Is het architectuur of tijdgeest?

Zestien jaar geleden kreeg de Tweede Kamer een nieuw onderkomen. Sindsdien is de Haagse mores verrassend veranderd.

Teun Lagas

In de oude Tweede Kamer, met de kleine groene toegangsdeurtjes aan het Binnenhof, werd de belangstellende burger die ’Den Haag’ eens van dichtbij wilde zien, net als nu naar de publieke tribune geloodst.

Het verschil is dat er toen weinig controle was op bezoekers die eenmaal binnen waren. Zo wandelde begin jaren zeventig, midden in een debat, eens een groepje verdwaalde Japanners in gele regenjacks de plenaire vergaderzaal binnen, via het trapje voor de stenografische dienst dat vlak voor het spreekgestoelte eindigde. De Kamervoorzitter wees de dwaalgasten laconiek een uitweg tussen groene bankjes.

Die onschuld is voorbij. Hoe transparant het nieuwe Kamergebouw er ook uitziet met z’n doorkijkjes naar de oudere Binnenhofbehuizing en z’n glazen wandelgang rond de grote vergaderzaal, in de praktijk is het een vesting met een geslotenheid die architect Pi de Bruijn nooit wenste.

Het Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2008, dat vandaag verschijnt, is gewijd aan de rituelen, symbolen en tradities die de Haagse mores maken tot wat ze zijn. Een hoofdstuk belicht de invloed van de veranderingen in het Kamergebouw.

Hoe anders dan in het oude gebouw verloopt het verkeer tussen Kamerleden en publiek en tussen Kamerleden en journalisten? En, niet onbelangrijk, tussen Kamerleden onderling? En ligt dat aan de architectuur van De Bruijn?

Toen het nieuwe gebouw in 1992 werd geopend werd De Bruijns plan om de centrale hal permanent open te stellen voor het publiek, als een passage voor wandelaars door de binnenstad, op het laatste moment gedwarsboomd. De roep om meer beveiliging werd toen al sterker.

De hoop van de architect dat de hal in latere jaren alsnog bij het publieke domein zou worden getrokken, vervloog in 2002. Vlak voor de moord op Pim Fortuyn werd onder Kamervoorzitter Jeltje van Nieuwenhoven nog eens bekeken of er toch meer openheid voor het publiek mogelijk was, maar de kogel in Hilversum bracht de beveiligers in Den Haag definitief in een kramp.

Hoewel ze lastig en tijdrovend zijn, al die detectiepoortjes en veiligheidssluizen, blijft het bezoekende publiek er niet om weg. De tribune zit ook nu, vooral tijdens het dinsdagse vragenuurtje, bomvol.

Hoe verging het intussen de journalisten? De grootste ingreep van de bewakers is dat journalisten tijdens het vragenuur en de stemmingen, alsmede op andere ’drukke vergaderdagen’ niet meer welkom zijn in de ronde glazen wandelgang die grenst aan de plenaire vergaderzaal.

Die gang is voor journalisten een goede plek om Kamerleden even aan te schieten voor een kort gesprek, maar die praatjes liepen vaak uit op een soort roezemoezige receptie. Te rumoerig en te onveilig is het argument, met de nadruk op onveilig.

In de oude Balzaal, waar de Kamer vroeger vergaderde, werden journalisten toegelaten in de ruimtes achter dikke groene gordijnen. Daar werden ze door de bodes net zo goed weggestuurd wanneer het te rumoerig werd. Zo bezien maakt de lastige beveiligingsmaatregel voor de huidige ronde wandelgang niet erg veel verschil.

Maar plekken om even entre nous, sub rosa, te babbelen met een lid van deze of gene fractie zijn in het nieuwe Kamergebouw minder makkelijk te vinden dan in de oudbouw. Hier heeft het strakke, doorzichtige ontwerp van De Bruijn wel degelijk invloed op de relatie tussen Kamerleden en journalisten.

Rond de vroegere vergaderzaal stikte het van nisjes en donkere hoekjes waar een Kamerlid eventjes door een journalist in gesleept kon worden, in het belang van het feest van de democratie en de primeurjacht van de krant.

Maar juist in de jaren dat de Kamer zich opmaakte voor de verhuizing naar de nieuwbouw, begon de leefwereld aan het Binnenhof toch al te veranderen. Nieuwe generaties politici en journalisten beschouwden het Kamergebouw minder als een plek waar je 24 uur per dag een bestaan had. Ze gingen op tijd naar huis, soms al aan het eind van de middag. Het gezamenlijke drankgebruik was niet meer wat het geweest was. Jan Pronk, oud-minister van ontwikkelingssamenwerking, vatte het in Vrij Nederland in één zin samen: ’Ik ren, Elske ter Veld zeilt en Relus ter Beek golft’.

Het slagveld overziend is de relatie journalist-Kamerlid letterlijk nuchterder dan in de oudbouw. Dat is echter maar voor een klein deel het gevolg van de architectuur van de nieuwbouw. Veel meer komt het door strakkere fractiediscipline, het internet en de mobiele telefoon.

Veel Kamerleden hebben, door een gebrek aan zelfbewustzijn, last van de fractiediscipline die voorschrijft dat voorlichters betrokken moeten zijn bij interviews met journalisten. Ze opereren minder vrij. En persberichten, speeches of partijbladen, die journalisten vroeger bij de fracties kwamen ophalen terwijl ze terloops nog eens wat Kamerleden ontmoetten, staan tegenwoordige op de sites van de partijen. De journalist kan achter z’n bureau blijven zitten.

De oude onderonsjes zijn vervangen door sms’jes. Nog tijdens een fractievergadering kan per sms even gesmoesd worden met een bevriend Kamerlid: hoe lopen de hazen bij jullie? Zakelijk, want zo’n contact is per definitie uiterst kort. En lichaamstaal is van het telefoonschermpje nu eenmaal moeilijk af te lezen.

Zonder dat er ooit over is geklaagd, is er na 1992 wel iets belangrijks veranderd in het verkeer tussen de Kamerleden onderling. Zij werden in de nieuwbouw plotseling per partij geclusterd. En dat heeft nadelen.

In de oudbouw zaten volksvertegenwoordigers in hun kantoorruimtes niet alleen krap op elkaar, ze zaten ook door elkaar heen. Op de derde etage van gebouw Koloniën waren de redactieruimtes van Trouw, het ANP en Het Parool. Op de hoek huisde Andrée van Es met haar PSP, daarnaast hield Ad Lansink van het CDA kantoor. In deze multipolitieke samenleving woonde ook buurman Huib Eversdijk van het CDA, die een VVD’er als buur had, de zwijgzame dr. Reinier Braams, liberaal voorvechter van meer kernenergie.

Ook in andere vleugels in het oude Kamergebouw was het de gewoonste zaak van de wereld dat liberalen, sociaal-democraten, christen-democraten en ’radikalen’ naast elkaar gehuisvest waren.

Ook de vergaderkamers van de fracties lagen kris kras door elkaar. De fractiekamer van het CDA in Binnenhof 1a keek zo’n beetje uit op de deur van het hoofdkwartier van de PvdA-leden. Onderweg naar ’de fractie’ kruisten CDA’ers en PvdA’er elkaar en snoven ze terloops op hoe de sfeer bij de tegenstander was.

Kom daar nu eens om. In het huidige Kamergebouw hebben alle grote fracties zich verschanst in een eigen vleugel. Voor een vergadering in hun fractiekamer hoeven ze hun eiland niet te verlaten.

Zou een Kamerlid van de PvdA vanuit zijn vesting op Koloniën een wandelingetje maken door het gebouw Justitie, zomaar zonder aanwijsbare reden, dan kijken de CDA-bewoners daar waarschijnlijk vreemd op. Wat heeft die bij ons te zoeken?

De clustering in het nieuwe gebouw, waardoor Kamerleden vaker in eigen kring verkeren, is efficiënt. Het is een zegen voor de fractiediscipline. Voorlichters, fractievoorzitters en hun secretarissen houden graag een oogje op hun leden.

Diezelfde clustering is een plaag voor Kamerleden die meer onafhankelijkheid nastreven, zoals goede parlementariërs past. Waarom zou het presidium van de Tweede Kamer het feest van de democratie niet verhogen door de Kamerleden opnieuw in een mix te huisvesten? Misschien draagt zo’n hernomen gemengde kantoortjescultuur wel bij aan meer onafhankelijkheid onder parlementariërs. Misschien eindigt die droom wel bij meer dualisme. De architectuur staat zo’n multipolitieke huisvesting niet in de weg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden