Israëls sporen uitgewist

Bijna een jaar geleden verliet de Israëlische bezetter het zuiden van Libanon. Na vijftien jaar werd de zogenaamde veiligheidszone weer 'gewoon' Libanees grondgebied. Sporen van de bezetting zijn met grote spoed uitgewist, met name door de sji'itische milities die er nu heer en meester zijn.

De sleutels op het metalen, in vakjes onderverdeelde etensblad vertellen het verhaal dat de Hezbollah-functionaris ernaast niet kwijt wil. Sommige sleutels zijn voorzien van opschriften in het Arabisch als 'laboratorium' en 'sectie intern'. Van de tientallen sleutelbossen is er één voorzien van Hebreeuwse opschriften. ,,Ze zijn oud'', is alles wat de man wil zeggen.

De geheel in het zwart geklede econoom is de nieuwe administrateur van het ziekenhuis in Bent Jbeil, een dorp in wat tot 25 mei vorig jaar de Israëlische veiligheidszone was. Zich voorstellen doet hij niet, want een telefoontje aan zijn meerderen bij de radicale moslimorganisatie Hezbollah heeft hem geen toestemming opgeleverd om de pers te woord te staan. Maar wat hij zich in een praatje bij een glas verse limonade -ongastvrij wil hij niet lijken- laat ontvallen, is voldoende om het verhaal achter de sleutels te herleiden.

Het kleine, lage en witte ziekenhuisje in Bent Jbeil lag tijdens de bezetting vlakbij een post van de Israëlische inlichtingendiensten en had daarom een belangrijke functie voor de Israëliërs. Het werd met Israëlisch geld en wellicht ook Israëlisch personeel gerund. Een dag na de Israëlische terugtrekking is het overgenomen door de Islamitische Gezondheidsassociatie, een dochter van Hezbollah. Een deel van het personeel dat onder de Israëliërs had gewerkt, onder wie de directeur, achtte het veiliger zich niet meer te vertonen. En om duidelijk te maken wie er nu de baas was, liet Hezbollah alle sloten vervangen. Op een bord aan de muur achter de nieuwe administrateur hangen de nieuwe sleutels, netjes voorzien van labels, alle in het Arabisch.

Bent Jbeil is een dorp waar sji'ieten in de meerderheid zijn. Anders dan een jaar geleden, toen het Zuid-Libanese Leger (SLA) er hier namens de Israëliërs de wind flink onder had, is dat nu ook heel zichtbaar. Overal wappert de vlag van Hezbollah, en de geheel in zwart gestoken militieleden van deze 'Partij van God' patrouilleren door het dorp. Onder de Israëlische bezetting waren dit soort activiteiten van de aan Iran getrouwe en fel tegen Israël strijdende Hezbollah een absoluut taboe.

In de straten van Bent Jbeil is, net als in andere sji'itische dorpen in Zuid-Libanon, een foto-oorlog uitgebroken tussen de twee rivaliserende sji'itische milities. Grote portretten van de overleden Iraanse geestelijk leider Khomeini, opgehangen door Hezbollah, strijden om voorrang met die van parlementsvoorzitter Berri, de leider van de sji'itische Amal-militie. In dorpen waar Hezbollah zeker van haar zaak is, hangen portretten van haar 'martelaren' die in het verzet tegen Israël zijn omgekomen. En waar geen foto-oorlog wordt gevoerd, is een vlaggenstrijd aan de gang: de vlaggen met het symbool van Hezbollah, de gekalligrafeerde naam voorzien van een kalasjnikov, winnen het vaak van die met het groen-wit-rood van Amal.

Caféhouder Amin is na het vertrek van de Israëliërs teruggekeerd uit de Verenigde Staten om in zijn geboortedorp Bent Jbeil een eethuis op te zetten. Mopperend op de vliegen serveert deze in België opgeleide ingenieur falafel en geroosterde kip. Hij zegt blij te zijn dat hij is teruggekomen, en hij wijst op de schoolkinderen die juist langs zijn café lopen. ,,Vroeger werden jongens op een bepaalde leeftijd weggestuurd uit de zone, omdat ze anders door het Zuid-Libanese Leger werden geronseld.''

VERVOLG OP PAGINA 15

Israëls sporen uitgewist

VERVOLG VAN PAGINA 13

Gevraagd naar de aanwezigheid van het in zwart gestoken rambo-type dat aan een tafeltje in het café zit te bellen, ontkent hij dat dit een militieman van Hezbollah is. Nee, het Libanese leger is incognito aanwezig, beweert hij, en daar werkt deze man voor. Alsof de man commentaar geeft haalt hij zijn pistool onder zijn oksel vandaan.

Het Libanese leger is nauwelijks zichtbaar in de voormalige 'veiligheidszone', op een enkele legerjeep na. Wel staat bij het hek dat de grens met Israël vormt nabij Kfar Kila een groepje in zwart geklede Hezbollah-rambo's. Ze willen niet op de foto, als ze staren naar het Israëlische Kiryat Sjmona op de heuvel vlak achter de grens. ,,Gooi rustig een steentje'', zeggen ze uitnodigend.

Sinds de Israëliërs weg zijn, reageren veel Libanezen hier hun frustraties af door stenen te gooien naar het grondgebied van Israël, dat hier bijna aan te raken is. Hele families rijden in hun vrije weekeinde naar de grenszone om waar te nemen dat er nog slechts een dubbel hek tussen hen en de vijand zit. Vanwege de stenenregens hebben de Israëlische militairen die de grens bewaken zich verschanst achter hoge betonblokken. En om elders dergelijke provocaties te voorkomen hebben de Libanese autoriteiten de weg die hier deels vlak langs de grens liep, afgesloten.

Wie door de voormalige zone rijdt valt vooral op dat in een jaar vrijwel alle tekenen van de bezetting verdwenen zijn. Hooguit de bushokjes met hun plastic kuipstoeltjes en afdakje herinneren er nog aan, maar de bus rijdt niet meer. En ook de mobiele telefonie in het gebied vlak langs de grens is nog niet gewend aan de nieuwe verhoudingen: Welcome to Israël, wenst het Israëlische Orange GSM-netwerk de telefoonbezitter toe, en we wish you a pleasant stay in Israël. Maar veel meer hebben de Israëliërs niet achtergelaten.

Zelfs de posten die het aan Israël trouwe SLA bemande op tal van heuvels, en die de dag na het Israëlische vertrek door Hezbollah zijn vernield, zijn nauwelijks meer terug te vinden; slechts hier en daar wappert nog een trotse Hezbollah-vlag op wat brokstukken. De meeste brokstukken blijken opgeruimd te zijn. Opvallend is ook de bouwwoede: in sji'itische dorpen worden de huizen die jarenlang niet gebouwd mochten worden met grote haast uit de grond gestampt. En dat zijn vaak zeker niet de minste stulpjes.

Dat beeld verandert in christelijke dorpen, zoals Marjaayoen. Daar geen nieuwbouw, geen vlagvertoon. Wel heeft het beeld van de maagd Maria een schoongewassen blauwe mantel gekregen, en is er een duidelijk zichtbare basis van het Libanese leger. Ook hier is een ziekenhuis, dat tot vorig jaar geheel door de Israëliërs werd betaald en gerund. Maar dat is sinds een paar maanden dicht, vertellen twee verpleegsters met rode sjaals om de nek bij de Rode Kruispost er vlakbij. Meer dan dat er 'problemen' waren, willen ze niet zeggen. Bij het ziekenhuis is alles stil. Twee militairen die bij de ingang de wacht houden, zeggen dat het dicht is omdat 'er geldgebrek was'.

,,De overheid geeft zoveel om ons dat ze het ziekenhuis sluit'', zegt een sarcastische apothekeres in het dorp. Ja, het is een geldkwestie, zegt ze, en nu moeten de patiënten naar het ziekenhuis in Nabatiyé, dik een half uur rijden verderop, buiten de voormalige zone. Het wachten is op de eerste hartpatiënt of zwaargewonde die de reis niet overleeft.

De zorgvuldig opgemaakte en modern geklede dame schetst een beeld van een dorp in de problemen. Zeker 10000 christenen in deze regio werkten op de een of andere manier voor Israël. De helft had werk over de grens, de rest werkte voor het Zuid-Libanese Leger. Die inkomsten, zo'n 15 miljoen dollars per maand, zijn weggevallen, en ander werk in de regio zelf is er niet. Bovendien zitten nogal wat mannen -kostwinners- een gevangenisstraf uit wegens samenwerking met de Israëlische bezetter, of zijn naar Israël gevlucht. Als gevolg van al die factoren zag de apothekeres haar omzet met de helft dalen, sommige kledingwinkels hadden zelfs 75 procent minder omzet.

Pas na veel zoeken wil een arts in Marjaayoen, die uit angst voor de in het dorp niet zichtbare maar wel aanwezige sji'itische milities anoniem wil blijven, opheldering geven over de gang van zaken rond het ziekenhuis. Met de Israëlische troepen vertrokken ook twintig van de in totaal 175 man personeel naar Israël. Met de Libanese overheid werd afgesproken, dat het Rode Kruis het ziekenhuis drie maanden zou runnen om de Libanezen kans te geven te bedenken hoe het verder moest gaan. Maar de Amal-militie bezette de gebouwen in antwoord op de Hezbollah-actie in Bent Jbeil.

Toen Amal niet in staat bleek salarissen te betalen en vertrok, wist het Rode Kruis het ziekenhuis in augustus weer redelijk draaiend te krijgen. Maar de drie maanden gingen voorbij zonder dat de overheid plannen presenteerde. Begin dit jaar hield het Rode Kruis ermee op, en in februari vertrokken de eerste personeelsleden omdat ze geen salaris meer hadden gekregen. Nu helpen vrijwilligers in het ziekenhuis alleen nog de vijftien nierpatienten uit de regio die drie keer per week een dialyse nodig hebben.

De arts wijt de gang van zaken zowel aan onkunde als aan onwil van de Libanese overheid. Onkunde omdat de situatie in ziekenhuizen in heel Libanon volgens hem slecht is, onwil vanwege de samenwerking door velen in de christelijke dorpen met de Israëliërs. ,,Er is geen toekomst voor christenen in Libanon'', sombert hij. Om die reden stuurt hij -en met hem veel dorpsgenoten- zijn kinderen naar het buitenland.

Hij meent dat met het vertrek van de Israëliërs het altijd al wankele evenwicht tussen de christenen en moslims in Libanon geheel verstoord is. Daarmee is de christenen, die de burgeroorlog in 1990 na vijftien jaar door tussenkomst van de Syriërs verloren, een definitieve slag toegebracht. Ter illustratie wijst hij op de bouwkoorts in de sji'itische dorpen: ,,De sji'ieten bouwen omdat ze weten dat de regio van hen is. En dat de christenen hier uiteindelijk niet blijven.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden