Is het 'oude Europa' gedoemd tot de ondergang?

De Engelse psychiater en essayist Theodore Dalrymple schreef een maand voordat in Frankrijk de onlusten uitbraken over het regeringsvoorstel om jonge werknemers binnen twee jaar zonder opgaaf van redenen te kunnen ontslaan: 'De Fransen verdedigen hun persoonlijke en groepsbelangen zo fanatiek dat hervormingen bijna onmogelijk zijn en altijd beantwoord worden met gewelddadigheden op straat.' Ook de andere Europese landen lijden volgens Dalrymple aan 'een obsessie met sociale zekerheid, die heeft geleid tot rigide sociaal-economische systemen die uitermate resistent zijn tegen verandering'.

Wijlen professor Joad, die meer een populariserende dan een echte filosoof was, begon zijn antwoord op elke vraag met te zeggen 'het hangt ervan af wat je bedoelt met ' - in dit geval 'gedoemd tot de ondergang'. Die term 'gedoemd' impliceert een onontkoombaar noodlot, waartegen mensen zich waarschijnlijk tevergeefs verzetten. En dit impliceert op zijn beurt een geschiedenisfilosofie die betwistbaar is.

Voor het historisch determinisme bestaan twee bronnen. Ten eerste het schijnbare vermogen van historici, die natuurlijk het voordeel hebben van de wijsheid achteraf, om álle historische gebeurtenissen met een redelijke mate van aannemelijkheid te verklaren, zelfs als hun verklaringen van dezelfde gebeurtenissen sterk uiteenlopen. Daardoor wekken ze de indruk dat het verleden gedetermineerd was, en dat dus ook de toekomst wel vast moet liggen.

En, ten tweede, de neiging van mensen om te veronderstellen dat de huidige statistische of sociale trends zich zullen voortzetten, met andere woorden: dat projecties van het nu bestaande hetzelfde zijn als predicties (voorspellingen). Je hoeft alleen maar te kijken naar de exponentiële groei van een bacterie op een Petri-schaal - als die zich zou voortzetten, zou de hele biosfeer algauw alleen maar uit dat organisme bestaan - om te beseffen dat projecties niet noodzakelijk leiden tot accurate voorspellingen.

Apenrots

Toch valt moeilijk te ontkennen dat er tegenwoordig een doemsluier hangt boven Europa. Achteraf kan de twintigste eeuw worden beschouwd als het melancholische, langgerekte, wegstervende gebulder van Europa (om Matthew Arnolds beschrijving van het verval van de godsdienst te parafraseren). En net zoals het continentale Europa, in de woorden van Disraeli, niet lang zou dulden dat Groot-Brittannië dé werkplaats van de wereld was, zo duldde de wereld niet lang dat het continentale Europa haar economisch, cultureel en intellectueel overheerste. Het verlies aan macht en invloed van Europa gaat tot op de dag van vandaag door, en hoezeer onze materiële omstandigheden ook zijn verbeterd (kijk maar eens naar foto's van het dagelijks leven in Frankrijk of Engeland in de jaren vijftig en vergelijk ze met de huidige toestand), het is altijd onplezierig en het wekt een diep existentieel onbehagen om in een land te leven dat permanent in verval is, ook al is dat verval alleen maar relatief.

Hiermee hangt samen dat de meeste Europese volken een groot gevoel van onmacht ervaren tegenover hun eigen politieke elites die onbeweeglijk op hun plaats blijven zitten. (Mijn vrouw die 56 jaar geleden werd geboren in Parijs, kan zich vanaf haar adolescentie geen enkele periode herinneren waarin de heer Chirac geen prominente figuur was in het Franse openbare leven. En van de heer Mitterrand had hetzelfde gezegd kunnen worden als hij niet, na een verblijf van zo'n vijftig jaar aan de top van de apenrots, was overleden.)

Dit gevoel van onmacht komt niet voort uit een gebrek aan intelligentie of slimheid van de kant van het betreffende volk. Als je wilt weten waarom er zo'n grote jeugdwerkloosheid is in Frankrijk kun je dat beter niet vragen aan premier Dominique de Villepin. De oneindig veel eerlijker dorpsloodgieter of timmerman kan je precies en overtuigend uitleggen waarom geen werkgever die goed bij zijn hoofd is gemakkelijk een nieuwe werknemer zonder werkervaring aanneemt. Er is juist een bepaald soort intelligentie voor nodig, voorbehouden aan mensen die veel formeel onderwijs hebben gevolgd, om het niet uit te kunnen leggen.

De belangrijkste kracht achter het huidige verval van Europa is volgens mij zijn obsessie met sociale zekerheid, die heeft geleid tot rigide sociale en economische systemen die uitermate resistent zijn tegen verandering. Deze obsessie met sociale zekerheid is zelf weer verbonden met angst voor de toekomst. Want de toekomst heeft Europa onheil en verval gebracht, en dat verval houdt al meer dan een eeuw aan. Protectie

Waar zijn de Europeanen nu precies bang voor, gegeven het feit dat hun verval gepaard is gegaan met een niet eerder vertoonde toename in absoluut materieel welzijn? Een open economie zien zij meer als een bedreiging dan als een belofte. Zij geloven dat de buitenwereld hun geen handel en welvaart zal brengen, maar werkloosheid en verlies van luxe. Daardoor zijn ze geneigd in hun schulp te kruipen en toe te geven aan de protectionistische verleiding, zowel intern, op het gebied van de arbeidsmarkt, als extern, in hun verhouding tot andere landen. En hoe meer vooruitgang die andere landen boeken ten opzichte van henzelf, des te noodzakelijker lijkt hen het systeem van protectie. Zo creëren ze een vicieuze cirkel.

Gaandeweg krijgt de staat steeds grotere bevoegdheden, ofwel doordat ze hem worden geschonken ofwel doordat hij ze zich toeëigent. Zo wordt een bureaucratisch monster gecreëerd dat een eigen leven gaat leven en dat niet alleen oneconomisch, maar ook anti-economisch is en dat alleen hervormd kan worden ten koste van een sociale onrust die politici instinctief liever vermijden. Inertie, van tijd tot tijd onderbroken door uitbarstingen, is daarom het meest waarschijnlijke resultaat.

Honderdduizenden jonge Fransen, die eraan wanhopen ooit een baan te zullen vinden in hun eigen land, waar een kwart van de mensen tussen twintig en dertig jaar werkloos is, zijn het Kanaal overgestoken om hun voordeel te doen met de relatief flexibele Britse arbeidsmarkt. De Britse regering is overigens bezig om die arbeidsmarkt te verpesten door een steeds striktere regulering naar Frans centralistisch model. Sinds de huidige regering aan de macht is, heeft zij de publieke uitgaven zo enorm laten stijgen dat de Britse belastingdruk nu nog zwaarder is dan die van Duitsland, dat zelf een zeer zwaar belaste economie kent.

Het voorgewende doel van deze hoge uitgaven was om de publieke voorzieningen te verbeteren, waarmee de sociale rechtvaardigheid gediend was, een retoriek die tot dusver door het publiek is geloofd; het verborgen oogmerk of in ieder geval het effect was om op een niet eerder vertoonde schaal administratieve banen te creëren waarvan de voornaamste functie het dwarsbomen is van mensen die proberen welvaart te scheppen, en om een politieke clientèle in het leven te roepen die afhankelijk is van de 'vrijgevigheid' van de overheid. (Het inkomen van de helft van de Britse bevolking bestaat tegenwoordig geheel of gedeeltelijk uit overheidssubsidies.) Dat leidt niet alleen tot economische rampen, maar ook tot de psychologie die bondig is beschreven door Hilaire Belloc in de moraal van zijn waarschuwende verhaal over Albert die werd opgegeten door een leeuw in de dierentuin toen hij wegliep bij de oppas met wie hij daar naartoe was gegaan:

'And always keep a-hold of nurse

For fear of finding something worse.'

(En blijf altijd aan de hand van de oppas lopen

Omdat je anders nog iets veel ergers tegen kunt komen.)

Parasitisme

De bevolking die afhankelijk is van de staat, houdt niet van de staat en zijn vertegenwoordigers, ze haat hen juist. Maar algauw wordt de angst dat de goede zorgen van de staat zullen ophouden nog groter dan de haat. Die mensen lijken op drugsverslaafden die weten dat de drug die ze gebruiken niet goed voor hen is, en die de dealer van wie ze de drug krijgen, verafschuwen, maar die niet opgewassen zijn tegen de veronderstelde pijn van de onthoudingsverschijnselen. En wat geldt voor Groot-Brittannië, geldt, met enkele uitzonderingen, voor heel Europa.

Uit naam van de sociale rechtvaardigheid, zijn persoonlijke en deelbelangen almachtig geworden, waardoor alle pogingen om het gemeenschappelijke streven zo sterk mogelijk te maken, verlamd raken. Nergens is dit duidelijker dan in Frankrijk waar uit een onderzoek (gepubliceerd in het linkse dagblad Libération) bleek dat drie keer zoveel mensen sympathiseerden met het socialisme dan met het kapitalisme. (Driekwart van de Franse jongeren wil niets liever dan een baan bij de overheid.)

Toch verdedigen de Fransen hun persoonlijke en groepsbelangen zo fanatiek dat het hervormingen bijna onmogelijk maakt; in elk geval worden hervormingen altijd beantwoord met gewelddadigheden op straat. Werknemers bij het Franse openbaar vervoer, die privileges genieten waar Lodewijk de Veertiende jaloers op was geweest, gaan onmiddellijk staken wanneer een vermindering daarvan ook maar even ter sprake wordt gebracht, alles uit naam van het instandhouden van de sociale rechtvaardigheid die door die privileges wordt belichaamd, en ondanks het feit dat hun privileges de overheid aan de rand van het faillissement brengen en stakingen ellende en armoede teweegbrengen bij miljoenen medeburgers. Het doel van iedereen is te parasiteren op ieder ander of om te vechten voor een zo groot mogelijk stuk van de taart. En niemand maakt zich zorgen over de grootte van de taart zelf. Après moi, le déluge (Na mij de zondvloed), een motto dat wordt toegeschreven aan Lodewijk de Vijftiende, is het motto van een hele bevolking geworden.

Frankrijk is in dit opzicht misschien erger dan de meeste andere Europese landen, maar valt toch niet in een heel andere categorie. Het spreekt vanzelf dat de rest van de wereld, die steeds competitiever en globalistischer is geworden, zich niet dezelfde zorgen gaat maken als de Europese regeringen. En hoewel het mogelijk is dat de Europese landen desondanks zullen overleven en economisch quitte spelen door kleine, nog onbezette markten te vinden, dan nog zou dit de marginalisering betekenen van een continent dat eraan gewend is zichzelf te zien als het centrum van de wereld. Natuurlijk is marginalisering niet hetzelfde als ondergang, tenzij je denkt dat belangrijk zijn in de wereld zélf het allerbelangrijkste is.

Kaste

Maar er zijn nog andere bedreigingen voor Europa. De miserabilistische opvatting over het Europese verleden - waarin de gigantische prestaties worden veronachtzaamd ten gunste van de bloedbaden, de onderdrukking en ongerechtigheid - berooft de Europese bevolking van elk gevoel van trots en elk gevoel voor traditie waaraan ze zou kunnen bijdragen of die het waard zou kunnen zijn te behouden. Dit verlies van cultureel zelfvertrouwen is in het bijzonder belangrijk in een tijd van massale immigratie vanuit vreemde culturen, een immigratie die alleen maar succesvol kan worden aangepakt (zoals gebeurd is in het verleden en in de Verenigde Staten tot het tijdperk van het multiculturalisme) als de ontvangende landen zichzelf zien als dragers van een cultuur waarin de immigranten graag willen, of zouden moeten willen, integreren; die zij zich graag eigen willen maken.

Als die overtuiging niet aanwezig is, bestaat het risico dat de inwoners van een land alleen maar iets geografisch gemeenschappelijk hebben. En ze zullen het probleem van hun zeer verschillende en diep gewortelde inzichten over hoe het leven geleefd moet worden, oplossen met burgertwisten. Dit geldt nog sterker wanneer immigranten denken in het bezit te zijn van een unieke en universele waarheid, zoals de islam in zijn verschillende vormen vaak claimt. Als het immigratieland een zodanig gebrek heeft aan cultureel zelfvertrouwen dat het zelfs een vertrouwdheid met de nationale taal niet tot voorwaarde van burgerschap maakt (wat tot voor kort het geval was in Groot-Brittannië), dan hoeft het niet te verrassen dat de integratie geen bijster grote vorderingen maakt.

Het probleem wordt nog veel groter als een rigide arbeidsmarkt een kaste creëert van mensen die werkloos zijn en die een grote kans lopen dat de rest van hun volwassen leven te blijven. De bitterheid die wordt veroorzaakt door economische nutteloosheid wordt dan vermenigvuldigd met de bitterheid van de culturele separatie.

In het geval van de islam is dit vooral gevaarlijk, omdat de mengeling van een besef van minderwaardigheid enerzijds en superioriteit anderzijds historisch gezien bijzonder brandbaar is gebleken. Zuid-Amerikanen hebben zich zo gevoeld tegenover de Verenigde Staten, Russen tegenover West-Europa, en Chinezen en Japanners tegenover Europa en Amerika. Ongetwijfeld zijn er nog veel meer voorbeelden van te geven.

Slaapwandelen

Toch is de ondergang of het verdere verval van Europa niet onvermijdelijk. Maar dan moet er wel actief worden ingegrepen. De voortekenen zijn niet gunstig, niet alleen vanwege de politieke onbeweeglijkheid, veroorzaakt door gedetailleerde stelsels van sociale zekerheid in de meeste Europese landen, maar ook vanwege de Europese multinationale entiteit die tegen de wens van de Europese volken (voorzover die gepeild kan worden) tot stand wordt gebracht.

De Europese Unie dient vele doeleinden die geen van alle veel te maken hebben met de echte uitdagingen waar het continent voor staat. De EU helpt de Duitsers vergeten dat ze Duitsers zijn, en geeft hun een andere identiteit die ze aangenamer vinden; de EU maakt het de Fransen mogelijk te vergeten dat zij tegenwoordig een van de vele middelgrote landen zijn, en verschaft hun de illusie van macht en gewichtigheid; de EU fungeert als een reusachtig pensioenfonds voor politici die niet meer succesvol willen of kunnen wedijveren in de jungle van de electorale politiek, en stelt hen in staat, nog lang nadat ze zijn afgewezen door de kiezers, te blijven vasthouden aan invloed en macht; en de EU fungeert als een potentiële vesting tegen de winden van de competitie die nu vanuit de hele wereld komen aanwaaien en die zeer verontrustend zijn voor mensen die niets liever willen dan zekerheid.

Apocalyptisch denken geeft een eigenaardig genoegen. 'Gedoemd tot de ondergang' is volgens mij te sterk uitgedrukt; ik denk dat het preciezer zou zijn om te zeggen dat Europa slaapwandelt naar een verdergaand relatief verval. Maar we moeten ook in alle bescheidenheid blijven beseffen dat de toekomst uiteindelijk niet kenbaar is.

Dit artikel verscheen op 8 februari op de website van het Cato Instituut in Washington, www.cato-unbound.org.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden