Is 'ambtsbericht' uit Zaïre wel betrouwbaar?

Is het wel mogelijk in een land als Zaïre de juiste informatie te krijgen over een asielzoeker en zo een kloppend 'ambtsbericht' over diens vluchtverhaal op te stellen? Het Coördinatiepunt Kerkasiel, waarin een aantal organisaties en asiel verlenende kerken samenwerken, betwijfelt dit ten sterkste.

In het ambtsbericht wordt ingegaan op enkele facetten van het vluchtverhaal van de asielzoeker; meestal worden beweringen van de asielzoeker ontkend, of worden deze in een voor de asielzoeker ongunstig daglicht geplaatst.

Althans tot voor kort hadden zulke ambtsberichten in de asielprocedure een grote mate van onaantastbaarheid: de rechter is niet gauw geneigd de berichten van Buza in twijfel te trekken, des te gemakkelijker de beweringen van de asielzoeker. De verdediging staat dan voor de (vaak wegens het korte tijdsbestek uiterst moeilijke) taak het ambtsbericht geheel of ten dele te weerleggen.

Twijfel

De laatste tijd echter is in toenemende mate twijfel ontstaan of ambtsberichten van Buza wel zo betrouwbaar zijn als wordt gesuggereerd. Zo verzamelden de vertegenwoordiger van de grote Zaïrese oppositiepartij UDPS en de Solidariteitsgroep Zaïrese Vluchtelingen (SVZ) circa dertig voorbeelden van ambtsberichten over Zaïrese asielzoekers die ronduit onjuist of op z'n minst twijfelachtig waren.

Dit leidde tot schriftelijke vragen in de Tweede Kamer door de woordvoerders van de PvdA en D66, waarin aan de staatssecretaris van justitie werd gevraagd uit te leggen hoe de ambassade aan haar informatie komt en waarom het ministerie meent dat deze betrouwbaar is. De reactie was weinig bevredigend; zij bevatte niet meer dan de vaststelling dat het ministerie van oordeel was dat de verkregen informatie betrouwbaar is, punt uit.

Inmiddels heeft de vertegenwoordiger van de UDPS in Nederland, Mukelenge Kabamba, opnieuw het ministerie van justitie benaderd met een dossier van negentien soortgelijke gevallen. Wil men niet een van beide partijen, de asielzoeker en de Nederlandse overheid, à priori van kwade trouw beschuldigen, dan zal bij de bestudering van dit materiaal toch de vraag moeten rijzen: is het wel redelijkerwijs mogelijk in een maatschappij als die in Zaïre over een individueel persoon inlichtingen te verzamelen, die met een grote mate van waarschijnlijkheid correct zijn?

Hoe gaat een onderzoek op verzoek van de IND naar de antecedenten van een concrete Zaïrese asielzoeker in zijn werk?

Uit diverse informatie komt het volgende beeld naar voren: de IND stuurt een verzoek daartoe naar Buza, vergezeld van een aantal gegevens, afschriften van de te onderzoeken documenten en een pasfoto van betrokkene; uiteraard zonder dat deze daar iets van weet. Deze stukken gaan per diplomatieke post naar de ambassade in Kinshasa. Dit is een kleine post, met weinig eigen (Nederlands) personeel, in een dependance van de Britse ambassade.

Onderzoek doen bij instanties of bij familie over een asielzoeker kan het ambassadepersoneel niet zelf uitvoeren. De ambassade geeft dus aan 'vertrouwenspersonen' de opdracht namens de Nederlandse ambassade het onderzoek uit te voeren, uiteraard tegen betaling. Wat dan gebeurt is niet te verifiëren. In een stad als Kinshasa, waar de meeste asielzoekers vandaan komen, ontbreekt ieder centraal gezag. Omkoping en afpersing zijn algemeen gebruikte middelen in de dagelijkse strijd om het bestaan.

Aan het eind van zijn missie keert de informant terug met een verslag, dat door de ambassade als waarheidsgetrouw zal moeten worden geaccepteerd. Dit wordt tenslotte in de kantoren van Buza bewerkt tot een 'ambtsbericht', dat aan de IND wordt aangeboden.

Het is duidelijk waar het probleem zit: in de fase dat de informant (voor de veiligheid zal men doorgaans met z'n tweeën gaan) door Kinshasa reist om de informatie over zijn medemens te zoeken in een samenleving onder dictatuur die vergeven is van verklikkers.

Twee voorbeelden uit het dossier van Mukelenge Kabamba geven een indruk daarvan.

Voorbeeld 1. Meneer X. heeft in januari 1995 in Nederland asiel gevraagd. Hij heeft een vooraanstaande rol gespeeld in de partijafdeling van de UDPS in zijn wijk. Hij beschrijft in zijn interview hoe zijn UDPS-afdeling werkt en waar men vergadert. Hij overlegt zijn lidmaatschapskaart van de UDPS aan de Nederlandse autoriteiten. Hij is halsoverkop gevlucht toen de veiligheidsdienst hem kwam zoeken en, hem niet aantreffend, zijn ouderlijk huis vernielde en plunderde.

In het ambtsbericht over X., dat in januari 1996 werd uitgebracht staat in grote lijnen: a) X. was geen lid van de UDPS in de genoemde wijk, de voorzitter L. daarvan kent X. niet; b) de UDPS-vergaderingen in die wijk hadden niet plaats waar X. zei; c) de overgelegde UDPS-kaart is een imitatie; d) X. is al in 1992 buitenslands vertrokken; e) X. heeft zelf zijn ouderlijk huis geplunderd om het benodigde reisgeld bijeen te krijgen; f) er is helemaal geen inval in het huis geweest op die datum (in november 1994) die X. noemde. Ontzet over dit bericht schrijft X. naar zijn zuster S., hoe het mogelijk is dat zo'n verhaal over hem wordt verteld. Een vertaling van een deel van haar reactie: “.ik kan niet geloven wat je me schrijft, dat ik gezegd zou hebben dat dit huis door jou vernield zou zijn opdat jij naar Holland zou kunnen gaan. Dat is niet waar! Hoor eens, lieve X., je weet best dat ik niet in staat ben zoiets tegen wie dan ook te zeggen. Sinds de vernieling van ons huis door die militairen vanwege jou worden we bedreigd door de veiligheidsdienst. Ik heb niet de gewoonte in te gaan op vragen van de politie, dat weet je wel. En dan te beweren dat zich-noemende agenten van het ministerie van buitenlandse zaken bij me langs zijn gekomen en dat ik met ze heb gepraat en dat ik gezegd zou hebben dat jij het was die het huis kort en klein geslagen heeft, dat is een verkeerde voorstelling van zaken, mijn broer.

Vriend

Weet je, je vriend Freddy O. die in Bandelungwa woonde en hoofd was van de sectie van onze partij in (...) is in elkaar geslagen (...), ligt in coma in het ziekenhuis, en we weten niet of hij eruit zal komen. Men heeft bij hem thuis een bericht achtergelaten: “Als je niet uit de UDPS stapt, gaat je hele familie eraan”! Dat was de Garde Civile (...). Niemand in de buurt zegt agenten van het Hollandse ministerie van buitenlandse zaken hier te hebben zien langskomen en evenmin bij pappa L. Die was heel verbaasd over de situatie. Hij zei dat de partij op het ogenblik veel problemen heeft. Als die voorbij zijn, zal hij je een brief sturen om alles recht te zetten.”

Voorbeeld 2. Y. is in februari 1993 naar Nederland gevlucht. Hij ontplooide activiteiten voor de UDPS in zijn wijk en hij nam deel aan de befaamde mars van de christenen in februari 1992. Hij is gearresteerd en opgesloten geweest in de Makala-gevangenis.

Niet bekend

“...Op 10 oktober 1995 werd ik in mijn woning bezocht door een agent die zei te zijn gestuurd door de ambassade om inlichtingen te krijgen over Y., een Zaïrees onderdaan in Holland. Omdat ik die dag een onbekende voor me had en vanwege de vragen die hij stelde werd ik erg bang en was ik niet in staat de gevraagde inlichtingen te verschaffen. Als werkelijk de ambassade de opdrachtgever voor deze missie is geweest, verzoek ik u beleefd mijn excuses te willen aanvaarden voor dit incident, dat veroorzaakt is door bangheid. De volgende dag ben ik dit gaan uitleggen door een bezoek aan de ambassade teneinde aanvullende inlichtingen te geven. De ambassade gaf mondeling te kennen dat dezelfde persoon opnieuw zou langskomen bij mijn huis, maar tot heden is er niemand geweest.

In vervolg op het bovenstaande en omdat ondergetekende maandag 30 oktobner 1995 op reis moet, veroorloof ik mij hieronder de gevraagde inlichtingen te verstrekken: 1) Y. is wel degelijk mijn schoonzoon en hij is bekend op het adres (genoemd wordt het adres van de schoonvader); 2) Hij is in 1993 naar Nederland gegaan.''

(Overigens bezit Y. een officiële verklaring van zijn lidmaatschap van de UDPS in zijn wijk).

Wat hieruit te concluderen?

In het geval X. staat de zowel naar inhoud als stijl heel echt aandoende brief van de zuster lijnrecht tegenover wat het ambtsbericht zegt. Daarbij komt dat de stelling dat het huis vernield is door de veiligheidsdienst aanzienlijk plausibeler is dan dat dit gebeurd zou zijn door de zoon des huizes zelf. Moeten we vermoeden dat de informant zijn taak niet serieus heeft genomen, en zomaar wat heeft ingevuld? Hoe kom je daar achter?

In het geval Y. is klaarblijkelijk wel contact geweest tussen de shoonvader (die bepaald geen ongeletterd man is) en iemand namens de ambassade. De man is zich 'rotgeschrokken' en heeft waarshijnlijk gedacht dat hij te maken had met de geheime dienst. Hij heeft dus niets willen zeggen. Achteraf heeft hij beseft dat als het inderdaad de ambassade was die navraag deed, hij dan beter de gevraagde inlichtingen kon geven. Per saldo zijn er dus geen inlichtingen verstrekt maar er is wel een ambtsbericht gemaakt waarin gezegd wordt dat de schoonvader het verhaal van Y. ontkent.

Zonder te twisten over de schuldvraag moet worden vastgesteld dat het ambtsbericht waarschijnlijk waardeloos is. Maar het is niet echt een incident: goede informatie verzamelen over personen binnen een samenleving vol angst voor terreur is erg moeilijk en is zeker niet op deze anonieme manier te organiseren.

Intussen betaalt de asielzoeker het gelag.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden