Is het publiek het Kersjes-stadium voorbij?

Niemand stond op en liep weg, en niemand riep: we hebben geen behoefte aan muziekles. Integendeel, het publiek in de volle Concertgebouwzaal luisterde vorige week aandachtig naar Gerd Albrecht. Het was op diens verzoek dat het Concertgebouworkest de uitvoering van een werk van Olivier Messiaen, 'Chronochromie' vooraf liet gaan door een gesproken toelichting als onderdeel van het programma.

FRANZ STRAATMAN

De hele programmering ademde een weldoordachte didactische houding ten opzichte van de concertgangers. Het concert werd namelijk geopend met 'Jeux' van Debussy, een uitstekende entree, want die muziek warmde de oren goed op voor de stijl en de klankkleuren van de Franse twintigste eeuwse muziek.

Het was een experiment, uitleg tijdens het concert; voor zover het geheugen reikt, zelfs de eerste keer bij dit orkest. Gebruikelijk is dat programma's in de modern gerichte C-serie mondeling worden ingeleid. Dat gebeurt in een andere zaal; het trekt een klein publiek, mensen die echt hun huiswerk willen maken. Bijzonder was het al dat in het vorige seizoen Riccardo Chailly een werk van Nono zelf inleidde, en in het concert de compositie twee keer liet spelen. Evenwel zonder commentaar .

Wat Albrecht wilde, ging een stap verder. Er was overigens aangekondigd dat Albrecht een inleiding zou houden; aan de zaalbezetting was niet te zien dat dit voornemen een aanmerkelijk deel van het publiek zou hebben afgeschrikt. Aangezien het Concertgebouworkest uit informatie had begrepen dat Albrecht dit vaker, en met succes, had gedaan, mocht hij zijn gang gaan.

Verrassend, spannend, tot in de puntjes voorbereid. Deze trefwoorden verklaren het succes van zijn presentatie. Na het applaus van 'Jeux', kwam hij terug en begon hij energiek aan 'Chronochromie'. Toch geen uitleg? Daarmee had hij het publiek al bij de oren genomen. Pas na een fiks aantal openingsmaten sloeg hij af, keerde zich naar het publiek en begon, zonder gepruts met een microfoon, perfect versterkt, te vertellen. In het Duits, wat geen enkel bezwaar bleek; op de humoristische trekjes in zijn verhaal werd direct en massaal gereageerd.

Zo zouden concerten met eigentijdse muziek vaker moeten worden gepresenteerd. De C-serie van het Concertgebouworkest is een uitstekende plek om op een of andere manier, goed voorbereid, een breed publiek begrip en inzicht bij te brengen. Een toelichting in een zaaltje vooraf is mooi, maar dan moet je een half uur eerder komen. Daar heeft lang niet iedereen tijd voor; gemakzucht zal ook meespelen.

Moet het alleen bij muziek van onze eeuw? Hoeveel concertgangers hebben werkelijk inzicht in een o zo bekende Beethoven-symfonie? Is het doorsnee Nederlands concertpubliek het 'Kersjes-stadium' ontgroeid? Ik noem dat zo, aangezien Anton Kersjes in de jaren zeventig het voortreffelijke initiatief nam om ieder programma dat hij dirigeerde in een speciale serie (de zogenaamde Albert Heijn-concerten) van zijn Amsterdams Philharmonisch Orkest, te beginnen met een gesproken toelichting. Kersjes had dat didactische in zich, en hij kweekte er enorme goodwill mee voor het symfonisch repertoire en voor zijn orkest.

Hij begon met echt nieuw publiek en dus hield hij zich met zijn praatjes aan de oppervlakte. Ik zou er voor willen pleiten dat orkesten in hun series enkele concerten zo opzetten, dat er na een bijpassend openingswerk een inleiding volgt op het hoofdprogramma. Niet alleen voor moderne stukken, maar ook eens voor een vierde symfonie van Brahms bij voorbeeld. Dat zet veel meer zoden aan de dijk dan gedrukte toelichtingen. Ik vraag me af of die - indien ze al gelezen worden- hun doel bereiken, gelet de vele ontoegankelijke formuleringen, duffe zinnen en overbodige anekdotes die ik regelmatig in programmabladen tegenkom.

Luisteren naar muziek, in een zaal of thuis bij de geluidsinstallatie, heet chic: passieve muziekbeoefening. Of luisteren zo 'passief' is, betwijfel ik zeer. Althans, muziekluisteren moet geen passieve bezigheid zijn, vandaar ook bovenstaand pleidooi. Ideaal is natuurlijk een combinatie met de zogenaamde 'actieve muziekbeoefening': zelf spelen of zingen. Nederland telt zo'n zo'n twee miljoen 'actieve' amateurs; 1,3 miljoen bespeelt een instrument (daarvan zijn er zo'n 5 miljoen in onze huishoudens), zo'n 700 000 zingt, doorgaans in koor- en ensembleverband.

Dat blijkt uit de Muziekreisgids 1994 van het LOAM, afkorting voor Landelijke Ondersteuning Amateurmuziekorganisaties (een scrabble-woord). De LOAM overkoepelt zes muziekbonden. De grootste is de FASO, de Federatie van Amateur Symfonie- en Strijkorkesten; liefst tweehonderd zijn er daarvan met ruim 8000 amateur-orkestmusici. Dat is de humuslaag waarop onze rijke beroeps-orkestcultuur kan bestaan.

Tot de LOAM behoort ook de bekende Vereniging voor muziek en instrumentenbouw Huismuziek met 5000 leden, waar de aandacht geconcentreerd is op de renaissance, de barok (wat meer is dan blokfluitspel) en de volksmuziek. Verrassend voor mij was het bestaan van de Nederlandse Organisatie voor akkordeon en mondharmonica; 170 verenigingen, met 260 orkesten waarin 5000 mensen actief zijn.

LOAM doet meer dan overkoepelen; zij organiseert via haar bonden ook cursussen, van volksmuziek tot orkestspel, van stemcursus voor klavecimbel tot panfluitbouw. LOAM presenteert al die activiteiten als reizen: reizen naar klanklandschappen. Aan alles is gedacht: zelfs een spoedcursus zingen voor instrumentalisten in twee middagen!. Nou, zo eenvoudig is zingen ook weer niet.

De details staan in de Muziekreisgids, gratis te verkrijgen bij LOAM, Keizerstraat 3, 3512 EA Utrecht; telefoon 030-302301.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden