Itzik Galili als Sisiphus in Groningen

Terug bij af. Zo voelde de Israëlische choreograaf Itzik Galili (1961) zich toen hij met zijn acht dansers, docent-repetitor en ad-interim zakelijk leider drie maanden geleden de studio van de voormalige Dansgroep Reflex betrad. Na anderhalf jaar leegstand was er in de raamloze ruimte geen dansvloer, barre of bandrecorder meer te bekennen. Met 1,1 miljoen rijkssubsidie en 30 000 gulden huursteun van de gemeente Groningen in het vooruitzicht had Galili in november '97 de opdracht aanvaard het Noorden van Nederland een nieuwe dansgroep te bezorgen: NND-Galili Dance, standplaats Groningen, goed voor twee à drie producties per seizoen.

Deze week gaf hij in de Groningse Schouwburg zijn visitekaartje af met 'The familiar stranger'. In de naam van zijn choreografie combineerde hij de titel van J.J. Fraser's studie over het begrip tijd met Wim Kayzers televisie-serie 'Vertrouwd ... en o zo vreemd, over geheugen en bewustzijn' (VPRO, 1995). Kon het toepasselijker? Na acht hectische jaren freelancerschap zijn Groningen en Galili vertrouwde vreemdelingen voor elkaar.

Vanaf begin 1991, toen Itzik Galili in het kielzog van zijn Nederlandse vriendin naar Amsterdam kwam en zich met een stel werkloze Israëlische en Nederlandse collega's in het Amsterdamse Felix Meritis presenteerde, trok hij als een tank door de Hollandse klei. De bijna dwangmatige energie van het door hem aangevoerde groepje Order Eight (: de emergency-call in Israël) veroorzaakte een spoor van verbazing, maar ook van blessures. Het leverde hem de bijnaam 'skud' op.

Al snel bleek die skud een komeet. In 1993 won hij met zijn The Butterfly Effect de publieksprijs van het Internationale Choreografie Concours te Groningen, terwijl de beroepsjury hem beschuldigde van plagiaat. Hij zou van zijn Vlaamse collega Wim Vanderkeybus het sjouwen en smijten met bakstenen hebben afgekeken. Galili, die de bewuste voorstelling nog nooit had gezien, voelde zich 'a dead man walking'. Maar de rel legde hem geen windeieren. Zowel de nationale als internationale danswereld sprong op hem af. In minder dan tien jaar maakte hij dertig balletten, zowel grote avondvullende producties als intieme duetten. Ruim de helft daarvan studeerde hij bij zo'n veertien internationaal gerenommeerde gezelschappen in.

Het hectische bestaan ging Galili niet in zijn kouwe kleren zitten. Maar anderzijds: studio's in Lissabon, Basel, Genève, Montreal of Groningen verschillen weinig van elkaar. Het dansbedrijf, zo weet hij al lang, is een internationale commune van nomaden. Een eilandje in een woelige zee. De vlag die hij op dat eilandje plantte, is er één van sterke contrasten en een romantisch, zacht intellectueel gebruik van symbolen en beeldspraken. Kwetsbaarheid is dus hardvochtig en hartbrekend en het zwakkere geslacht is niet mooier maar wel sterker.

Ook in zijn nieuwste productie maakt Galili duidelijk dat leven en werk voor hem onscheidbaar zijn. Hij deelt de opvatting van filosoof B. Kurzweil, dat kunst uit de stilte van leed en eenzaamheid wordt geboren. Ditmaal was de stille eenzaamheid door en over zijn gestrande huwelijk met de Amerikaanse danseres Jennifer Hanna aanleiding en voedingsbodem. Die eenzaamheid werd nog benadrukt door het feit dat hij pas afgelopen juni daadwerkelijk in Groningen aan de slag kon. De eerste maanden was hij aangewezen op een hem vertrouwd vervreemdingseffect: hij moest in een veel te dure hotelkamer van twee bij twee meter overnachten. Hij kwam er nauwelijks, want maakte deze zomer overuren in de studio zonder daglicht.

Wat brengt een angry young man als Galili naar Groningen, of all places? Diplomatiek formuleert hij: “Ik ben bang dat mijn antwoord niet erg overtuigend klinkt. Ten eerste, ik ben wel angry gebleven, maar dat young klopte al niet meer toen ik in Nederland kwam. Maar mijn ervaring als choreograaf was toen wel jong. En wat betreft Groningen: voor mij had het ook Maastricht of Zwolle kunnen worden. Al jaren snakte ik ernaar om me ergens te vestigen en een gezin te maken. In Amsterdam kocht ik een huis. Ik wilde graag in Nederland blijven, waar ik ook maar een kans kreeg. Mijn enige voorwaarde was dat ik me moest kunnen blijven ontwikkelen. Dat strookte met de verwachtingen van de sollicitatiecommissie. Ik nam me voor vooral eerlijk tegenover mezelf te blijven. De marionet van het Noorden wil ik niet worden. Danspolitiek gezien was mijn benoeming het vullen van een gat met kauwgum of met een pit. Als kind kreeg ik altijd van mijn moeder het verbod om bij het eten van een perzik de pit op te eten, want dan zou er een boom in mijn buik groeien. Nu ik dus als pit wordt gebruikt, neem ik me voor daar bomen uit te laten groeien.”

Zijn eerste taak was te zorgen voor een hecht, internationaal team van hoge kwaliteit. Tijdens een auditie in de Amsterdamse Parkkerk kon hij dit voorjaar zijn keuze uit 240 gegadigden maken. In zijn achtkoppige dansersteam, dat daaruit resulteerde, verenigt hij weliswaar vijf nationaliteiten maar er wordt veelvuldig in Ivriet gesproken. Van nationalistische voorkeuren wil hij absoluut niet weten. Belangrijker is dat vier van hen reeds vertrouwd zijn met zijn stijl en werkwijze, voor de andere vier was hij nog een vreemde.

Galili: “Alle dansers zijn enorm solidair en emotioneel betrokken bij deze start. De meesten hebben hier al een onderkomen gevonden. Maar we moeten tot in de kleinste dingen kostenbesparend werken. Een structurele subsidiegarantie betekent in ons geval dat we over minder geld beschikken dan een gesubsidieerde ad hoc-productie van drie maanden. Daarom heb ik bijvoorbeeld zelf de affiches gemaakt. Heel simpel: gewoon mijn hand fotograferen voor een foto van een gorilla. Ik bedoel: willen we dat beest in onszelf zien of schermen wij die nieuwsgierigheid af zoals beroemde persoonlijkheden dat met opdringerige fotografen doen? Noem mij een opengespreide hand die hier alles wil aangrijpen. Maar ik kan mijn vingers net zo makkelijk weer sluiten, hoor!” “Ditmaal wilde ik heel bewust zonder vooropgezette choreografische of ritmisch opgelegde structuur van start gaan. Het begin- en eindpunt bestond slechts uit een door zwarte rubbermatten bedekte vloer. Een kringloop, dus.”

Vijf dagen voor de première blijkt die kringloop ruim een uur te duren, uit twee delen te bestaan en volgestopt te zijn met beeldsymboliek, Galili's specialiteit. Tijdens het eerste half uur op een sarabande van Bach en Wagners 'Lohengrin' worden de granulaattegels gelicht en moeten de acht danswezens, nu eens echt dan weer elkaars schaduw, ervoor waken niet op eigen of elkaars staart te trappen. Zoekend naar 'it' en gedreven door de wens om door iemand gekoesterd te worden, tilt één van hen wanhopig de rubbermatten op. Doordat er witte gaten in de zwarte vloer vallen, verliezen de soms ceremonieel dravende dansers steeds meer vaste grond en ruimte. In het tweede, witte deel speelt 'it' zich af, terwijl dezelfde danser, opgetogen over zijn vondst, de vloer weer even fanaat afdekt. Onderwijl bevinden alle acht zich in een draaikolk van de op acht sporen opgenomen 'The sinking of the Titanic' van Gavin Bryars en 'Spem in alium' van Thomas Tallis, in een arrangement van het Kronos Quartet.

De kostuums in 'The familiar stranger' verwijzen naar een statig verleden maar ook naar iets heel organisch: een insect dat zijn staart afstoot ter misleiding van zijn aanvaller. Galili: “In mijn zoeken naar identiteit, naar een persoonlijk statement over mezelf, zit meer dan het stappen op of loslaten van mijn eigen staart. Ik schrijf en lees veel. Just for fun waagde ik mij dit jaar aan Nietzsches 'Also sprach Zarathustra'. Ik wilde me net zo ziek als hij voelen. Ik deel zijn weigering om in religie te geloven. Gezien de orthodoxe opvoeding van mijn ouders is dat best vreemd. Met Nietzsche geloof ik dat niet religie maar kunst de wereld verder helpt. Kunst zou je een prachtige religie kunnen noemen, maar dan wel één met ruimte voor contradicties.”

“Ergens laat ik een danser nogal cynisch zeggen: 'loneliness is very filosofical'. Je kunt ook beter filosoferen in je eentje. In 'Zen or the art of motorcycling' las ik al jaren geleden dat hoe meer je geest groeit, des te eenzamer je wordt. In deze uit eenzaamheid gegroeide choreografie is het tweede deel niet de afspiegeling van een visioen, maar juist heel concreet, hoewel niet consequent doorgevoerd. Er wordt overigens voortdurend tussen verbeelding en feit gelaveerd. Het gaat over gewaarwordingen die voor jezelf vreemd en toch iedereen vertrouwd zijn. Over déja-vu's, maar ook over de functies van onze memotechnieken.”

“Van dit stuk heb ik geleerd dat er geen zekerheden zijn. Omdat ik van contradicties houd heb ik er ook reflecties van een dweepzieke toeschouwer in verwerkt, in parodievorm. Het tweede, witte deel, dat veel communicatiever van sfeer is, baseerde ik op de Sisiphus-mythe.

Als uitgangspunt nam ik 'Between L', een duet dat ik eerder op Anne Affourtit en Derrick Brown heb gemaakt.''

Sisiphus, de man die niet mag rusten en altijd weer opnieuw moet beginnen met het rollen van een rots naar de top van de berg, staat duidelijk symbool voor Galili's zelfbeeld en leefwijze. “Zou ik mijn aderen niet voortdurend met nieuwe ervaringen geïnjecteerd krijgen, dan denk ik dat ik dood ga. Mijn non-sleeping machine-gedrag is niet alleen typisch Israëlisch. Dat is mijn karakter. Die drive heb ik nodig. Het houdt ook nooit op, komt telkens weer in nieuwe golven. Soms teder, soms bikkelhard.”

Aan een beschrijving van zijn werkwijze waagt Galili zich niet. “Wel kan ik proberen dat uit te leggen.” Snel tekent hij twee pijlen, naar boven en naar beneden gericht, naast een platgeslagen cirkel. Verwoed begint hij in die figuur te krassen. “Je kunt die homp brood in rechte of schuine plakken of dwars doormidden snijden. Maar ook heel anders. Ik bedoel: ik extremiseer bewegingen in up en down, want je hebt dansers die het liefst contact met de grond houden en dansers die altijd omhoog willen. De verschillende bewegingen tussen omhoog en omlaag fragmenteer ik. Voor mij zijn ledematen als scheermessen in de ruimte. Bovendien wil ik dat dansers met zo weinig mogelijk inspanning zoveel mogelijk van hun kunnen demonstreren. Als het er acrobatisch uitziet, wil ik dat ook. Want dan zijn het daar ook het type dansers voor. Die economische dosering van energie is noodzakelijk, willen ze in mijn werk niet binnen vijf minuten een hartinfarct krijgen. Het gaat me altijd om een gevoel van gedeelde dynamiek, zonder dat dit de persoonlijke smaak en kleur aantast waarmee elke danser zijn gewicht verplaatst. Mijn nieuwe productie oogt misschien milder en gepolijster, maar is daarom niet minder extreem geworden. Dat gepolijste is de vrucht van ervaring.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden