IQ

Castreer de idioten en criminelen, schreef de wet van de Amerikaanse staat Iowa een eeuw geleden voor. De Britse psycholoog Hans Jurgen Eysenck stelde een enkel decennium geleden vast dat de erfelijkheid van het IQ op tachtig procent ligt. Later bleek dat hij zich op valse gegevens baseerde. Afgelopen woensdag zou Eysenck in Amsterdam de twaalfde Duijker-lezing houden, maar hij liet verstek gaan nadat een niet zo intelligente student hem per telefoon had meegedeeld dat hij de lezing zou verstoren.

Hoe kun je in vredesnaam zo dom een fiets stelen, voor het oog van heel de stad en je eigen zoontje? De stumperd in de film van Vittorio de Sica was verblind door de overtuiging dat hij zonder tweewieler zijn leven als afficheplakker moest opgeven en zijn jongen nooit meer op een armoedig bordje spaghetti kon tracteren. Maar om dan te vergeten dat heel Rome toekeek bij de diefstal.

De fietsendief kreeg van huis uit misschien weinig verstand mee; inferieure IQ-genen, zou psycholoog Hans Eysenck bij zichzelf denken. Maar Eysenck, die woensdag na bedreigingen afzag van de Duijker-lezing, heeft zelf ook iets weg van die fietsendief. In de ban van het geloof dat intelligentie is verankerd in de genen, verloor hij bij zijn bewijsvoering steeds weer uit het oog dat vakgenoten over zijn schouders meekeken.

Gevangenen van psychologische theorieen hebben gitzwarte pagina's geschreven in de geschiedenis van hun vakgebied. Ook in de praktijk. Ooit riep Sigmund Freud collega's ter verantwoording, die op basis van gammele veronderstellingen soldaten, met een diep oorlogstrauma, voor hun superieuren als deserteurs hadden ontmaskerd.

Jonge jongens die niet meer konden praten en in het open veld met aan de lucht vastgelijmde ogen op de verlossende Duitse raket wachtten, kregen soms de kogel voor 'lafheid'. Een lafheid die zelfs ongevoelig bleek voor elektroshocks. In naam van de psychologie werden in de Eerste Wereldoorlog bijna vierhonderd Britse soldaten gefusilleerd en stierven er velen als gevolg van de elektrische behandeling van hun oorlogsneurose. Omdat de frontpsychologen erin geloofden en de shocks tot het uiterste opdreven. Vaak tegen beter weten in, vermoedde Freud.

Die dwaling ligt achter ons. Maar in de theorievorming zijn de controversen nog altijd weinig verheffend. Overtuigingen verblinden wetenschappers van alle mogelijke disciplines en het schoolvoorbeeld daarvan is het beschamende verhaal over IQ-tests en erfelijkheid. Met een hoofdrol voor Hans Eysenck. Niet dat hij een onfatsoenlijk psycholoog is, maar zelden hield een onderzoeker zo halsstarrig vast aan nepbewijzen.

Had Francis Galton in 1869 al niet beweerd dat begaafdheid in de familie zit? Genialiteit is grotendeels erfelijk. In zijn 'List, bedrog en feiten in de psychologie' beschrijft de Britse psycholoog Andrew Colman hoe Galton de Engelse upper class beschouwde als 'een zeer produktieve intellectuele stoeterij'.

Fanatieke aanhangers van Galtons visie zagen in IQ-tests het medicijn tegen bedreiging van het sociale en morele welzijn van de staat door genetisch minder bedeelde mensen. Sterilisatiewetten in meer dan dertig staten in de VS waren het gevolg. Castreer de idioten en criminelen, schreef de wet van Iowa voor.

Terwijl er nog maar bitter weinig bewijs was geleverd voor de erfelijke achtergrond van verschillen in intelligentie, wisten Hans Eysenck en de Amerikaan Arthur Jensen al vast en zeker dat de erfelijkheid van het IQ op tachtig procent ligt. Eysenck leunde zwaar op onderzoek van de psycholoog Cyril Burt, die IQ's bestudeerde van identieke tweelingen die op jonge leeftijd van elkaar waren gescheiden en in verschillende milieu's grootgebracht.

Als intelligentie erfelijk is, zouden de IQ's van eeneiige tweelingen ondanks hun gescheiden jeugd dicht bij elkaar moeten liggen. Opvallend dicht, bleek uit Burts studie. Hij becijferde na onderzoek bij 21 gescheiden tweelingen dat de basis voor hun intelligentie voor 84,3 procent in de genen ligt. Dat percentage stond nog steeds toen Cyril Burt IQ's van 30 tweelingen had geturfd en zelfs na 53 tweelingen kwam hij uit op 84,3 procent.

"Dit is te mooi om waar te zijn, hier worden de wetten van de waarschijnlijkheid geweld aangedaan" , merkte vakbroeder Leon Kamin op. Hetzelfde zei prof. H. M. van der Ploeg deze week over de bewijzen van Eysenck voor zijn theorie dat persoonlijkheid en stress even belangrijke risicofactoren voor hartkwalen en kanker zijn als roken. Maar Eysenck luistert slecht. Toen Kamin ontdekte dat Burt in zijn publikaties twee fictieve medewerkers opvoerde, trok Eysenck een muur op tegen deze 'minne lastercampgane en heksenjacht'.

Uiteindelijk kwam het bedrog aan het licht; uit dagboeken en brieven van sir Cyril Burt bleek dat hij nooit IQ's van tweelingen heeft getest. Eysenck ging door de bocht, maar wel erg laat en daar lijkt hij niet van geleerd te hebben. Bij onderzoek naar de waarde van psychologische factoren als voorspellers van ziekten, baseert hij zich volgens Van der Ploeg willens en wetens op vervalste gegevens van de Duits / Joegoslavische onderzoeker Ronald Grossarth-Maticek.

Heranalyse wees uit dat Grossart-Maticek in zijn gegevens manipuleerde met ziekten en doodsoorzaken. Bovendien verdween het opmerkelijke verband tussen psyche en ziekten toen de gegevens na 1982 bij een onafhankelijk bureau werden ondergebracht. Eysenck houdt het weer op laster en heksenjacht.

Nadat Burt was ontmaskerd stonden Eysenck en Jensen bijna met lege handen. Alleen enkele kleine onderzoeken onder gescheiden tweelingen wezen op de genetische achtergrond van intelligentie, maar in zijn kruistocht tegen de aanhangers van een erfelijk IQ, liet Leon Kamin ook van die laatste strohalmen geen spaan heel. Noem je tweelingen echt gescheiden als ze honderd meter van elkaar wonen? Bovendien waren de resultaten vertekend door de verwachtingen van de onderzoeker.

Eysenck gaf geen krimp en zocht nieuwe bewijzen in studies naar 'verwantschapscorrelaties'. Als het IQ van een kind meer overeenkomt met dat van de moeder dan met het IQ van bij voorbeeld de oma, dan kon er erfelijkheid in het spel zijn. Een kind heeft immers meer genen gemeen met de moeder dan met oma. Eysenck en Jensen wapperden met indrukwekkende tabellen van meer dan 30.000 mensen uit vier continenten, maar moesten later tot hun schande bekennen dat veel informatie daarvoor bij ene Cyril Burt vandaan kwam.

En voort ging het bedrog in het IQ-onderzoek. Uit een studie van de Amerikaan Harry Munsinger bleek dat het IQ van al jong geadopteerde kinderen veel meer overeenkwam met het IQ van de natuurlijke ouders dan met het IQ van de adoptie-ouders. Wederom ontdekte Kamin dat een gereputeerd onderzoeker, verblind door zijn eigen stelling, vergat dat collega's meerekenden. Munsinger presenteerde ongelooflijke resultaten en had lak aan de onthullingen van vakgenoten over zijn frauduleus rekenwerk. Sterker nog, schrijft Andrew Colman in zijn boek over list en bedrog in de psychologie: "Munsinger is de enige die te boek staat met de belachelijke bewering dat de echte erfelijkheid van het IQ honderd procent is" .

Ook adoptiestudies doorstonden de toets der kritiek niet. Vaak worden kinderen van goed opgeleide, schrandere ouders in de betere kringen geplaatst, waardoor het IQ gunstig wordt beinvloed. Of denken jullie onderzoekers echt dat de ooievaar het adoptiegezin selecteert, schertste Kamin eens. Maar in zijn strijd tegen Eysenck en de zijnen maakte Kamin tenslotte dezelfde fout. "Er zijn zelfs geen goede gronden om de veronderstelling dat de erfelijkheid van het IQ nul is te verwerpen" , meende hij.

Met die absurde redenering ondergroef Kamin zijn eigen vernietigende kritiek. Je kunt moeilijk ontkennen dat het IQ zeker in zijn laagste regionen, bij mentale retardatie, gedeeltelijk erfelijk is, meent Colman. "En verder moeten genetici de eerste eigenschap nog ontdekken die erfelijk is bij zijn extremen, maar niet binnen zijn normale bereik."

Al even onfris en bedrieglijk was de discussie over IQ-verschillen tussen rassen. "Onder die mensen die we halve garen zouden moeten noemen is het aantal negers erg groot. Kinderlijk en dom zijn ze, ik schaamde me dikwijls voor mijn eigen soort" , zei Francis Galton. Meer dan honderd jaar later, in 1982, deed Colman een boekje open over de houding van ervaren agenten jegens zwarte mensen, die werden afgeschilderd als "vuile, stinkende, achterlijke mensen die nooit in der eeuwigheid zullen veranderen" . Arthur Jensen vond een vruchtbare bodem voor zijn bewering dat negers steevast 15 IQ-punten lager scoren.

Een storm van protest brak los maar Eysenck begreep de 'mythe van de rassengelijkheid' niet. "Als er zoveel fysiologische verschillen zijn, waarom zouden de hersenen daar dan een uitzondering op vormen?" Nonsens, bewezen genetici; zeldzame mutaties daargelaten zijn 75 procent van de eiwitten in alle onderzochte mensen gelijk. "Ras gaat, net als schoonheid, niet dieper dan de huid" , meent Colman.

In enkele studies kwamen wel IQ-verschillen aan het licht tussen blanke en zwarte kinderen en kinderen van een gemengd stel. Maar niet een keer ontkwamen die onderzoeken aan de kritiek dat het vertekende steekproeven betrof. En natuurlijk lagen de op blanken toegesneden tests onder vuur.

'Cultuurvrije' IQ-tests brachten weinig verandering in de ingenomen stellingen. Evenmin als compensatieprogramma's, die de achterstand van kinderen met een minder IQ moesten wegwerken en daarmee tevens bewijzen dat het lage IQ niets te maken had met genetische inferioriteit. Eysenck haalde weer uit: "Die programma's zijn politiek speelgoed, zonder wetenschappelijke basis. Ze bewijzen alleen een slechte dienst aan degenen die de status van het negerras willen verbeteren."

Uiteindelijk zijn rassenverschillen in intelligentie tot op de dag van vandaag niet gestaafd, maar absolute gelijkheid evenmin. Beide partijen maken elkaar zonder fatsoenlijke argumenten soms uit voor rotte vis, waarbij Eysenck volgens vele collega's volkomen ten onrechte het verwijt van racisme wordt gemaakt.

Zelf zei hij 'subtiel': "Ik ben geen racist als ik denk dat negers speciaal aangeboren gaven hebben op het gebied van atletiek, zoals sprinten, of bepaalde vormen van muzikale expressie. En evenmin ben ik racist als ik de mogelijkheid in overweging neem dat hun inferioriteit op IQ-tests ten dele aan genetische oorzaken toe te schrijven is." Domme, snelvoetige bongodrummers; kon Eysenck ze nog neerbuigender typeren? Als hij eerlijk is, maar dat schijnt radicalen in de wetenschap niet gegeven te zijn, dan schort hij volgens Colman de meeste oordelen over intelligentie op.

List, bedrog en feiten liggen schijnbaar dicht bij elkaar in de wetenschap. Colman liet in zijn boek gammele wijsheden de revue passeren op het gebied van hypnose, eetstoornissen en buitenzintuiglijke waarneming. In de ban van een hypothese, lichtten wetenschappers de hand met hun eigen normen. Van zichzelf erkennen ze dat moeilijk maar ze hebben een scherpe neus voor dwalingen van tegenstanders.

Eysenck is altijd ongelukkig geweest in zijn keuze; zo liep hij jarenlang warm voor experimenten in de parapsychologie, die achteraf niet door de beugel konden. Het ging om bewijs voor het 'zien-op-afstand', waarbij een telepathisch mens kon raden welke kaarten iemand in een aangrenzende kamer omdraaide. Scores met een kans van 1 op het onuitspreekbare 29802322387695125 werden gehaald en Eysenck geloofde in de firma List en Bedrog.

Hij niet als enige. Er figureren vele Eysencks in de wetenschap, soms te gelovig en daardoor onkritisch, maar op andere momenten weer adequaat. In de meeste controversen waarin zij herhaaldelijk een bok schieten, is het laatste woord nog niet gezegd. Dat geldt zeker voor de psychologie en Eysenck.

Het lijkt verwonderlijk maar die volgens velen knoeiende blaaskaak uit Londen is in de ogen van anderen nog wel een gerespecteerd wetenschapper. Prof. Van der Ploeg zet hem in de verdachtenbank maar diens collega van de Vrije Universiteit, dr. J. A. Feij, herhaalt wat Piet Vroon zaterdag in Trouw zei: "Hij blaast zijn onderzoekjes op, interpreteert selectief, geeft dat soms ook toe, maar doet tegelijkertijd belangwekkende uitspraken. Bovendien verricht hij onderzoek met andere collega's, zoals Marvin Zuckerman, die absoluut van onverdachte signatuur zijn."

"Natuurlijk zijn opvattingen over de erfelijkheid van het IQ meer bedreigend dan een stelling over kromme neuzen of doorlopende wenkbrauwen. Overtuigd als hij ervan is wil Eysenck biologische verschillen in de hersenen onderzoeken; onverstandig misschien maar zeker niet onfatsoenlijk. En laten we niet vergeten dat hij grote invloed heeft gehad met zijn theorieen over persoonlijkheid."

Die zou hij nog eens stevig aanzetten op de Duijker-lezing afgelopen woensdag. De niet uitgesproken lezing is uitgebracht. Eysenck zou zijn gehoor vertellen over de waardering die hij heeft voor de Nederlandse vader van de testpsychologie, Gerard Heymans, die persoonlijkheidskenmerken vertaalde in empirisch toetsbare eigenschappen.

Een man naar Eysencks hart. Hijzelf, op de hoogte van een eeuw psychologie na Heymans, hangt nu de stelling aan dat een karakteronderscheid als introvert-extravert te bepalen is aan de hand van de elektrische activiteit in de hersenschors. Meet het karakter gewoon met behulp van een EEG. Veel drukte in de hersenschors wijst op een introvert persoon, want uit de hersenschors komen de signalen die extraverte gedragingen onderdrukken. Alcohol op haar beurt verlamt de hersenschors en maakt de mens dus wat losser.

Die theorie heeft sociale consequenties, wilde Eysenck woensdagavond zeggen. Misschien kun je ooit aan de hand van metingen van hersenactiviteit voorspellen wie er op gaat voor een leven als angsthaas, voor een grote kans op ongelukken of een bestaan in de onderwereld.

"Ik ben de laatste om te suggereren dat we dat nu allemaal al weten" , zou Eysenck relativeren, "maar meer dan ooit zijn we in staat om de goede vragen te stellen" . Bij voorbeeld of soldaten door een verhoogde activiteit in het lymbisch systeem gevoeliger zijn voor neurosen en daarom geen kogel verdienen als hun lichaam 'geestelijk' ziek is geworden van geweld. Zoek het in die richting en mijn dag is gelukkig, mokt Eysenck nu op geduldig papier van uitgever Bohn Stafleu Van Loghum.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden