Irene had zich in de Middeleeuwen toch niet echt thuis gevoeld

GRONINGEN - In 1411 was voor pater Laurens Pignon de maat vol. De Franse dominicaan en theoloog zag hoe tot in de hoogste kringen het occulte een steeds grotere greep op de samenleving begon te krijgen. En hij sloeg alarm. In een semi-populair traktaat (Contre les devineurs, tegen de waarzeggers) richtte magister Pignon zich tot zijn broodheer, de Bourgondische hertog Jan zonder Vrees, en kritiseerde de gewoonte van veel Europese vorsten en prinsen zich in te laten met zwarte magie en ongeremde waarzeggerij: geomantie, chiromantie, necromantie.

TON CRIJNEN

Overigens was de monnik - biechtvader van Jans zoon, de latere Filips de Goede - wel zo slim de hertog zelf niet met occulte zaken in verband te brengen. Hij wist immers dat deze zelf dubieuze waarzeggers in dienst had en bij gelegenheid er, omgekeerd, niet voor terugdeinsde om politieke tegenstanders valselijk te beschuldigen van magische praktijken. Want zwarte magie stond in kerkelijke ogen rechtstreeks in verband met de duivel en werd daarom meestal met de vuurdood bestraft.

Zo poogde hertog Jan, nadat hij zijn grote rivaal Lodewijk van Orleans uit de weg had laten ruimen (23 november 1407), de handen publiekelijk in onschuld te wassen door hem postuum ervan te betichten de Franse koning Karel VI (Lodewijks broer) via tovenarij en zwarte magie van zijn verstand te hebben beroofd. Een slimme actie, want al had Orleans niets te maken met de gekte van Karel, het hof herinnerde zich dat magie hem had gefascineerd.

Elke lezer van Hella Haasse's historische roman Het woud der verwachting weet dat hij een amulet om de hals droeg dat eerst twee dagen onder de tong van het lijk van een gehange was gestopt om zo de hertog onweerstaanbaar te maken voor iedere jonkvrouw die hij begeerde.

Hij was niet de enige die zo handelde. Occulte praktijken waren onder de Europese Prominenz van die dagen populair. Niet alleen aan het Franse en Bourgondische hof, maar ook aan de vorstenhoven in Engeland en Italië. En vandaaruit sijpelden ze door naar het gewone volk.

“Gewoon een gek boekje”, noemt hij het, maar hij vindt het historische decor waartegen 'Contre les devineurs' werd geschreven, “machtig interessant.” Eind vorige week promoveerde hij erop tot doctor in de wijsbegeerte aan de rijksuniversiteit van Groningen. Cum laude, dat wil hij er wel even bij vermeld hebben. Terecht, want Magic and divination at the courts of Burgundy and France is een spannende dissertatie waarin de belangrijke rol van het occulte in het Frans-Bourgondische rijk tussen 1380 en 1411 helder en boeiend uit de doeken wordt gedaan.

Aanvankelijk was Jan Veenstra (32), anglicist en filosoof, helemaal niet van plan geweest zich te verdiepen in het occulte. “Mijn promotor gaf me Pignons traktaat met de bedoeling dat ik op basis van die tekst een proefschrift zou schrijven over de natuurfilosofie van Aristoteles.”

Al snel begon de sociale context de Fries veel sterker te boeien dan de eigenlijke inhoud. “Pignons betoog is niet spectaculair of origineel. Het blijkt amper meer dan een geparafraseerde vertaling van delen van het werk van Thomas van Aquino. Maar als tijdsdocument is het prachtig.”

Hoe zag die tijd eruit? Het was een periode waarin Europa zojuist de ergste pestepidemie uit z'n geschiedenis achter de rug had. Een kwart van de bevolking was gestorven.

De Kleine IJstijd (die tot ongeveer 1700 zou duren) was begonnen en had al tot hongersnoden, overstromingen en veel doden geleid. De rooms-katholieke kerk, geestelijk houvast voor een hele samenleving, bood het beeld van morele ontreddering en gezagsverlies. Gevolg van het Grote of Westerse Schisma (1378-1449) waarbij er gelijktijdig twee, soms drie pausen waren.

In Frankrijk bleek de sociale en geestelijke ontreddering zo mogelijk nog groter doordat het land verwikkeld was in een verwoestende oorlog met Engeland. Een conflict dat, met enkele onderbrekingen, ruim honderd jaar zou duren en vreselijk was.

Ten tijde van Pignon kwam daar nog bij dat, als vermeld, de Franse koning Karel VI aan langdurige aanvallen van zwakzinnigheid leed. Het machtsvacuüm dat aldus ontstond bracht zijn Bourgondische familieleden ertoe de macht te grijpen, wat door het huis van Orleans (en van Armagnac) werd gedwarsboomd. Een slopende burgerkrijg volgde.

De historicus James Westfall vergeleek de naweeën van een en ander met die van Wereldoorlog I en meende er dezelfde klachten in te kunnen ontdekken: economische chaos, sociale onrust, hoge prijzen, woekerwinsten, verdorven moraal.

Geen wonder dat men zijn toevlucht nam tot het occulte en paranormale. Om Barbara Tuchmans studie over de veertiende eeuw (A distant mirror) te citeren: “Toverkracht was duidelijk aanwezig in de wereld: demonen, elfen, heksen, spoken en duivels die lijken beroofden, manipuleerden het leven van de mens. Heidens bijgeloof en rituelen leefden onder de plattelandsbevolking, in het onderbewustzijn en zelfs zij aan zij met de priesters en de sacramenten. De invloed van de planeten verklaarde alles dat men op andere wijze niet kon benoemen. De astrologie was, na God, de meest beslissende factor in alle zaken. De alchemie of het zoeken naar de steen der wijzen die onedele metalen in goud zou veranderen, was de meest beoefende wetenschap.”

En zo valt het te begrijpen dat, toen de reguliere artsen (die meestal ook astrologen waren!) geen uitkomst konden bieden bij de krankzinnigheid van Karel VI, het hof de hulp van rondtrekkende tovenaars inriep. Die lieten hem gedistilleerd water, vermengd met fijngestampte parels, drinken en verrichtten magische rituelen waarbij ze satan aanriepen.

Het effect was negatief. Karel rende brullend van angst door de paleisgangen, bevuilde zichzelf, viel dienaren aan en herkende zijn vrouw en kinderen niet meer. Het mislukken van hun tovenaarspraktijken werd de betrokken magiërs fataal: mogelijk op één na eindigden ze allen op de brandstapel.

Dat was volgens Jan Veenstra het lot van de meeste magiërs uit die tijd. Het waren zwervers zonder politieke invloed. Dit in tegenstelling tot astrologen; zij werden doorgaans als serieuze wetenschappers beschouwd. In hun rijen bevonden zich zelfs prominente kerkvorsten als de Franse kardinaal Pierre d'Ailly. Deze pilaar van orthodoxie maakte astrologische berekeningen om 's Heren Wederkomst vast te stellen en trok zelfs de horoscoop van Christus. Niemand die hem dit kwalijk nam. Men zag astrologie als een legitiem middel om Gods plan met de wereld, dat geschreven stond in de sterren, te herkennen en te interpreteren.

Astrologen werden ook ingeschakeld om de gunstigste datum voor een veldslag of politieke missie te berekenen. Veenstra: “De middeleeuwers meenden dat de 'hemelen' al het stoffelijke op aarde, het menselijk lichaam incluis, beïnvloedden.”

“Daarom was het volkomen legitiem via de stand van sterren en planeten na te gaan hoe dat precies gebeurde. Mits men erkende dat ziel en ratio zich aan die invloed onttrokken. Anders zou de kerkelijke leer omtrent de vrije wil van de mens onderuit worden gehaald. Een misdadiger kon zich dus nooit op zijn ongelukkig gesternte beroepen. Zolang waarzeggers zich binnen die kerkelijk aangegeven grens bewogen liet men ze ongemoeid.

Zwarte magie daarentegen kwam de kerk te dicht op de eigen huid. Het rooms-katholicisme zat en zit immers tjokvol gestileerde magie: het doopritueel, consecratie van de hostie, ziekenzalving, bedevaarten. De kerkleiding had dan ook geen bezwaar tegen magische handelingen op zich. Paus en bisschoppen kwamen alleen in het geweer als magie buiten hen om werd verricht.''

“Dat deden de magiërs. En dat pikte de kerk niet, getuige de vele tovenaars en tovenaressen, 'echte' en vermeende, die de Inquisitie liet martelen, veroordelen en levend verbranden.

Tovenarij was echter niet alleen een religieus vergrijp. Eind veertiende eeuw verklaarde het parlement van Parijs dat zwarte magie ook een zaak was voor de burgerrechter.''

De verleiding is groot om de enorme occulte en paranormale interesse van de middeleeuwers gelijk te stellen aan die van veel mensen in onze eeuw, ook een tijdperk vol geweld, onbeheersbare epidemieën (aids), religieuze en morele verwarring.

Volgens Veenstra moet je daar echter voorzichtig mee zijn: “Al is New Age een bewuste stap terug uit het denken van de Verlichting, toch kan geen enkele aanhanger er meer omheen. Mocht de middeleeuwse astroloog nog denken dat hij rationale wetenschap bedreef, sinds de achttiende eeuw kan ieder mens beter weten. Hierdoor hebben hedendaagse occulte bewegingen toch een andere kleur dan die uit de vijftiende eeuw. Ook de 'paranorma-cultus' is onuitwisbaar door de rationaliteit van het Verlichtingsdenken aangeraakt.”

Kort samengevat: Een adellijke mevrouw die anno 1997 haar heil bij dolfijnen zoekt en met bomen praat gelooft desondanks geen moment dat de duivel haar vader ziek heeft gemaakt. Dat is het grote verschil?

Jan Veenstra: “Klopt.” Lachend: “Prinses Irene had zich in de Middeleeuwen niet echt thuis gevoeld.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden