden uit.

De zelfmoordenaar die op Seideravond het Park Hotel in Netanja binnenliep om zoveel mogelijk Joden te vernietigen, vernietigde daarmee die waarden. Zijn daad drukt minachting uit, niet alleen voor zijn eigen leven en het leven van de mensen die hij de dood injoeg, maar ook voor de joodse cultuur van de waarde en waarheid van het leven. Zijn daad was geen uiting van verzet tegen de Israëlische bezetting van zijn dorp maar was een daad die door elke Jood in de wereld op slechts één manier begrepen kon worden: die avond verspreidde deze zelfmoordenaar de boodschap dat in het Midden-Oosten de Joden nooit geduld zullen worden. Zijn aanslag was een oorlogsverklaring.

Israël had geen andere keuze dan de tocht naar de Palestijnse steden die mensen als de zelfmoordenaar van Netanja voortbrengt. Geen enkele regering, van links of van rechts, had de periode van zelfbeheersing die eraan vooraf was gegaan - door de aanwezigheid van generaal Zinni, de Amerikaanse afgezant, werden twee weken lang andere, ook bloedige zelfmoordaanslagen niet gewroken - kunnen voortzetten. De Joodse staat is een reactie op Europees antisemitisme en de moord op de Joden in Europa, en als de staat niet met geweld zou antwoorden op een dergelijke, door jodenhaat gedreven moordaanslag, zou de staat zijn eigen grondslagen verloochenen. Israël, een land dat sinds zijn ontstaan in 1948 geen dag vrede heeft gekend, beantwoordde de oorlogsverklaring met een oorlog.

Israël vormt een uitzonderlijk verschijnsel in het Midden-Oosten. Het is een democratie naar westerse normen in een zee van Arabisch-islamitische dictaturen. Toch is de bijzondere band tussen westerse landen en Israël slechts ten dele op hun gemeenschappelijke kenmerken gebaseerd. Europese landen zijn niet kieskeurig en onderhouden soms ook uitstekende betrekkingen met dictaturen als er wat te verdienen valt, en het is duidelijk dat de Arabische wereld op den duur veel belangrijker voor Europa is dan Israël: olie, gas en onverbiddelijke geopolitieke en demografische ontwikkelingen zullen Israëls rol in de toekomst van het Midden-Oosten tot een onbetekenend fenomeen reduceren. De Europese betrekkingen met Israël worden dan ook niet gedragen door positieve ideële of economische belangen maar door de naweeën van de Tweede Wereldoorlog.

Het ontstaan van Israël kan niet buiten de historische context van het antisemitisme worden gezien. De opkomst van de burgerlijke samenlevingen in de negentiende eeuw gaf vele minderheidsgroepen de kans om zich te emanciperen en ook de Europese Joden kregen burgerrechten, maar die bleken geen einde te maken aan hun eeuwen durende achterstelling. Integendeel, in met name Frankrijk, Rusland en het Habsburgse Rijk ontstonden virulente antisemitische bewegingen. Als reactie hierop vonden veelal seculiere Joden het antwoord in het zionisme, de beweging die voor de Joden een eigen land zocht. Na extreem bloedige pogroms in Oost-Europa kwamen grote Joodse emigratiestromen op gang. Naar Amerika en Palestina.

De Joodse pioniers die Palestina letterlijk op de woestijn en het moeras veroverden, kenden geen enkele illusie over het oude Europa dat zij hadden verlaten. Zij waren ervan overtuigd dat aan de eeuwenoude reeks boeken over de Europese vervolging van de Joden ook in de komende twintigste eeuw nieuwe delen zouden worden toegevoegd. Hun argwaan ten opzichte van Europa bleek niet zo veel later bewaarheid te worden.

Maar tegelijkertijd bleven de stichters van Israël Europeanen. Met Europese gewoontes, modes, grillen, ideologische bezetenheden, paradoxen. Ze wilden een moderne Europese democratie stichten maar ook hun religieus-etnische achtergrond, waarvoor vele generaties vóór hen vermoord waren en die zij ondanks hun atheïstische levenshouding koesterden, in de grondslagen van hun natie vastleggen. Zij wilden een nieuw land stichten en het Europa dat zij geliefd en gevreesd hadden voortzetten.

Toen de immigranten in groten getale binnenkwamen ontstonden er vrijwel meteen gewelddadige confrontaties met Palestijnse Arabieren. Decennia vóór de stichting van Israël in 1948 vielen er vele doden bij aanslagen en wraakacties die weer tot wraakacties leidden. Het was duidelijk dat de vlucht van Europese Joden naar het Britse mandaatgebied Palestina op ernstig verzet van de autochtone bevolking stuitte. Maar het was ook duidelijk - en de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog namen elke twijfel daarover weg - dat in Europa de Joden geen toekomst hadden.

Tot op de dag van vandaag is de Joodse huiver ten opzichte van Europa groot. In feite: ten opzichte van de gehele niet-Joodse wereld. Na de Shoah en vier oorlogen met zijn dictatoriale Arabische buren vertrouwt Israël alleen op zijn eigen instinct en kracht. Geen belofte, geen eed, geen verdrag wordt zonder meer geloofd. Israëliërs, en vele Joden in de wereld, ervaren hun bestaan niet als het vanzelfsprekende resultaat van een vanzelfsprekende ontwikkeling van vele generaties voorvaderen. Veel Israëlische Joden beseffen dat zij dankzij het toeval door de fijne mazen van het net van de geschiedenis zijn gekropen - het net van het Europese antisemitisme en het net van het Arabische verzet tegen hun komst naar het land van hun bijbelse voorvaderen (aan wie de originele seculiere pioniers trouwens weinig belang hechtten). Het wonder van het toeval heeft een specifieke mentaliteit veroorzaakt die geen ruimte laat voor illusies over de rest van de wereld: de dreiging is constant, de ondergang om de hoek. En de feiten bewijzen dat zij gelijk hebben.

In de militaristische traditie in Israël is deze fundamentele argwaan manifest geworden. In geen enkele periode van de aanwezigheid van Joden in Israël en in de halve eeuw die daaraan vooraf ging, heeft hun aanwezigheid in Palestina geen weerstand opgeroepen. Het ligt voor de hand wat er met de meeste Joden gebeurd zou zijn als zij in Europa waren gebleven, en naar elders konden zij niet aangezien de meeste landen quota instelden of de grenzen geheel sloten. Met een haat-liefdeverhouding ten opzichte van het continent dat zij verlaten hadden, kwamen de Joden naar Palestina, en de autochtone Arabieren zagen met lede ogen aan hoe de Joden land kochten, arrogant naar hun eigen normen en waarden leefden zonder de lokale tradities te respecteren, en materialisme en andere Europese afwijkingen introduceerden en de Arabieren als tweederangs behandelden. De aanwezigheid van zoveel energieke Joden was des te vreemder omdat de islamitische traditie Joden als tweederangs mensen beschouwt, als laffe verraders van Mohammed die daarom eeuwenlang met minachting door de moslims werden behandeld.

Schuldgevoel over het lot van de Joden in de Tweede Wereldoorlog werd hoorbaar toen de internationale gemeenschap zich op 29.11.1947 over resolutie 181 boog, en door dit schuldgevoel is de omgang tussen Israël en West-Europese landen altijd krampachtig en gespannen geweest. De Israëliërs waren zelden terughoudend in het uitspelen van de A(ntisemitisme)-kaart, en dat leidde jaren geleden al tot het verwijt dat de Joden wel erg zwaar op het Europese morele gemoed werkten wanneer er door Israël om economische of militaire steun werd gevraagd.

Maar sinds de Libanon-oorlog van 1982 is het Europese schuldgevoel aan slijtage onderhevig. De Israëlische Libanon-operatie is in de loop der jaren uitgegroeid tot een omslagpunt in de beeldvorming van Israël in de Europese publieke opinie. De rol van Sjaron, die aan de operatie leiding gaf, wordt momenteel door de Belgische justitie onderzocht en daarmee rekent de openbare mening de verantwoordelijkheid voor de slachtingen in Sabra en Sjatila in toenemende mate toe aan Israël.

Ook in dit geval is het collectieve geheugen van het publiek uiterst kort, maar de feiten vertikken het om aan die verantwoordelijksheidsverschuiving mee te doen. De Libanese burgeroorlog was al jaren gaande voordat Israël besloot om in te grijpen. Het begin van die burgeroorlog lag in zekere zin in Jordanië, waar koning Hoessein in september 1970 vele duizenden Palestijnen die zijn monarchie en staat bedreigden, liet afslachten. Hij verdreef Arafat en zijn getrouwen naar Libanon, waar de PLO en andere Palestijnse strijdgroepen binnen enkele jaren persoonlijke wingewesten opbouwden, staatjes binnen de staat, gebaseerd op geweld, corruptie, zelfverrijking, misdaad. Door Arafats aanwezigheid begon het wankele Libanese maatschappelijke bouwwerk te schuiven en een bloedige burgeroorlog ontstond. In die chaos trok het Israëlische leger Libanon binnen. Geen enkele Israëlische soldaat heeft deelgenomen aan de slachtingen in Sabra en Sjatila en evenmin heeft een Israëlische order de moordpartij bevolen, maar omdat de Israëlische minister van defensie - Sjaron - van de bedoelingen van de christelijke (!) milities had moeten weten (en vermoedelijk heeft Sjaron daarvan geweten) wordt hij nu door de openbare mening persoonlijk verantwoordelijk gehouden voor Sabra en Sjatila. Als Sjaron op deze manier medeplichtigheid wordt toegerekend, dan is ook Voorhoeve persoonlijk medeplichtig aan Srebrenica.

Van Sabra en Sjatila heeft Israël zich publicitair niet meer weten te herstellen. Het verwrongen beeld dat Europa van de Joodse staat koesterde, gebaseerd op de wonderlijke opstanding van de zwakke, vervolgde, wijze en gelouterde Jood die noest arbeidend de woestijn tot bloei bracht, werd vervangen door het beeld van arrogante, zich van god noch gebod aantrekkende militairen die willens en wetens een ander volk onderdrukten om hun land tot aan de Jordaan uit te breiden. De slachtpartij die in hetzelfde jaar in het Syrische Hama, vlak boven Libanon, plaatsvond en die twintigduizend doden ten gevolge had (Sabra en Sjatila wordt op minder dan duizend geschat), telt in de wereldopinie niet mee omdat daar Arabieren elkaar onderling afslachten, en dat heeft nauwelijks nieuwswaarde.

2. Wanhoop

Van underdogs werden de Israëlische Joden de topdogs, en van topdogs wil de Europese openbare mening, die grotendeels wordt bepaald door linkse journalisten en commentatoren, niets weten. In hun ogen is bijna per definitie de onderliggende partij de rechthebbende partij, een selectieve intellectuele houding die in de loop van meer dan een halve eeuw tot potsierlijke verschijnselen heeft geleid, van juichende berichten van fellow-travellers die de Sovjet-Unie en maoïstisch China bezochten tot gefilterde berichtgeving over Midden-Amerikaanse heilstaten en, vooral, de ridiculisering van de Verenigde Staten, en die ridiculisering is het hart van de linkse liturgie. Voor islamitische extremisten geldt Israël als de Kleine Satan, voor de linkse Europese intelligentsia als Klein Amerika.

David Brooks, medewerker van Newsweek en The Atlantic Monthly en redacteur van The Weekly Standard, een conservatief Amerikaans tijdschrift, schrijft in de laatste uitgave van de Standard over het verschijnsel van de Europese 'bourgeoisofoben', de haters van 'stomme kruideniers en hun soort' (een citaat van de estheet Flaubert, die zijn stukken ondertekende met 'Bourgeoisophobus'). Brooks heeft het over het al lang bestaande intellectuele dédain van Europeanen ten opzichte van Amerika: ,,Amerika en Israël zijn in hun ogen de geldbeluste molochs van de aarde, de vulgariseerders van de moraal, corrumpeerders van de cultuur, en de verspreiders van goddeloze waarden. Deze twee naties, zo wordt gezegd, bedrijven aanvalskapitalisme, lopen armere landen onder de voet en exploiteren zwakkere buren in hun eindeloze verlangen naar meer en meer. (...) Het conflict om Palestina, eens een lokaal conflict over land, is omgevormd tot een grote culturele botsing. De brede club van bourgeoisofoben - Jasser Arafats guerrilla-socialisten, Hamas' Islamitische fundamentalisten, José Bové's antiglobalistische link-sen, Amerika's antikoloniale multiculturalisten, en BBC's Oxbridge mediacraten - richten hun verschillende vormen van woede en ressentimenten op dit ene conflict.''

Anti-Amerikanisme, modieuze ideologische ideeën die alles wat zich links en anders noemt ongezien de waarheid toedichtten, en het ontstaan van goed functionerende Palestijnse propagandaorganen die erin geslaagd zijn de schuld van Sabra en Sjatila in Israëls schoenen te schuiven, veroorzaakten in de loop der jaren een atmosfeer waarbinnen het Europese schuldgevoel ten aanzien van de Joden kon oplossen.

Velen vinden dat de Israëliërs - de Joden - het Westen met het wapen van het antisemitisme - een zwaar wapen dat elke discussie verstikt door zijn beroep op de Shoah - in een morele gijzeling hebben gehouden. Het klinkt de afgelopen weken door in opmerkingen die in commentaren in kranten en op tv en ingezonden brieven worden geuit: de Joden, die Europa de Shoah ten laste leggen, zouden beter moeten weten maar ze bedrijven nu zelf misdaden die voor de Shoah niet onderdoen.

Het is van belang die Israëlische misdaden, die door sommigen (zoals Volkskrant-columnist Marcel van Dam) met nazistische praktijken vergeleken worden, te identificeren.

De mensen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever zijn wanhopig, wordt gezegd. Dat zijn ze ook. Hun wanhoop ontstaat, zo wordt al jaren geschreven, uit twee bronnen: gebrek aan vrijheid en gebrek aan economische voorspoed. Zijn er cijfers die iets over hun sociaal-economische omstandigheden vertellen? Die zijn er. En die cijfers vertellen een vreemd verhaal.

Voordat de huidige intifada uitbrak, waren de sociaal-economische omstandigheden van de gemiddelde Palestijn in de Bezette Gebieden beter dan die van de gemiddelde burger in Egypte of Jordanië. Dit zijn de cijfers in de World in Figures van The Economist: in 1998, toen er nog hoop op vrede bestond, was het Bruto Nationaal Product, een belangrijke indicator voor welzijn en welvaart, per hoofd van de bevolking in de Gebieden 1560 dollar. In Egypte bedroeg dat 1290 dollar, in Jordanië 1150 dollar.

Verder was de gemiddelde Palestijn relatief vrij - beperkt door de Israëlische militaire censuur - om zijn politieke meningen te uiten en om partijen en samenkomsten te organiseren, vrijheden die hij in de Arabische buurstaten (alle politiestaten) veel minder of zelfs in het geheel niet heeft. Sociaal-economisch had de gemiddelde Palestijn onder de Israëlische bezetting dus geen slechter leven - integendeel zelfs, het ging hem beter - dan een Syrische burger onder de dictatuur van een autocratische Syrische elite.

Wie de geschiedenis van de cijfers onderzoekt, komt tot vaststellingen die onthutsend zijn: voor de Oslo-akkoorden van 1993 was het BNP per hoofd van de bevolking in de Westelijke Jordaanoever 3500 dollar en in Gaza 2800 dollar, een veelvoud van het BNP in de omringende olie-arme Arabische landen. Na de terugkeer van Arafat in mei 1994 en de overdracht van het burgerlijk bestuur aan de Palestijnse Autoriteit loopt het BNP sterk terug, veroorzaakt door chaos en corruptie en door de afsluitingen van de Gebieden door Israël als strafmaatregel na terroristische aanslagen. De conclusie is onontkoombaar: de Israëlische bezetting leidde tot een naar Arabische begrippen economische bloei, die, als deze in Egypte zou hebben plaatsgevonden, tot grote wereldwijde voldoening zou hebben geleid.

Dan is er nog een opmerkelijk feit dat enige uitleg verdient. Het grondgebied van Gaza en de Westelijke Jordaanoever is verdeeld in drie soorten gebieden, genaamd A, B en C. In A, waarin alle grote Palestijnse steden op de Westelijke Jordaanoever liggen, vallen zowel het burgerlijk bestuur als de politie- en veiligheidstaken toe aan de Palestijnse Autoriteit. Ook in B is het burgerlijk bestuur voorbehouden aan de Palestijnse Autoriteit maar worden de veiligheidstaken gedeeld met Israël. In C hebben uitsluitend de Israëliërs het voor het zeggen.

A en B samen vormen 42 procent van de totale oppervlakte van Gaza en de Westelijke Jordaanoever, de C-gebieden beslaan 58 procent van de grond (die Barak wenste over te dragen, inclusief het beheer over Oost-Jeruzalem). Israël heeft dus nog steeds de controle over veruit het grootste deel van het land. Maar in A en B woont 99 procent van de Palestijnse bevolking, en dat is een opmerkelijk en slecht bekend feit: de Palestijnse Autoriteit van Arafat heeft dus de controle over 99 erocent van de Palestijnse bevolking. Slechts 1 procent van de bevolking woont in de dunbevolkte C-sectoren.

Er bestaat een sterk verschil tussen de controle van de grond en het bestuur over de bevolking. Maar dit tast de zelfstandigheid van het Palestijnse zelfbestuur niet aan. De Palestijnen beschikken over een parlement, ministeries, overheidsorganen, en één ding wordt hun door de Israëliërs onthouden: een onafhankelijke staat met een eigen leger. Maar de facto en de jure leven de meeste Pa-lestijnen al jaren lang met een eigen Palestijnse overheid, die ruimschoots de kans heeft gekregen om een begin te maken met de opbouw van een democratische, burgerlijke samenleving. Dat heeft de Palestijnse overheid nagelaten. Ziekelijke corruptie en ernstig bestuurlijk onvermogen hebben niet alleen een economische chaos veroorzaakt maar ook een klassieke bandietenstaat met een politiemacht die mensen kidnapt om ze vervolgens tegen een losprijs vrij te laten, met standrechtelijke executies, door machthebbers gelegitimeerde diefstal en roof van Europese subsidiegelden. De wanhoop kan worden overstemd met de strijd tegen Israël, die al lang de Palestijnen de ruimte voor de opbouw van een eigen samenleving had geboden, maar het is enkel en alleen aan de Palestijnse Autoriteit te wijten dat de Palestijnen het momenteel veel slechter hebben dan onder de Joodse bezetter.

Tijdens de Zesdaagse Oorlog in 1967 bezette Israël Gaza, de Westelijke Jordaanoever en de Sinaï. De volledige afwijzing van het door Israël aangeboden vrede-voor-land principe door de Arabische landen bij de Conferentie van Khartoem op 1 september 1967 leidde tot twee rampen: de sluipende, de facto annexatie door Israël van de Gebieden, geleid door nationalistische religieuzen die in de verpletterende overwinning de hand van God zagen, en de verharding van de afwijzing van het bestaan van Israël door de Arabische wereld, die in hun nederlaag de hand van Satan zag.

Vóór 1967 leefden de Palestijnen vrij van Israëlische onderdrukking in Gaza en de Westelijke Jordaanoever, gebieden die beheerst werden door hun Arabische buren. Deze buren stelden alles in het werk om hun gasten elke vorm van normaliteit te onthouden. Terwijl Israël miljoenen Joodse vluchtelingen opnam, weigerden de buren Pa-

lestijnse vluchtelingen te laten assimileren. Het doel van de buren was de Palestijnse vluchtelingen te gebruiken als drukmiddel voor hun eigen lokale of regionale ambities.

De bezetting van de Westelijke Jordaanoever en Gaza door Israël was een verlichte bezetting. Een bezetting bleef het. Er werd controle gevoerd over mensen die daarvoor niet gekozen hadden. En die in hun relatief grote economische voorspoed (vergeleken met de omringende Arabische landen) geen aanleiding vonden om de bezetter te accepteren. Ook weken hun beperkte vrijheden (beperkt vergeleken met die van Israëliërs of West-Europeanen) niet noemenswaardig af van die van hun Arabische broeders. Hun 'wanhoop' heeft dus een andere bron.

3. Antisemitisme en Schuldgevoel

Terwijl Koerden - die in hun onafhankelijkheidsstreven in niets afwijken van de Palestijnen - in de afgelopen decennia bij honderdduizenden zijn vergast en afgeslacht, terwijl extreem bloedige Arabische oorlogen en burgeroorlogen werden en worden gestreden, die aan miljoenen mensen het leven hebben gekost, terwijl op dit moment Rusland op brede schaal in Tsjetsjenië operaties uitvoert waarbij vergeleken de Israëlische operaties kinderspel zijn, houdt de Israëlische behandeling van de Palestijnen - in omvang en dodentallen een relatief beperkt conflict - de verbeelding van West-Europa in de ban.

Het valt niet te ontkennen: na terroristische aanslagen op Israël worden Palestijnen collectief gestraft met wegversperringen en de vernietiging van gebouwen (waarbij, dat kan evenmin ontkend worden, te vaak onschuldigen de dood vinden). Vooraf worden de Palestijnen gewaarschuwd wanneer een gebouw wordt vernietigd. En de Palestijnen vertrouwen daar ook op. Zij weten dat de Israëliërs nooit met gelijke munt terugbetalen en nimmer drukbezochte restaurants, cafés of hotels in Hebron en Ramalla zullen opblazen, maar als westerse democratie angstvallig precies de verantwoordelijken van de aanslagen moeten uitzoeken en bij vergissingen onbarmhartig door de eigen en westerse pers worden gestraft. De vernederingen bij wegversperringen zijn een beschaafde natie onwaardig en de vergeldingsacties zijn niet altijd in verhouding - toch zijn het maatregelen die in de ongehoord wrede cultuur van het Midden-Oosten een geintje zijn, vergeleken met de manier waarop Arabieren elkaar onderling of de autocratische Arabische overheden hun onderdanen behandelen.

Tot de Eerste Intifada uitbrak bestonden er nauwelijks wegversperringen. Tussen 1967 en 1989 waren de grenzen tussen Israël en de Bezette Gebieden open. De Eerste Intifada heeft ze doen ontstaan, en na elke aanslag nemen ze in aantal toe om daarna, na weken of maanden, weer af te nemen.

Er is tussen gewapende groepen zwaar gevochten, met name in Jenin, en er zijn vele onschuldigen gedood. De Palestijnse propaganda, en de West-Europese media, wil doen voorkomen dat Israël zich schuldig maakt aan genocide. Berichten over massa-executies worden dagelijks verspreid en door West-Europese media overgenomen. Gemakzucht, gebrek aan kennis en de politieke correctheid van dit moment geven de journalisten kennelijk het gevoel dat ze niet tev eel moeten nuanceren en de beelden van wrede tanks die onschuldige burgers terroriseren voor zichzelf moeten laten spreken.

Maar beelden spreken zelden voor zichzelf. Een reportage van het ARD, het eerste Duitse tv-station, heeft onlangs ernstige twijfel gezaaid over een van de iconen van de huidige opstand: de dood van een Palestijns jongetje in de armen van zijn vader. Het is een beeld dat de wereld is rondgegaan: op 6 oktober 2000 stierf Mohammed Al-dura, een 12-jarige jongen, door gerichte Israëlische schoten. Hij werd diezelfde dag nog de posterboy van de opstand. De Duitse reportage doet op zijn minst twijfel ontstaan over de richting van de kogels en het vermoeden dat hij niet door Israëlische maar door Palestijnse kogels werd gedood is hierdoor volop gewekt, maar het leek wel of de Nederlandse pers zich voor deze twijfel geneerde - men heeft er dan ook geen melding van gemaakt (op deze krant na).

De Volkskrant van zaterdag 6 april geeft een staaltje van ongenuanceerde meningsbeïnvloeding. De krant drukte vier foto's af met als onderschrift: ,,Een Palestijn wordt in Ramallah tijdens een vuurgevecht door een Israëlische sluipschutter doodgeschoten''. Foto 1 laat zien dat de man die later wordt gedood zelf een automatisch wapen vuurt, foto 2 laat zien dat hij geraakt wordt, foto 3 dat hij valt, en foto 4 laat zien dat zijn kameraden zich over zijn lichaam ontfermen. In het onderschrift wordt neutraal gemeld dat het om 'een Palestijn gaat', terwijl het duidelijk is dat hij een gewapend, schietend Palestijns militielid is; de Israëliër is niet 'een Israëliër' maar een 'Israëlische sluipschutter', dus een laffe moordenaar die zich verborgen houdt en stiekem zijn slachtoffers doodt. De tekst biedt bij de foto's een interpretatie die stuurt, selecteert, misleidt.

Een opmerkelijke lacune in de berichtgeving in Europa over Arafats bestuur in Gaza en de Westelijke Jordaanoever en in de Arabische wereld betreft de onafgebroken antisemitische propaganda. Good old jodenhaat, met de bekende stereotypen, is een geaccepteerd, dagelijks onderdeel geworden van de Arabische openbare mening (die overigens volledig door de overheden gecontroleerd wordt), maar slechts incidenteel heeft de Europese pers daarvan verslag gedaan. Door de onophoudelijke hersenspoeling van de Arabische volkeren hebben hun haatgevoelens grote hoogten bereikt. Recentelijk publiceerde een Saoedische overheidskrant een tweedelig verhaal over een oude antisemitische mythe over het gebruik van niet-Joods mensenbloed, verkregen door moord, door Joden bij bepaalde gerechten. Over die artikelen ontstond in de Amerikaanse pers zoveel ophef dat de Saoediërs een voorzichtige verontschuldiging afdrukten.

Een meerderheid van de Arabieren gelooft dat de Joden de Twin Towers hebben aangevallen. Momenteel worden in de Arabische pers de Joden er zelfs van beticht dat zij zelf de aanslagen in

Netanja, Tel Aviv en Jeruzalem hebben gepleegd om een bezetting van de Westelijke Jordaanoever te rechtvaardigen. De Arabische pers, met Al-Jazeera voorop, beschrijft de Israëliërs als kinder- en vrouwenmoordenaars, plunderaars en dienaren van een kosmisch kwaad, dat de islam wil vernietigen. Paranoia en het denken in samenzweringstheorieën hebben in de Arabische wereld een klimaat doen ontstaan waarbinnen primitief religieus fanatisme en virulent antisemitisme tot bloei zijn gekomen.

Maar de West-Europese media, die die tendensen in verbijstering zouden moeten gadeslaan, zwijgen erover, alsof ze genoeg hebben van het A-woord. Velen vinden dat sinds 1945 de Joden bewust en onbewust morele chantage hebben gepleegd en daarmee geprobeerd hebben om geld op te halen en ruimte te scheppen voor de onderdrukking van de Palestijnen. Europees schuldgevoel, en de verdenking van morele uitbuiting hiervan door Joden, vormen de ondergrond van de westerse obsessie met Israël.

4. Schaamte

Binnen twee dagen na de Israëlische inval in Ramalla is in de Europese publiciteit de verbinding tussen Netanja en het Israëlische militaire optreden verdwenen. Weg waren de beschrijving en de fatale gevolgen van de antisemitische aanslag, en volop aanwezig waren de geruchten over ongehoord wreed Israëlisch militair optreden, geruchten die slechts zelden werden herroepen.

Sinds 1967 hebben de Palestijnen in de Bezette Gebieden onder een bezetting door de Israëliërs geleefd. Maar elke vergelijking met de Shoah is een levensgevaarlijke Umwertung aller Werte. Wie het lot van mijn grootouders of ooms en tantes gelijkstelt aan het lot van de Palestijnen onder de Joden, is een antisemiet.

Tot oktober 2000 weken de toekomstperspectieven, of het gebrek daaraan, van een gemiddelde Palestijn niet af van die van een gemiddelde Egyptenaar of Jordaniër. Wanhoop ontstaan uit vernedering, armoede, gebrek aan vrijheid en zelfbeschikking wordt in de Arabische wereld net zo breed gevoeld als in de Bezette Gebieden. Toch komen daar zelden of nooit zelfmoordaanslagen voor.

Een Egyptenaar heeft het net zo slecht of goed, en is net zo vrij en onvrij, net zo arm of rijk, als een Palestijn. Waarom stuurt een Palestijn wel zijn kind op pad om zichzelf met anderen te doden en een Egyptenaar niet? Het grote verschil ligt in de samenstelling van de als onderdrukkend ervaren partij. De vrijheid en welvaart van de Egyptenaar wordt bepaald - vooral: beperkt - door een in naam islamitische elite van militairen en industriëlen, maar voor een Palestijn bestaat die elite uit Joden, die al in de Koran met minachting worden beschreven en met hun sluwheid, slimheid en gegoochel met woorden en cijfers de macht in het vroegere Palestina gegrepen hebben en de welvaart gemonopoliseerd. Het BNP per hoofd van de bevolking in Israël bedroeg in 1998 16180 dollar, wat zelfs hoger was dan in het EU-land Spanje. Rijkdom die de Palestijnen, zoals zij menen, ontnomen is. Als de Joden hun land niet met oneigenlijke middelen hadden ingenomen, waren de Palestijnen welvarend en arrogant geweest (de vraag of zij dan niet veel verder dan Jordanië, Syrië of Egypte gekomen waren, stelt in hun ogen een verkeerd perspectief). In de dagelijkse confrontatie met de rijkdom (nederzettingen met luxueuze huizen, verbonden door speciale wegen) en de macht van de Joden (wegversperringen, onbegrijpelijke militaire overwinningen in vier verschillende oorlogen) ligt de sleutel tot begrip van de Palestijnse 'wanhoop'. Het gewelddadige Palestijnse gedrag valt niet te verklaren uit zijn behoefte aan vrijheid - de vrijheden van de gemiddelde Syriër beslaan een fractie van die van een Palestijn onder Israëlische bezetting in de jaren tachtig - of de bestrijding van honger - want de economische Palestijnse bloei onder de Joden was wonderlijk groot - maar iets wat met cultuur, r

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden