Review

'Islam, christendom en jodendom gaan voorbij'

Karen Armstrong: Een geschiedenis van God, vierduizend jaar jodendom, christendom en islam - Anthos, Baarn; 512 blz, f 59,50.

Ofschoon Karen Armstrong (50) sinds haar uittreden in 1969 uit het nonnenklooster - ze schreef er een bestseller over: Through the narrow gate - haar geloof in God met de jaren langzaam voelde wegebben, nam haar fascinatie voor religie alleen maar toe. Ze bracht die interesse over in aandacht trekkende tv-documentaires en in publicaties.

Boek nummer negen ligt nu vertaald in de winkel. Het draagt een uitdagende titel: “Een geschiedenis van God.” Armstrong, geboren in Engeland en daar afgestudeerd in Oxford, zegt: “Meestal worstel ik nogal met de titels van mijn boeken, maar deze keer wist ik direct: 'dit is het'.”

Na het uitkomen van de originele versie, twee jaar terug in Engeland en de V.S., waren de superlatieven niet van de lucht: “Armstrong is een genie” (A. N. Wilson), “haar boek móét gelezen worden” (Anthony Burgess), “het bevat een schat aan informatie en is met grote kennis van zaken geschreven” (Kuitert). Tot Armstrongs enorme verrassing -“ik kon het manuscript eerst aan de straatstenen niet kwijt”- prijkte het boek maanden lang op de Amerikaanse bestsellerslijsten.

Boeiend verwoord en zorgvuldig gedocumenteerd vormt het werk de ideale combinatie van eruditie en luciditeit. Een schoolvoorbeeld van hoe ingewikkelde religieuze zaken voor niet-theologisch geschoolden aanschouwelijk kunnen worden gemaakt, zonder aan diepgang en geleerdheid te verliezen.

Overigens heeft Armstrong veeleer een cultuurhistorisch verslag geschreven van de zoektocht naar God, dan een geschiedenis van God. Haar prestatie is er niet minder om.

Hoe kwam deze kwieke programmamaakster, commentatrice en publiciste ertoe om een geschiedenis te schrijven van de manier waarop jodendom, christendom en islam elk voor zich een persoonlijk beeld van de monotheïstische God hebben ontwikkeld? Haar motivatie was, zo legt ze uit, drieledig.

“Toen ik bezig was met een boek over de kruistochten (Holy War: The crusades and their impact on today's world), raakte ik bijna depressief van de intense vijandigheid die het christendom tegenover de islam aan de dag legde en nog steeds legt. En dus dacht ik dat het goed zou zijn te laten zien wat deze religies (plus het jodendom) gemeenschappelijk hebben: het geloof in een transcendente, barmhartige God.

Daarnaast vond ik het vreemd dat er wel historische studies zijn verschenen over tal van andere religieuze onderwerpen, maar nog nooit over God. En tenslotte was er ook de persoonlijke nieuwsgierigheid van de agnost die in snel tempo bezig was atheïst te worden. De vier jaar van research voor dit boek vormden een persoonlijke queeste.'

“Ik ontdekte dat mijn kijk op God nog steeds werd bepaald door de simplistische, hoogdravende, nietszeggende beelden die ik in mijn jeugd dwingend kreeg voorgehouden en die ik (net als veel generatiegenoten) sindsdien nooit meer had bijgesteld of verder ontwikkeld: het idee van God als een oneindig volmaakte geest, Schepper, Heer en Bestuurder van hemel en aarde, van wie alle goeds (geen kwaad!) voortkomt.

Ik begon te beseffen dat er veel rijkere manieren zijn om tegen het goddelijke aan te kijken, manieren die dicht in de buurt komen van bepaalde boeddhistische en hindoeïstische concepties van de ultieme werkelijkheid. Tot mijn verrassing sluiten ze vaak aan bij wat sommige joodse, christelijke en islamitische theologen in de loop der eeuwen hebben geopperd als ze poogden de kern van de godheid in beelden te vangen.

Ook nu zijn er christenen, zoals Don Cupitt, deken van het Emmanuel College in Cambridge, die de realistische God van het traditionele theïsme inruilen voor een soort christelijk boeddhisme waarin de religieuze ervaring voorop staat.'

“In plaats van me nog langer af te zetten tegen allerlei fossiele godsbeelden was het veel zinvoller een godsbesef voor mezelf te creëren dat losstond van de misvatting dat God langs de weg van het rationele viel te ontdekken, als 'realiteit ergens daarginds'. Even concreet bewijsbaar en aantoonbaar als het bestaan van atomen of elektriciteit.

Ik had nooit geweten dat er ook binnen het jodendom, het christendom en de islam prominente voorgangers zijn geweest die predikten dat God in hoge mate het product van creatieve verbeelding is, net als poëzie en muziek. En zelfs bleken er enkele gerespecteerde monotheïsten te hebben geleefd die leerden dat God niet echt bestaat, maar dat 'Hij' toch de belangrijkste ultieme werkelijkheid in onze wereld is.

In mijn boek laat ik zien dat het godsbegrip geen statisch gegeven is, maar dat het meeverandert met de tijd. Er bestaat geen objectieve visie op 'God'. Elke generatie creeert haar eigen godsbeeld en schuift de beelden die ze achterhaald vindt terzijde. In onze tijd zie je dat in het Westen overal om je heen gebeuren. Het is geen ramp, zoals veel kerkleiders beweren, maar een historische wetmatigheid.

Niemand van de vele christenen die thans ontdekken dat zij met de traditionele kijk op God niet langer uit de voeten kunnen, hoeft zich verwijten te maken. Men staat immers in een traditie die even oud is als de mens zelf. De uitspraak 'ik geloof in God' heeft in elke tijd net iets anders betekent. 'Ik geloof niet in God' trouwens ook.'

In navolging van filosofen als Nietzsche en theologen als Tillich meent Karen Armstrong dat in het Westen het geloof in een persoonlijke God zijn langste tijd heeft gehad. Ze huldigt de gedachte dat God niet echt bestaat en dat 'daarginds' zich het Absolute Niets bevindt. Armstrong legt uit: “Het monotheïsme is begonnen met de idee dat God op de een of andere manier persoonlijke trekken bezat. Dit om te voorkomen dat de ultieme werkelijkheid totaal vreemd zou worden aan ons eigen bestaan en daardoor geen bron van spirituele inspiratie zou kunnen zijn. Op zich was er niets tegen deze opvatting, het vormde zelfs de inspiratie voor een unieke sociale bewogenheid bij alle drie de religies.

Toen echter de projectie een doel op zich werd en men de persoonlijke God ging zien als de directe manager van ons bestaan, als Heer van de geschiedenis, begon het te haperen. Om uiteindelijk letterlijk dood te lopen in de gaskamers van Auschwitz. Het beeld van een God, net als wij, alleen met hoofdletters geschreven, die zich als almachtig maar goedertieren openbaart in de geschiedenis, viel daar in stukken uiteen. Zelfs onze joodse broeders en zusters zijn er niet in geslaagd de brokstukken weer op een voor de postmoderne mens aanspreekbare manier aan elkaar te lijmen.'

Overigens zijn wij zeker niet de eerste stervelingen die worstelen met de vraag hoe het kwaad in de wereld te rijmen valt met het bestaan van God. De beroemde vroeg-middeleeuwse theoloog Johannes Scotus Eriugena dacht er al over na, maar ondernam (wijselijk?) geen pogingen de kwestie afdoende te behandelen. Zelf neigt Armstrong ertoe zich aan te sluiten bij hindoes en joodse kabbalisten die het kwaad zien als de manifestatie van het goddelijke in onze wereld of het een intrinsiek onderdeel van de godheid noemen. Maar: “Hoe je het ook ziet, één ding kan sinds Auschwitz, the Killing Fields en Rwanda niet meer: voor het probleem weglopen.”

“Daarnaast hebben recente ontdekkingen op het terrein van de kosmologie ook het beeld van God als de Schepper van hemel en aarde onderuit gehaald. Om maar te zwijgen over het idee van een God die voortdurend aan het universum sleutelt, of een kosmische Big Brother die ons doen en laten bewaakt.”

“In het Westen wenden steeds meer mensen verveeld het hoofd af als dominees of priesters hun precies weten te vertellen wat 'Zijn' wil is, vooral als die op wonderlijke wijze samenvalt met die van de betrokken predikant.

Begrijp me goed. Ik veroordeel niet, ik constateer alleen. De centrale boodschap van mijn boek is juist dat iedereen zichzelf een beeld van God moet scheppen dat een zekere troost kan bieden in een wereld die bol staat van vervreemding, onzekerheid en geweld. Als sommigen willen vasthouden aan een 'fundamentalistische' opvatting van het goddelijke is dat hun goede recht, zolang zij maar niet anderen hun geloofsovertuiging met geweld opdringen.

Religie is echter meer dan alleen een bron van troost, ze vormt ook en vooral een uitdaging. Sinds de tijd van de profeten in de Tenach wordt God voorgesteld als degene die mensen wakkerschudt uit hun zelfvoldaanheid. Hetzelfde geldt voor de God van de Koran. Dat moeten zij die vasthouden aan het beeld van een persoonlijke God, niet vergeten. Anders blijft 'Hij' een instrument om eigen gewin te zegenen en andermans ellende goed te praten, om bepaalde groepen - vrouwen, homo's - te marginaliseren, om ons te vervreemden van eigen menselijkheid en seksualiteit.'

Hoewel zij het triomfalisme van de God-is-dood-theologen uit de jaren zestig afwijst -“dertig jaar later blijkt hoe kinderlijk optimistisch hun gedachte was dat bevrijding en een nieuwe dageraad nabij waren”- deelt Armstrong tot op zekere hoogte de opvatting van één van hen, Thomas Altizer, dat we eerst door een 'donkere nacht van de ziel', een pijnlijke stilte heen moeten voordat we nieuwe beelden van God kunnen oproepen die mogelijk weer zullen inspireren.

“Het verschaft mensen die in hun jeugd zijn doodgegooid met terroriserende godsbeelden een geestelijke adempauze, waarna ze later wellicht de draad weer kunnen opnemen. Want hoewel menigeen opgelucht afscheid nam van de 'hemelse tiran', blijkt voor velen het God-vormige gat dat hiermee in hun bewustzijn is geslagen geen reden tot vreugde. Het heeft veeleer een gevoel van intense verlatenheid doen ontstaan. Koortsachtig zoekt men naar een nieuwe God, nu de oude ten onder lijkt te zijn gegaan aan moderne wetenschappelijke en technologische ontdekkingen. Deze gunnen ons zelfs een blik vanuit de ruimte op de wereld, een vermetelheid waarvan men eeuwenlang dacht dat ze alleen aan God was voorbehouden.

Net als in de Spiltijd, tussen 800 en 200 vóór Christus, toen veel van de belangrijkste godsdiensten ontstonden als gevolg van ingrijpende sociale en geestelijke veranderingen, maakt onze tijd een proces van enorme omwentelingen mee. De ontwikkelingen op maatschappelijk en technologisch terrein gaan erg snel en grijpen diep in in ons bewustzijn. Vandaar dat er opnieuw een religieuze revolutie noodzakelijk is. In het Westen hebben we daarom behoefte aan spirituele Einsteins die onze visie op God even fundamenteel wijzigen als de geniale Zwitser deed met onze kijk op ruimte en tijd.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden