Istanbul is mijn grond

Ooit zorgden uit Spanje verdreven Joden voor een grote bloei van de wijk Beyoglu in de binnenstad van Istanbul. Maar in de tweede helft van de vorige eeuw trokken de meeste Joden weg. De paar duizend achterblijvers probeerden zoveel mogelijk op te gaan in de Turkse samenleving. Daaraan kwam zaterdag ruw een einde, door de aanslagen op twee synagoges - vermoedelijk het werk van de terreurgroep Al Kaida.

De Joden trokken weg. Slechts wat mensen en een synagoge bleven achter in de wijk. Koerden en Turken van het platteland trokken in de mooiste gebouwen van weleer, maar zij hadden geen geld en ook geen genade met deze gebouwen. De wijk Beyoglu verpauperde. De binnenstad van Istanbul veranderde in een spookstad. En de Neve Shalom-synagoge -een parel die aan vroeger deed denken, waar de Joden uit alle delen van Istanbul naar toe kwamen om te bidden- werd afgelopen zaterdag grotendeels vernietigd door een bom die door terroristen tot ontploffing werd gebracht. De laatste Joden in de wijk beefden mee die ochtend.

,,Joden, die vind je hier bijna niet meer'', zegt een man in een theehuis. Hij woont al dertig jaar in Beyoglu. ,,Maar'', vervolgt hij even later, ,,ik kan me herinneren dat in de 'Merkezflat' twee oude Joden woonden. Ga daar maar even kijken. Als ze nog steeds in leven zijn, kun je met hen praten.'' Het huisnummer hoeft hij zich niet te herinneren, want de twee woonden als enigen nog in dat gebouw. Het is het huis waarvan de lichten moeten branden.

Er is inderdaad licht in de top van het gebouw. ,,Wie is daar'', roept een oude mannenstem. Even later doet iemand schuchter de enorme, ouderwetse buitendeur open, kijkt met een loep langdurig naar de perskaart, denkt even na en zegt uiteindelijk: ,,Kom maar binnen. Je bent welkom in ons huis.''

Pepo Varon is 82 jaar, zijn zus, Lea, is vier jaar ouder. Ze zijn allebei nooit getrouwd en hebben geen kinderen. Pepo: ,,Het is er nooit van gekomen. Een keer kwam ik heel dicht bij een huwelijk. Ons gezin had toen een groot huis met zeven kamers. Ondanks dat wilde mijn verloofde een ander huis betrekken. Het was duidelijk dat ze niet voor mijn ouders wilde zorgen. Dat kon ik niet maken tegenover mijn ouders. Lea en ik hebben ervoor gekozen om bij onze ouders te blijven en hen tot hun dood te verzorgen. En we hebben geen spijt, toch Lea?''

Lea staat de hele tijd, ze straalt van blijdschap omdat ze worden geinterviewd. Ze zegt: ,,Nee, ik heb absoluut geen spijt. Je ziet hoe die jongeren nu zijn. Ze willen dat hun ouders zo snel mogelijk sterven, zodat ze de erfenis kunnen verdelen.''

Sinds de jaren zeventig is er niets nieuws voor het huis gekocht. Alles is oud, mooi en schoon. Een uitvergroting van een zwart-wit-foto op een kast is het enige dat iets van jeugd uitstraalt. Twee jongens en drie meisjes kijken stralend in de camera. De foto is in 1940 genomen. De meisjes op de foto zijn een paar jaar ouder dan Anne Frank. ,,Kun je mij herkennen?'', vraagt Pepo. ,,Het lijkt me niet moeilijk met die grote neus van me'', lacht hij. Hij vraagt zijn zus om een zakdoekje, veegt daarmee zijn neus af en zegt: ,,Ik heb al een hele week griep. Door deze griep was ik zaterdag niet in de synagoge, anders lag ik nu misschien onder de grond.''

De afgelopen dagen hebben ze met open ramen geslapen omdat het glas kapot was door de klap van de bom. Deze avond pas hadden de glazenzetters tijd vrij kunnen maken voor hen, zo druk hadden ze het. ,,Natuurlijk hebben we overwogen om ook weg te gaan, maar ik hou van Istanbul. Tientallen vrienden heb ik hier. Laatst vroeg ik aan een kennis van me of hij een brood zou kopen voor me als ik zonder eten zat. Hij zei dat zolang hij in leven is ik me geen zorgen hoef te maken om eten. Mijn hele leven heb ik hier gewoond. Wat moet ik elders. We zijn in 1970 door mijn neven in Israël uitgenodigd. Het is wel mooi daar, maar de Joden uit Istanbul zeggen allemaal dat ze hunkeren naar Istanbul. Nooit heb ik iets naars meegemaakt hier, iedereen is altijd aardig voor ons geweest. Ik wil niet dat ik ergens anders begraven word dan in Istanbul. Dit is mijn grond.''

De Turkse Joden stammen uit Spanje. Vijfhonderd jaar geleden werden ze door de Spaanse koning uit dat land verbannen. De Turkse sultan vond het geen probleem dat de verdrevenen zich in het Ottomaanse Rijk vestigden. Deze minderheid paste zich vrij goed aan. Joden blonken uit in handel, stonden de sultans bij met hun raad, leverden ministers, leenden geld aan de staat en maakten van Beyoglu een wijk die glinsterde als een oosterse parel.

Het aantal van honderdduizenden Joden begon na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog af te nemen. In 1942 voerde de toenmalige Turkse regering, geïnspireerd door de aanpak van de Duitsers, een vermogensbelasting voor minderheden in. De belasting was zo hoog dat veel Joden al hun bezittingen van de hand moesten doen om te voorkomen dat ze bestraft zouden worden. Honderden zakenmannen konden de belasting niet opbrengen en werden door de regering naar werkkampen in het oosten van het land gestuurd. Degenen die niet omkwamen van de kou keerden en paar jaar later terug naar Istanbul en vertrokken van daaruit naar andere landen.

In de jaren 1948 en 1949 vond een tweede grote trek plaats. De helft van de Turkse Joden vertrok in deze jaren naar de net opgerichte staat Israël. Tussen de vijftig- en tachtigduizend Joden bleven achter. Maar toen in 1955 extreem-rechtse jongeren winkels van de Griekse minderheid aanvielen, trokken de Grieken weg, met in hun kielzog ook een groot deel van de overgebleven Joden, die bang waren dat hetzelfde hen ook zou overkomen.

Uiteindelijk bleven er zo'n twintigduizend Joden over. Maar hoe klein de minderheid ook werd, rust kreeg ze niet. In 1986 schoten twee Arabische terroristen op de bezoekers van de Neve Shalom-synagoge in Beyoglu en vermoordden 26 van hen. Afgelopen zaterdag waren de Neve Shalom en de Beth Israël-synagoge in de wijk Sisli doelwit van terroristische aanslagen, waarbij 23 mensen om het leven kwamen en meer dan driehonderd mensen gewond raakten.

Pepo laat het snoep dat zijn zus hem heeft aangereikt in zijn mond smelten en zegt:,,Ik snap niet wat ze van ons willen. Heb je ooit gehoord dat een Jood een moord heeft gepleegd in Turkije? Het is al eeuwenlang de aanpak van de Turkse Joden om niet op te vallen en geen problemen te zoeken. Ik heb nog nooit gevochten in mijn leven. Toch moeten ze ons hebben. Ze zeggen dat Joden rijk zijn. Ik leef van mijn schamele pensioen, maar heb een prima leven. Je zult het niet geloven, maar deze broek die ik aan heb, heb ik dertig jaar geleden gekocht. Zolang je zuinig leeft heb je niet veel geld nodig.'' Lea knikt en prevelt: ,,Inderdaad, het was dertig jaar geleden.''

Dat de Turkse Joden een 'lieve' minderheid vormen, die nooit klaagt, nooit problemen veroorzaakt en altijd op goede voet leeft met alle Turkse regeringen beaamt ook de Joodse schrijver en zakenman Rifat Bani. Bani heeft twee boeken geschreven waarin hij laat zien hoe sterk anti-semitisme leeft onder de Turkse intellectuelen die een rechtse en islamistische wereldvisie hebben. Banie schrijft dat hoeveel de Joden ook hun best doen om onopvallend te leven, de Turken en de Koerden er niet voor terugdeinzen om allerlei complotheoriën te verzinnen, waarin de Joden aan het hoofd staan van allerlei intriges en eigenlijk ook de leiding van Turkije in handen hebben.

Bani veroordeelt deze passieve houding van de Joden in Turkije. ,,Het feit dat een overgroot deel van de Joden in de zakenwereld zit, maakt dat ze het pragmatime tot het uiterste moeten doortrekken. In de jaren veertig verloren ze al hun bezittingen door de vermogensbelasting. Toen ze begrepen dat ze niets terug zouden krijgen, maakten ze gewoon een nieuwe start. Als het aan hen ligt kan die kwestie als afgedaan worden beschouwd. Alle Turkse regeringen gebruiken de Joden om te laten zien hoe gelukkig de minderheden in Turkije zijn en de Joden werken daar vrolijk aan mee. Ik denk dat vanwege de zakelijke betrekkingen die ze met de staat hebben zij logisch opereren. Maar ik vraag me af of het ethisch ook verantwoord is'', aldus Bani.

Het meest omstreden punt in de aanpak van de Joden is hun opstelling tegenover de Armeense kwestie. Armeniërs beweren dat het Turkse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog een volkerenmoord heeft gepleegd op de Armeense minderheid en meer dan een miljoen Armeniërs systematisch heeft vermoord. Turken weerspreken deze beweringen en de grootste steun vinden ze bij de Turkse Joden. Het zijn de Turkse Joden die hun Amerikaanse rasgenoten hebben verzocht om tegen de plannen van de Armeniërs te lobbyen, zodat de genocide niet door het Amerikaanse parlement wordt erkend. Bani: ,,Ik wijd dit aan het feit dat de Turkse Joden buiten de holocaust zijn gebleven. Om die reden kunnen ze misschien zo onverschillig staan tegenover de Armeense zaak. De Turkse staat verzoekt hen om een gunst en omdat ze geen problemen willen, werken ze gewoon mee. Een standbeeld van Anne Frank in het centrum van Istanbul? Niemand heeft er baat bij. Ze willen niet opvallen, door niets.''

Het is ondertussen pikdonker in de steeg in Beyoglu, waar drie grote flatgebouwen staan en volgens iedereen in de buurt slechts een huis wordt bewoond en wel door twee joodse zussen. Na herhaald kloppen op de buitendeur, gaat een raam open. ,,Hebben ze gezegd dat we joods zijn? Nee hoor, we zijn moslims'', roept een vrouw vanaf de vierde verdieping. De winkelier waar de zussen hun boodschappen doen, zegt even later: ,,Ze zijn wel joods, maar na de aanslag zijn ze zo bang dat ze alles door de telefoon bestellen. Ze hebben uit angst gezegd dat ze moslim zijn. Ik kan die angst wel begrijpen. Het zijn twee oude vrouwen die in een verlaten steeg wonen.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden