Irak zonder de Amerikanen

Tikrit (Noord-Irak), april 2003. Amerikaanse militairen hebben bij een wegblokkade wapens aangetroffen in de auto van een aantal mannen. FOTO © EDDY VAN WESSEL Beeld
Tikrit (Noord-Irak), april 2003. Amerikaanse militairen hebben bij een wegblokkade wapens aangetroffen in de auto van een aantal mannen. FOTO © EDDY VAN WESSEL

Deze week moeten de laatste militairen uit Irak vertrokken zijn. Peter van Buren, ambtenaar op het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken, werkte een jaar in Irak aan de 'wederopbouw' van het land. Daar schreef hij een vernietigend boek over.

Bas den Hond

Wat mag een drachtig schaap kosten in Irak? Met die vraag overviel Peter van Buren zijn ondergeschikten nogal. Het was september 2009, zijn eerste werkdag in het zes jaar eerder door de Amerikanen binnengevallen land. Het handjevol ontwikkelingswerkers dat als Provincial Reconstruction Team (PRT) was ingekwartierd op de legerbasis Hammer, nabij Bagdad, nam de komende projecten met de nieuwe chef door. Zoals een stuk of tien weduwen elk een gedekte ooi geven, zodat ze wat bij kon verdienen. Of hij maar even wilde tekenen voor 19.000 euro.

Dat wilde Van Buren - 50 jaar oud, al een kwart eeuw werkzaam bij het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken - niet. Hij informeerde bij zijn baas op de ambassade, in het comfortabele fort in Bagdad dat Groene Zone heet. Die vertelde dat hij niet zo moeilijk moest doen. Geld uitgeven betekende: werk verzet. Geld geven aan weduwen: schouderklopjes uit Washington. Hij moest duidelijk nog ingewerkt worden.

Een jaar later zat Van Buren weer op het vliegtuig naar de VS, met in zijn computer honderden mails aan zijn vrouw en zijn ouders over de toestanden die hij had meegemaakt - en het plan daarvan een boek te maken. "Tough love, zoals we hier zeggen: uit liefde de harde waarheid zeggen, later zouden ze me dankbaar zijn, dat was het idee." 'We meant well' ('we bedoelden het goed') kwam in oktober uit. Het passeerde zonder problemen de gebruikelijke controles voor een ambtenaar die over zijn werk schrijft. Maar erg dankbaar waren zijn bazen niet. Van Buren zit inmiddels thuis. Hij wordt doorbetaald, maar het ministerie heeft even niets voor hem te doen; het verbood hem de toegang tot alle kantoren, trok zijn bevoegdheid voor het inzien van vertrouwelijke stukken in en hoopt hem volgend jaar september bij gebrek aan werk met pensioen te sturen. Op zijn blog Wemeantwell.com vertelt Van Buren hoe het ministerie opeens vele mandagen, en vliegkilometers naar Irak, over had voor een onderzoek naar een incident waarin hij 'zijn stem verhief' tegen een ondergeschikte.

Oerstom en tijdverspilling
"Ik had weg kunnen gaan", zegt hij. "Maar politiek had ik niets tegen de reconstructieteams. Wel tegen de oorlog in Irak; die leek me oerstom, een gigantische verspilling van Amerikaans geld, levens, prestige. Ik probeerde een toegewijd ambtenaar te zijn. Je verdiende extra geld voor zo'n jaar, dat kon ik ook goed gebruiken. En ik dacht dat ik terecht zou komen in een minder politieke omgeving dan Buitenlandse Zaken na de aanslagen van 11 september 2001 geworden was. Je hoefde niet van de oorlog te houden om bronnen te slaan en scholen te bouwen, dacht ik. Ik had het duidelijk mis."

Hoe mis, dat beschijft Van Buren vooral in de eerste helft van het boek met bijtend sarcasme. Behalve een staf die schapen inkocht zonder afdingen, trof hij bijvoorbeeld ook 'Mijn Amerikaanse Bibliotheek' aan: in het Arabisch vertaalde klassiekers als 'Tom Sawyer' en 'Of Mice and Men', ter waarde van 67.000 euro. Niemand had zich afgevraagd of scholen de boeken wel wilden, of Amerikaanse literatuur wel onderwezen werd. Dat bleek niet het geval.

Uiteindelijk werd een afnemer gevonden: "De enige voorwaarde was, dat zij ze niet zelf hoefden in te laden, en zo kwam het dat een paar van ons boeken in de achterbak van een pickup aan het tillen waren, terwijl een schoolhoofd en een lokale chauffeur in de schaduw zaten te roken en naar ons te kijken. Later hoorden we dat de boeken, toen ze op de zwarte markt niks waard bleken, door het hoofd achter de school waren gedumpt."

Zulk sarcasme levert mooie zinnen op. Over een bezoek aan een sjeik bijvoorbeeld - die goed zichtbaar een pistool draagt. Maar, bedenkt Van Buren, in zijn eigen huis schiet een Irakees je meestal niet dood. "Het was de eerste keer dat ik mijn leven toevertrouwde aan een culturele gewoonte die ik uit Wikipedia had."

Spoedcursus
Want de scholing van de PRT-ers hield niet over. Een week kregen ze 'Islam voor dummies', zoals de recruten het noemden: een week autorijden in oorlogsgebied (al mochten ze nooit achter het stuur) en schieten (mochten ze ook nooit); de laatste week was gewijd aan boekhouden, om de enorme bedragen te verantwoorden die de PRT's in de jaren van hun bestaan uitgaven: 50 miljard euro direct van het Amerikaanse Congres, 70 miljard in beslag genomen Iraaks geld en 14 miljard aan bijdragen van rijke coalitiegenoten als Japan en Zuid-Korea.

Maar ach, wat heet verantwoorden: op een gegeven moment, schrijft Van Buren, "kregen we de opdracht om 'microsubsidies' van vijfduizend dollar (vierduizend euro) te verstrekken, contant, aan een Irakees 'om een bedrijf te beginnen', zonder voorwaarden. Als hij het geld aannam en voor onze ogen omzette in drugs of in een flipperkast gooide, maakte dat niemand wat uit."

Later in het boek wordt de toon serieuzer, zowel meer analyserend als meer emotioneel. "Klopt", zegt Van Buren. "En wat vooral voor die verandering zorgde, was mijn groeiende begrip voor de militairen, voor de offers die zij brachten voor een heel, heel erg verloren zaak.

"De soldaten op de twee kleine bases waar ik verbleef, hadden als taak me te beschermen, te vechten terwijl ik me verstopte. Dus terwijl het voor mij begon als een soort schoolreisje, leuk, rondrijden met het leger, in pantservoertuigen en helikopters, ging ik later beseffen wat ze deden. Toen ze me eenmaal hadden leren kennen, heb ik veel met hen gepraat. Sommigen waren al aan hun vierde of vijfde uitzending toe.

"De omstandigheden begonnen mij zelf ook steeds zwaarder te vallen; we douchten in één ruimte, de toiletten waren latrines zonder water. Het eten was smerig, we hadden het altijd of te warm of te koud, we kregen nooit genoeg slaap - de omstandigheden waren gewoon moeilijk. En daardoor werd ik een stuk nuchterder en volwassener in wat ik schreef.

"Ik wilde dat in het boek laten zien, vooral ook door te eindigen met het hoofdstuk over de zelfmoord van een soldaat. Het is raar om te zeggen dat het mijn favoriete hoofdstuk is, maar het is voor mij wel het belangrijkste.

"We waren maar met driehonderd mensen op die basis, dus als een man ervoor kiest zichzelf te doden, dan schokte ons dat allemaal. We kenden hem niet goed, hij was nieuw, maar we hadden hem ontmoet in de douches, de sportzaal, de kantine. Die moeilijke omstandigheden, die angst, ik denk dat er niemand was die niet begreep dat iemand van zijn leeftijd, negentien of zoiets, het allemaal niet aan zou kunnen. Het heeft me elke dag daarna beïnvloed."

Amerikaanse fratsen
Ook over Irak krijgt het boek naarmate Van Burens jaar vordert een andere toon. Hij vindt zijn eigen pogingen om, al naar gelang de nieuwste mode in Washington, een waterzuivering op te knappen die geen water zuivert, een melkfabriek te bouwen waar niemand de melk van wil kopen of de kunstsector weer leven in te blazen in een voormalig artistiek plaatsje met nog maar één kunstenaar, steeds minder grappig. Hij vraagt zich af of al die Amerikaanse fratsen het bezette land niet nog meer schade toebrengen.

"We deden Irakezen kwaad door verwachtingen te wekken die we niet waarmaakten", denkt hij nu. "Als je een kliniek voor vrouwen opent, dan verwachten die dat ze er terecht blijven kunnen. Voor gezondheidsproblemen moet je nou eenmaal terug kunnen komen. Maar dan waren we er alweer mee gestopt."

Wat aan de wederopbouw van Irak ontbrak, was domweg een plan: "Al die tijd en energie hadden beter kunnen worden besteed aan één ding. Iets basaals, bijvoorbeeld de watervoorziening repareren. Als dat klaar is, kun je misschien het elektriciteitsnet doen, of de riolering, of de gezondheidszorg. Dan had je veel ook niet gedaan, maar de samenleving had vooruitgang gezien. Nu is er niets. Geen water, geen gezondheidszorg, geen democratie."

En was dat nu de schuld van het leger of van het ministerie van buitenlandse zaken?

Niemand was echt betrokken
"Ik ben bang dat het gewoon heel erg iets Amerikaans is. Iedereen kwam voor een jaar, om zijn eigen redenen, niemand was echt betrokken. Er kwamen amateurs met weinig of geen training, nauwelijks kennis van het Arabisch, weinig technische kennis. Tel dat bij elkaar op: het lukt nooit."

"Het is ook heel moeilijk voor militairen om bij dit werk te assisteren. Dingen stukmaken, daar zijn ze goed in. Nu moesten ze 's morgens samen met ons vrienden zijn met de Irakezen en 's avonds tegen de Irakese opstandelingen vechten. Dat brengt een mens gewoon niet op. Maar wie had het anders moeten doen?"

Niet iedereen deelt Van Burens harde oordeel. Na het verschijnen van het boek kreeg hij e-mails van voormalige collega's die wezen op een school, een melkveehouderij of een ander project dat ergens in Irak onder hun leiding met succes was opgezet. Was hij niet gewoon een erg slechte PRT-leider?

Daar kom je bij Van Buren niet mee weg: "Toen ik in mijn gebied aankwam, was de wederopbouw al zes jaar bezig. En als ik vroeg: laat me nou eens een school zien die we zes jaar geleden bouwden, een landbouwproject van vijf jaar geleden, dan waren die er niet meer. Om te zien dat er al die tijd Amerikanen waren geweest, had je het oog van een archeoloog nodig."

Peter van Buren, We Meant Well
Uitg. Henry Holt & Co. 269 pp.
€ 22,99 of als e-Book bij Amazon: $11,99

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden