Is de Heilige Geest dan toch een vrouw?

Was Jezus getrouwd? Sommige vroege christenen dachten van wel, blijkt uit een pas onthulde papyrussnipper uit de vierde eeuw. Hoogleraar Hans van Oort viel iets anders op: God wordt op het papiertje aangeduid als vrouw.

Op een congres voor koptologen presenteerde Harvard-onderzoekster Karen King onlangs een opzienbarende vondst: een papyrusfragment uit de vierde eeuw waarop Jezus spreekt over 'mijn vrouw'. King schreef een artikel over haar ontdekking, dat mogelijk januari 2013 in Harvard Theological Review verschijnt, maar dat zij nu al genereus ter beschikking heeft gesteld.

King kreeg het papyrusfragment van een onbekende verzamelaar. Het stukje lijkt oud en autoriteiten als King's collega AnneMarie Luijendijk (Princeton) en vooral de beroemde papyroloog Rogner Bagnall (New York University) nemen aan dat het authentiek is. Na ontvangst van digitale foto's van het fragment en een transcriptie van de tekst zegt ook de koptoloog Ariel Shisha-Halevy (Hebrew University, Jeruzalem) dat het om een echt oude tekst gaat.

Wereldwijd zijn intussen bezwaren gerezen. Deskundigen wijzen op afwijkingen in de Koptische grammatica. Daarnaast is het schrift nogal 'gebrekkig' en niet direct passend bij de gebruikelijke overlevering van een 'heilige' tekst. En gaat het hier wel om een fragment uit een codex, zoals King beweert? Mogelijk is het slechts een gedeelte van een amulet.

De opvallende overeenkomst met het Thomasevangelie zou op vervalsing kunnen wijzen. Door de vondst van de Nag Hammadi-geschriften (december 1945) hebben we van dat evangelie de vrijwel volledige tekst in een vierde-eeuws manuscript. En via moderne edities, vooral die van uitgeverij Brill in de Coptic Gnostic Library, is die tekst gemakkelijk toegankelijk - ook voor ingenieuze vervalsers. Aan de andere kant: zulke parallellen maken het document verdacht, maar zijn op zichzelf nog geen bewijs van vervalsing. Men kan zeer wel ook stellen dat vanuit eenzelfde traditiestroom verwante gedachten bekend worden.

Al met al blijft grote behoedzaamheid geboden. Wie bekend is met Egypte, weet dat iedereen daar een blank stuk (en zelfs echt oud!) papyrus kan aanschaffen. De manier waarop de inkt zich aan het papyrus heeft gehecht, lijkt evenwel authentiek, evenals bijvoorbeeld de verblekingen van papyrus en inkt. Zwak punt blijft dat de uitslag van een chemische test van de inkt nog steeds niet bekend is. Het was absoluut beter geweest wanneer vóór publicatie die test was afgewacht. Nu is er enorm veel rep en roer om een vondst die misschien een vervalsing blijkt.

Dat het om een vervalsing zou gaan, wordt nu zelfs op naam van het Vaticaan beweerd. Sinds vrijdag zijn de echte Dan Brownfans op hun wenken bediend. Toen sprak eindelijk, middels zijn huisorgaan de Osservatore Romano, het Vaticaan. Persbureau's en massa's bloggers waren er als de kippen bij om te melden dat Rome de tekst als een vervalsing beschouwt. Maar het bericht van collega Alberto Camplani zegt dat zó niet! Hij hekelt de hype in de media en zegt terecht dat het stukje papyrus niet bij een opgraving is ontdekt, maar via handelaren opdook. En dat bij zo'n tekst uiterste voorzichtigheid past.

Laten we er voorlopig vanuit gaan dat de tekst authentiek is. Mocht vroeg of laat het tegendeel blijken, dan roept in ieder geval een uiterst geraffineerd vervalser met kennis van zaken een ideeënwereld op die plausibel lijkt. Het fragment van circa 4 bij 8 centimeter is aan voor- en achterkant beschreven. Aan de voorzijde leest men onder meer: 'Mijn moeder gaf me (het) lev[en]. De leerlingen zeiden tot Jezus: [ ] Maria is het [niet?] waardig. [...] Jezus zei tot hen: Mijn vrouw ... [...] zij is in staat mijn leerling te zijn ... [...] Laat de goddeloze mens opzwellen ... Wat mij betreft, ik verblijf bij haar opdat ... een beeld ...'.

Op de achterkant zijn in ieder geval de woorden 'mijn moeder' en 'drie' te ontwaren. Totaal toont de voorkant sporen van negen beschreven regels, de achterzijde zeven.

Het fragment kan uit de tweede helft van de vierde eeuw stammen. Sommigen houden het papyrus intussen voor jonger. Wanneer het, samen met de tekst, inderdaad gedateerd kan worden tussen 350 en 400 na Christus, komt het allereerst overeen met geschriften uit Nag Hammadi. Die Koptische papyri dateren grosso modo uit dezelfde tijd. Parallellen met het Thomasevangelie, zoals Thomasevangelie 101 en 114, zijn opvallend: daarin zegt Jezus onder meer dat zijn 'ware moeder' hem het leven gaf, en wordt een discussie beschreven over de waardigheid van 'Maria' - naar men algemeen aanneemt: Maria Magdalena.

Wat is nu het belang van deze vondst? Volkomen nieuw en ongehoord is ongetwijfeld dat de nieuwe tekst Jezus spreekt over 'mijn vrouw' (tahime). De Maria in de tekst is vermoedelijk Maria Magdalena.

Het uit Nag Hammadi bekende Evangelie van Filippus meldde al een bijzondere relatie tussen Jezus en Maria Magdalena: 'Hij hield meer van haar dan van de andere leerlingen en kuste haar vaak op de mond'. Mogelijk dient deze traditie nu niet slechts als symbool voor 'geestelijke' liefde te worden uitgelegd. Voor het eerst hebben we nu een bericht uit dezelfde tijd waarin Jezus het letterlijk over zijn vrouw heeft. Het fragment kan evenals de verwante teksten van Thomas en Filippus teruggaan op een Grieks origineel uit de tweede helft van de tweede eeuw.

Maar 'mijn vrouw' kan ook wel te lezen zijn in de context van een andere traditie, die een streng dualisme tussen het lichamelijke en het geestelijke huldigde. Het kwam in de vroege kerk voor dat een asceet samenleefde met een vrouw, evenwel zonder seks. Die verzoeking doorstaan, werd beschouwd als het hoogtepunt van onthouding. De eerste berichten over dit merkwaardige fenomeen van de 'ondergeschoven maagd' (virgo subintroducta) dateren uit de derde eeuw. In de eeuw daarna werd het herhaaldelijk op kerkelijke synoden verboden.

De huidige mediahype focust vooral op die intussen roemruchte woorden 'mijn vrouw'. Maar duidelijk moge zijn: over de historische Jezus aan het begin van onze jaartelling kan een dergelijk Koptisch fragment, ook als het echt is, geen uitsluitsel geven.

Een ander interessant gegeven in de tekst kreeg tot nu toe geen bijzondere aandacht. Jezus spreekt niet alleen over 'mijn vrouw', maar (twee keer zelfs!) over 'mijn moeder'. De levengevende moeder is hier God zelf, of concreter: Gods Geest.

Vanwege de vele overeenkomsten met het Thomasevangelie is het niet waarschijnlijk dat het hier om Jezus' aardse moeder Maria gaat. In het Thomasevangelie verschijnt de aardse moeder negatief en wordt ze gesteld tegenover de 'ware moeder' die het leven geeft (Thomas 101).

Over Gods Geest als Jezus' moeder wordt op opvallende wijze gesproken in fragmenten die zijn overgeleverd van het Evangelie van de Hebreeën (wellicht uit de tweede, volgens sommigen zelfs de eerste eeuw). En niet alleen daar: ook vele Syrische christenen spraken zo over God de Heilige Geest.

De achtergrond hiervan is dat Geest (ruach) in het Hebreeuws, en verwante talen als het Syrisch, vrouwelijk is. Dat was kenmerkend voor het oudste joods-christelijke spreken over God, oftewel letterlijk: hun 'theo-logie'. Later verdween die theologie, samen met die joodse christenen, grotendeels in de nevelen van de geschiedenis.

De auteur is hoogleraar vroeg christendom in Nijmegen en onder meer managing editor van de wetenschappelijke serie Nag Hammadi and Manichaean Studies (Brill: Leiden-Boston).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden