Israëls Palestijnen in dienst

In Israël hoeven Arabische burgers geen dienstplicht te vervullen. Toch melden steeds meer jongeren zich voor een burgerdienst.

De Arabische burgers van Israël, moslims en christenen, zijn sinds de oprichting van de staat in 1948 automatisch vrijgesteld van dienstplicht. De gedachte er achter is dubbel: je kunt niet van ze verlangen dat ze tegen hun eigen broeders aan de andere kant van de grens strijden. Maar ook: ze zijn mogelijk een vijfde colonne. Toch klinkt met de regelmaat van de klok de suggestie – uit naam van de gelijkheid en verantwoordelijkheid – om een soort nationale burgerlijke dienstplicht in te stellen waarbij de Arabische jongeren zich bijvoorbeeld in hun eigen gemeenschap in ziekenhuizen, bij de bejaardenhulp of op scholen verdienstelijk maken.

Sinds het uitbreken van de tweede intifada in 2000 is het gevoel van vervreemding jegens de staat binnen de Arabische gemeenschap sterker geworden. Aan het begin van die intifada schoot de Israëlische politie 13 Palestijns-Israëlische jongeren dood, die zich tijdens een demonstratie solidair betoonden met de Palestijnen in de bezette gebieden. Het idee van een burgerdienstplicht leek daarmee irreëler dan ooit. Binnen de Arabische gemeenschap werd zelfs fel geageerd tegen de bestaande vrijwillige gemeenschapsdienst.

„We hebben ons aangesloten bij de campagne daartegen, omdat dat programma er op uit is onze jeugd te ’verisraëliseren’, hun Palestijnse identiteit uit te wissen en de dienst een voorwaarde te maken voor het verkrijgen van burgerrechten in een staat die is opgericht op de ruines van hun nationale droom”, zegt Jowan van de Baladna-organisatie in Haifa. Jowan ziet zichzelf als een Palestijn die in een land woont dat in 1948 is bezet. Hij maakt geen onderscheid tussen het dienen van de staat in militaire of burgerlijke zin.

Ondanks hun campagne blijkt dat het aantal Arabische Israëliërs dat zich vrijwillig meldt voor de burgerdienst, jaarlijks sterk toeneemt (zie kader). De aantrekkelijke voorwaarden kunnen een van de redenen zijn voor de achttienjarigen die net hun school achter de de rug hebben en willen gaan studeren. Ze krijgen 130 euro per maand zakgeld (gelijk aan het soldij van een dienstplichtig soldaat in een bureaubaan), plus een subsidie van 1.350 euro na het voltooien van een dienstjaar.

Voor de negen jonge moslim- en christelijke vrouwen die als hulpleerkrachten en computerinstructeurs in de Latijnse Patriarchschool in Nazareth-Jefifië werken, spelen nog andere voordelen een belangrijke rol. „Door hier te werken heb ik meer zelfvertrouwen gekregen. Ik heb geleerd om me volwassener en verantwoordelijker te gedragen, ik ben nu klaar om de grote wereld te betreden”, zegt de twintigjarige Rim, die komend jaar optometrie in Jeruzalem wil studeren. „Ik voelde me absoluut niet onder druk gezet om geen vrijwillige dienst te doen, hoewel we wel op veel tegenstand stuitten van mensen die het programma een soort verkapte militaire dienst vinden. Ze begrijpen helemaal niets van het belang van vrijwilligerswerk.”

Riham (18) studeert al aan de universiteit van Haifa. Daarnaast werkt ze als hulpdocente. Ze krijgt op de campus soortgelijke kritiek te horen. „Ik leg het naast me neer, want ik dien geen enkele staat”, zegt ze. „Ik help kinderen betere leerlingen te worden. Het is mijn manier om terug te betalen wat ik zelf aan onderwijs heb genoten.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden