Israël-Palestijnen / Doelwit Bethlehem

Nooit eerder was Bethlehem oorlogsgebied, niet in de oorlog van 1948, niet in die van 1967. En ook in de eerste intifada waakten Palestijnen en Israëliers er wel voor deze gevoelige plek te bestoken. Maar daar is verandering in gekomen. In tien dagen strijd vielen er zeventien doden, van wie velen burgers waren. Een reportage uit de geboorteplaats van Jezus.

De geldwisselaar heeft zijn tafeltje op de stoep gezet, de bankbiljetten liggen er in kleine stapeltjes uitgestald. Achter hem toont zijn wisselkantoortje een gehavende aanblik, de gevel is deels weggeslagen. Vanaf het dak siepelt gestaag een dunne stroom water de straat op - 'kogelgat in de watertank', luidt de verklaring.

Twee huizen verder gaapt een gat. Het huis van Ahmed Aboe Hmer is niet meer. Op de brokstukken staat een inspecteur van de VN de schade op te nemen. Een grote witte plastic speelgoedauto, nog in redelijke staat, ligt fotogeniek voor alle buitenlandse filmploegen op de stukken beton. Verderop steekt een stuk matras uit, links staan twee paar oude schoenen. Aan de kant ligt een leeg kartonnen doosje met Hebreeuwse tekst: 8 handgranaten nr. 20.

Ahmed Aboe Hmer woonde hier met zijn vrouw Naima, hun vier kinderen, zijn moeder en een zus. Ahmed is er 34 jaar geleden geboren. Zijn ouders - kinderen ten tijde van de 'nakba', de catastrofe, oftewel Israëls onafhankelijkheidsoorlog - streken er in 1948 neer met hún ouders, op de vlucht voor het oorlogsgeweld. ,,Nu willen ze ons ook hier verjagen!''

Verleden week, in de nacht van 21 oktober, vertelt hij, begon het leger zijn huis te beschieten, daarna kwamen de tanks en een bulldozer. ,,We wisten maar net te ontsnappen. We hebben alleen onze kleren nog, verder niets.'' Het huis wordt binnenkort herbouwd met behulp van de VN: een voorschot van 2000 dollar en dan nog eens 13000 dollar voor het huis.

Voor de intifada verleden jaar september uitbrak, werkte Ahmed in Israël, ,,in van alles en nog wat''. Hij had er ook vrienden, maar die vertrouwt hij niet meer ,,want die dienen ook in het leger.'' In Israël gaat hij nooit meer werken, zegt hij nu. ,,Wat hebben de Joden hier te zoeken. Het is ons land. Het zijn allemaal terroristen! ...Als er een regeling komt waarbij wij onze staat krijgen en de Al-Aksamoskee, zal ik daar genoegen mee nemen, maar het zal een tijdelijke vrede zijn, want je kunt de Joden niet vertrouwen. Diep in mijn hart wil ik dat heel Palestina weer van ons wordt.''

Volgens Naima vielen de soldaten zomaar aan. Een andere versie - een van de velen die de ronde doen - luidt dat de Israëlische soldaten woedend waren geworden toen een Palestijnse strijder uit het Aza-kamp een pijpbom onder een Israëlische pantserwagen had gelegd. Het voertuig moest worden weggesleept, daarna arriveerde de bulldozer. ,,Ik dank God dat we weerstand hebben geboden en ze hebben weten te verjagen'', zegt Aboe Hmer.

Nachtenlang leverden de Palestijnse strijders slag met de Israëlische soldaten. Aboe Hmer had het ongeluk precies in het front te wonen, in de hoofdstraat aan de rand van de Aza-vluchtelingenwijk, tegenover het Paradise Hotel waar de Israëlische soldaten zich hadden ingekwartierd.

Op 19 oktober waren de tanks komen binnenvallen, na de de beschieting van Gilo, de wijk in het zuiden van Jeruzalem die in bezet Palestijns gebied ligt. Daarvoor had een kortstondig bestand geheerst rond Gilo. Maar toen Israël de lokale militieleider Atef Abejat en twee van zijn kornuiten op 18 oktober liquideerde, besloten zijn makkers - leden van de Ta'amra-stam - hem te wreken.

Formeel hoorden ze tot de Tanziem van Jasser Arafat. In de praktijk bleken de Abejats zich weinig gelegen te laten liggen aan de wensen van de Palestijnse leider. Hun stam - van oorsprong bedoeïenen - vestigde zich jaren geleden rond Bethlehem. Geleidelijk wisten ze zich - tot ongenoegen van het christelijke establishment - meester te maken van allerlei zaken in de stad, niet altijd op frisse wijze. De veiligheidsdienst van Arafat huurde ze in als strijders voor de Tanziem.

Toen Atef werd doodgeschoten, hadden ze geen boodschap aan het bestand dat Arafat met Israël gesloten had. Een paar kogels richting Gilo bleken voldoende. Israël stond toch al op het punt andere Palestijnse gebieden binnen te vallen in reactie op de moord op een Israëlische minister. En had premier Sjaron niet gezworen, toen hij akkoord ging met het bestand rond Gilo, dat één kogel genoeg was om de tanks erop af te sturen?

Nimmer tevoren was Bethlehem echt oorlogszone, noch in de oorlog van 1948, noch in die van 1967. En zelfs in de eerste intifada bleef Bethlehem goeddeels buiten schot. Beide partijen pasten ervoor de in de hele wereld zo gevoelige plek, de geboorteplaats van Jezus, in een slagveld te veranderen.

De Israëlische soldaten kozen voor het Paradise Hotel vanwege zijn strategische uitzicht op de heuvels rondom, op de invalsweg van Bethlehem en op de vluchtelingenwijk. In de Israëlische media verschenen al meteen de beelden van de soldaten sluipend door de gangen en rustend in de hotelkamers.

De lounge van het hotel had zijn laatste opknapbeurt gekregen voor het bezoek van de paus in maart 2000. Net zoals de hele stad toen een facelift had ondergaan, in afwachting van de miljoenen pelgrims. Honderden miljoenen aan buitenlandse donaties (ook uit Nederland) zorgden voor nieuw plaveisel, feestelijke lantaarnpalen, een cultureel centrum, riolering, en nette parkeerterreinen die het plein voor de Geboortekerk moesten verlossen van de dampende toeristenbussen. Nieuwe hotels met honderden extra bedden verrezen.

Op wonderbaarlijke wijze hangt het grote uithangbord met 'Paradise' er nog. Maar de lounge heeft de tiendaagse strijd niet overleefd en is geheel uitgebrand. De drie onderste verdiepingen zijn zwart geblakerd. Vanuit de gesneuvelde ruiten wapperen flarden vaal violette overgordijnen. Ook hier variëren de verhalen over de oorzaak van de brand. De strijdlustige versie is dat Palestijnse strijders met molotovcocktails de Israëliërs wilden uitbranden. De complot-versie luidt dat Israël zelf het hotel in brand heeft gestoken om zo groot mogelijke schade aan te richten en om nog een reden te hebben de Palestijnen in de vluchtelingenwijk aan te vallen. In de volksmond heet het nu Hotel Hel.

In het straatje parallel aan de hoofdstraat staan witte stoelen in rijen opgesteld. Er zitten mannen. Rondom hangen de portretten van drie martelaren: twee strijders en een doofstomme verpleger, die zijn hoofd om het hoekje van het zijsteegje had gestoken en door een Israëlische scherpschutter in de nek werd getroffen. Achter een auto spelen drie jongetjes van een jaar of zeven krijgertje, of is het soldaatje? Eentje heeft een plastic geweer. Alledrie zijn ze gehuld in gordels met lege hulzen, hun oorlogsbuit. In de wirwar van straatjes is het niet helemaal duidelijk waar het Aza-kamp ophoudt en het Beet Djibrin-kamp begint. In wezen zijn het geen kampen maar kleine buurtjes aan de rand van Bethlehem. Ieder wijkje is genoemd naar het dorp waar de vluchtelingen vandaan kwamen. In het steegje is nog de inslag te zien van de kogel die de doofstomme verpleger trof, vader van vijf kinderen. Toch lijkt de wijk fysiek niet echt zwaar getroffen. De materiële schade in Bethlehem lijkt hoe dan ook beperkt tot bepaalde gebouwen en delen van enkele straten. Hier en daar hebben de tanks enkele lantaarnpalen overreden. De burgemeester schat dat de heropbouw zo een veertig miljoen gulden zal kosten.

Bij het huis van Ahmed komt een klas van de kweekschool solidariteit betuigen. Stuk voor stuk hebben de leerlingen hun verhaal, hoe de kogels rond hun huis vlogen, hoe ze tien dagen hun huis niet uitkonden, hoe ze de Israëliërs haten, ,,meer nog dan vroeger''.

Zeventien doden zijn er gevallen in Bethlehem in tien dagen strijd. Volgens Israël haast allen gewapende Palestijnse strijders. Volgens de mensenrechtenorganisatie Betselem (letterlijk: Evenbeeld) waren het drie agenten en veertien burgers, onder hen vrouwen en kinderen. Al vallen onder de categorie burgers, ook leden van bijvoorbeeld Hamas en andere radicale groeperingen.

Johnny was mijn buurjongen, vertelt een leerlinge. Johnny's portret hangt overal in de stad, ook op het plein bij de Geboortekerk, waar de 17-jarige jongen door een verdwaalde kogel werd getroffen. Ook de kerk zelf is geraakt. De Armeense kerkvader Razmi toont de kogel die eerbiedig is neergelegd op een schouw voorin de kerk, samen met nog enkele splintertjes hout. Boven in de erker zit een gat in de ruit.

Hij troont ons mee naar boven, naar het dak. In gewone tijden biedt het een adembenemend uitzicht naar haast alle kanten: het Herodium, het woestijnfort waar de Romeinse keizer Herodes ligt begraven; Jeruzalem; de heuvels van Judea - haast vredig. Maar de aandacht gaat uit naar de verre heuvel, vanwaar de Israëliërs zouden hebben geschoten. Te ver voor een kogel en ook de verkeerde hoek bedenken wij leken, later. Maar tenslotte is ook de priester geen militair expert. Hij bidt naar eigen zeggen slechts voor de vrede. Vanuit een kastje in een klein kamertje haalt hij een zorgvuldig ingepakte beker te voorschijn. Hier drinken mensen uit die tot rust willen komen.

,,Nee, het is geen speciaal water'', legt hij uit. Op het tafeltje staan een paar flessen Israëlisch bronwater. In het opschrijfboekje wordt bijgehouden wanneer mensen komen drinken. De laatste notering is van voor de laatste invasie. ,,Ik weet ook niet hoe het werkt'', verontschuldigt de vader zich. ,,Het is psychologie. Als de mensen er in geloven...''

De meeste winkels op het plein bij de kerk zijn dicht. De luiken van het Andalusiërestaurant zijn op slot. In de goede tijden werden hier aan de lopende band groepen toeristen gevoederd. Bij de souvenirwinkel van de gebroeders Giacamon hebben ze negentien van hun werknemers ontslagen. Vandaag is de zaak op het plein even open gegaan. Ze hebben een telefoontje gekregen dat er een groep pelgrims op komst is: Grieks-Orthodoxen uit de Verenigde Staten. Tweeënvijftig hadden zich voor de reis opgegeven, vertelt hun begeleider. Drieëndertig hebben zich weer afgemeld. ,,Bang?'' herhaalt hij de vraag. ,,Het is beter om hier in Bethlehem te sterven dan in de Verenigde Staten.''

Midden op het plein staan enkele auto's met gewapende lieden van de stam van Atef Abejat. Ze hebben de liquidatie zelf gezien, ze zaten in de volgauto's. Wie nu de baas is? ,,Atef. Hij blijft onze leider.'' In de terugtrekking van het Israëlische leger geloven ze niet. ,,De rust duurt hooguit enkele dagen.'' De echte wraak voor de dood van hun leider moet nog komen.

Na tien dagen hadden de Israëlische tanks zich teruggetrokken. Echt weg zijn ze niet. Ze staan nu vlakbij de grens, de loop intussen afgewend van Bethlehem.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden