column

Invoering van weerbaarheidstrainingen en risico-analyses is een treurige aangelegenheid

Ger GrootBeeld Trouw

De aanslag op De Telegraaf eiste begin deze week alle aandacht op en daardoor verdween een minstens zo verontrustend bericht in de schaduw. Minister Ollongren richt een landelijk ondersteuningsteam in om hulp te bieden aan lokale en regionale politici die slachtoffer zijn van ernstige bedreiging, zo maakte zij bekend.

De cijfers liegen er niet om. Bijna een derde van hen krijgt daarmee te maken. Dat komt zelden in de openbaarheid; maar één op de tien keer leidt zoiets tot een aangifte.

Je moet al een landelijk bekende bestuurder zijn als de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb, wil zoiets de media nog halen. Of de bedreiging moet voor ieder zichtbaar op de openbare weg worden gekalkt, zoals de burgemeester van Woerden overkwam, of er moet een vuurwapen aan te pas komen, zoals bij de burgemeester van Voerendaal. Zo spectaculair zal het meestal niet zijn. Maar de gevolgen zijn er niet minder om. Aboutaleb bleef er tamelijk laconiek onder, maar in zijn woorden voelde je hoe hard een dergelijk incident moet aankomen, zelfs wanneer en het bijna routine geworden is. Zoiets went nooit.

Al een paar maanden geleden maakte de minister bekend politici en bestuurders te willen trainen in weerbaarheid tegen en omgaan met bedreiging en geweld. Bijna alsof ook dát de gewoonste zaak van de wereld is. Wat is er in dit land in Godsnaam gebeurd dat een dergelijke training noodzakelijk moest worden? Openbaar bestuur is inmiddels een zaak waarbij risico-analyse (hoe veilig is de woonomgeving?) tot het standaard ‘starters-pakket’ gaat behoren.

Geen epidemie

Vreemd genoeg lijkt het geweld in de samenleving als geheel intussen helemaal niet te zijn toegenomen. Integendeel. Ook al wordt Nederland met enige regelmaat opgeschrikt door gevallen van ‘zinloos (uitgaans)geweld’, de statistieken wijzen allerminst op een epidemie. De openbare ruimte wordt almaar veiliger. Misschien is die nationale schrik wel het paradoxale gevolg daarvan. Hoe schaarser het geweld (het laatste voorbeeld van zinloze doodslag op straat ligt alweer een flink eind terug), des te panischer wordt de reactie wanneer het zich voordoet.

Zoiets went (of in dit geval ont-went) kennelijk wèl. Of beter: hoe frequenter het onheil, des te minder dringt het verhoudingsgewijs door in de media en dus ook in het bewustzijn van het publiek. Kranten berichten zelden over het alledaagse; koppenmakers hebben hun handen vol aan het uitzonderlijke. Is de onrust over bedreiging met en uitvoering ván geweld mede het gevolg van die uitzonderlijkheid, en komen de maatregelen van de minister dus een beetje als mosterd na de maaltijd?

In mijn geheugen zitten een paar politieke gewelddaden in Nederland opgeslagen. Boven alles uit torent de moord op Pim Fortuyn, inmiddels alweer zestien jaar geleden, gevolgd door die op The van Gogh twee jaar later. Maar in 1986 wist Hans Janmaat nauwelijks het vege lijf te redden toen het hotel waarin hij met leden van de Centrumpartij vergaderde in brand werd gestoken. Zijn levenspartner raakte er blijvend invalide door. En vijf jaar later zag staatssecretaris Aad Kosto zijn woning door een bomaanslag grotendeels verwoest. Zelf was hij op dat moment niet thuis.

Tegen die achtergrond lijkt het huidige geweld grotendeels een verbale kwestie te zijn – een in de fik gestoken (dienst)auto en een ernstig beschadigd gemeentehuis in Waalre niet te na gesproken. Is het politieke geweld in Nederland werkelijk toegenomen? Of bleef het vroeger nog meer onder de radar dan nu? Als dat zo is, dan zijn er waarschijnlijk niet eens cijfers van om dat te staven.

Landsbestuur in gevaar

Helaas: dat is allemaal statistiek. Wie zoiets werkelijk overkomt, ziet zijn leven behoorlijk overhoop gehaald – en heeft weinig boodschap aan trends van toe- of afnemend geweld in het algemeen. Dat de minister zich nu gedwongen ziet tot het invoeren van weerbaarheidstrainingen en risico-analyses is onder alle omstandigheden een treurige aangelegenheid. De toch al door verdachtmakingen geplaagde roeping tot het dienen van de openbare zaak wordt er alleen maar onaantrekkelijker door – en daarmee komt uiteindelijk het hele landsbestuur in gevaar.

Maar dreigt de natie daarmee aan geweld en bedreiging ten onder te gaan? Dat beeld is misschien alarmerender dan de feiten. Zelfs De Telegraaf werd al meer dan een halve eeuw geleden ernstiger slachtoffer van geweld en brandstichting dan nu.

Ger Groot doceerde filosofie aan de universiteiten van Rotterdam en Nijmegen. Voor Trouw bekijkt hij de actualiteit door een filosofische bril. Eerdere afleveringen van zijn columns vindt u hier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden