Intolerant voor de intoleranten

(ANP)

Het debat over de rol en de plaats van religie in de moderne westerse samenleving zit volgens Paul Cliteur „een beetje in een impasse”. Hij denkt dat de Spaanse filosoof Fernando Savater uitweg kan bieden. „We zouden hem zo naar Nederland kunnen halen als bruggenbouwer.”

Conferenties over het thema religie en politiek volgen vaak eenzelfde patroon. Op het toneel verschijnt de dagvoorzitter die de congresgangers met een zekere voldaanheid vertelt dat het onderwerp religie „weer helemaal terug is van weggeweest”. De secularisatiethese – de stelling dat in de moderne wereld de invloed van religie op ons leven steeds verder zal afnemen – is definitief weerlegd, zo horen we. Iedereen kan toch constateren dat mensen nog steeds religieus zijn?

Vervolgens wordt ter onderbouwing verwezen naar onderzoek van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid – lees: een verzameling meningen van steeds dezelfde CDA’ers en sociaal-democratische wetenschappers die hunkeren naar de wederkomst van de religie en die ook steeds weer constateren.

Vaak ontstaat dan enige aarzeling bij degene die een dergelijk betoog afsteekt, want ja, het is natuurlijk niet allemaal zo prettig wat ons als hedendaagse manifestaties van de religieuze opleving tegemoettreedt. Zelfmoordcommando’s die zich beroepen op hun religieuze overtuiging, religieuze fanatici die abortusartsen vermoorden, bedenkelijke opvattingen over homoseksualiteit, man/vrouwverhoudingen en apostasie, onderbouwd door religieuze argumentaties. Veel van de gewelddadige conflicten in deze tijd hebben te maken met religieuze tegenstellingen, zoals de historicus Christopher Catherwood terecht heeft betoogd. Je zou dan ook bijna verlangen naar de juistheid van de secularisatiethese.

Deze aarzeling, die zich zelfs bij de welwillendste observator van de religieuze herleving opdringt, wordt doorgaans gepareerd met de stelling dat het wel lijkt alsof dit sociale en politieke onheil met religie te maken heeft, maar dat dit in feite helemaal niet zo is. We zouden ons te veel concentreren op een ’kleine luidruchtige minderheid’. Bovendien, die luidruchtige en gewelddadige minderheid beroept zich weliswaar op religie, maar dat is een onheus beroep. Die groep maakt ’misbruik’ van religie. (Van religie kun je, net als van de vrijheid van meningsuiting, tegenwoordig ’gebruik’, maar ook ’misbruik’ maken). Religie is immers uit de aard der zaak vredelievend en goed. En het mag dan zo lijken dat ze in sommige gevallen aanzet tot haat en geweld, maar het zijn in feite andere factoren die daarvoor verantwoordelijk zijn. Menselijke machtshonger, ideologieën, politiek, fanatisme of de menselijke natuur tout court – dat zijn de ware oorzaken van het probleem, de werkelijke hoofdzonden van deze tijd. Terrorisme en ander geweldsgebruik hebben dan ook niets met religie te maken, maar met sociaal-economische factoren, met ’het arrogante Amerika’, met Israël en met het beleid van George W. Bush.

Tegenover dit religievriendelijke paradigma staat dat van het New Atheism. Schrijvers als Richard Dawkins, Christopher Hitchens, Sam Harris en Daniel Dennett halen enorme oplagen met hun boeken en spreken voor volle zalen over de confrontatie tussen atheïsme en godsdienst. De situatie in de Verenigde Staten lijkt op dat punt een beetje op Nederland tussen de twee wereldoorlogen, toen atheïsten als Anton Constandse in debat gingen met protestantse dominees. Dat trok een hoeveelheid publiek waarvan de meeste hedendaagse debatcentra alleen maar kunnen dromen.

De nieuwe atheïsten verwachten dat alleen een einde zal komen aan alle ellende als – vrij naar Jean Meslier – de laatste koning gewurgd zal zijn met de darmen van de laatste priester.

Dawkins en Dennett zijn de wetenschappelijke coryfeeën van de beweging, maar de grootste propagandist is ongetwijfeld Christopher Hitchens. Op YouTube kun je zien hoe moeiteloos hij de argumenten weerlegt van de hedendaagse religieuze apologeten: aanvankelijk Alistair McGrath, maar de laatste tijd ook steeds meer Dinish D’Souza.

Hoe onderhoudend dit alles ook is, het debat zit intussen wel een beetje in een impasse. Het atheïsme is nu eenmaal een hopeloos belast concept. Nieuwe atheïsten kunnen nog zo goed proberen uit te leggen wat zij ermee bedoelen, aan het atheïsme blijft het imago kleven van drammerigheid, arrogantie, agressiviteit en de pertinente onwil iets van waarde in de religieuze wereldbeschouwing te onderkennen.

Het atheïsme telkens aanvallen op de vermeende arrogantie van zijn verdedigers en niet op de inhoud mag theoretisch een zwaktebod zijn, retorisch werkt het uitstekend. Hoe sterk het intellectueel ook kan worden verdedigd (en vooral Hitchens doet dat superieur), de strijd om de public relations heeft het atheïsme verloren. Is het dan niet beter het concept helemaal te laten vallen?

Misschien zit het zo. Atheïsme valt te verdedigen als een ’private positie’, als een persoonlijke overtuiging van iemand die gelooft dat de argumenten voor het bestaan van God niet overtuigend zijn. Die positie in een publiek verband belijden is niet nodig en zelfs contraproductief.

We moeten dus iets anders hebben. Maar wat? De zweverige Duitse filosoof en socioloog Jürgen Habermas zocht het tijdens zijn gesprek met de paus in 2005 in een al te welwillende houding tegenover een religiositeit waarin hij zelf niet echt gelooft, maar die hij in een demonstratie van grenzeloze tolerantie toch zijn seculiere zegen gaf. Dat lijkt me een weinig geloofwaardig alternatief. Maar wat dan wel?

Naar mijn idee moeten we proberen naast de religieuze taal een tweede, seculiere taal te spreken, een taal die een basis biedt voor communicatie tussen de verschillende gelovigen maar die zich aan geen van de geloven geheel verpandt.

Graag verwijs ik in dit verband naar het werk van Fernando Savater (1947). Ik denk dat Savater ons een perspectief voor modern burgerschap verschaft waarmee de minister van integratie onmiddellijk aan de slag kan gaan. Zijn boeken zouden – met kleine vereenvoudigingen – verplichte kost moeten zijn in het basisonderwijs en zelfs onaangepast in het middelbaar onderwijs (hij schrijft bijzonder toegankelijk). De ideeën van deze Spaanse filosoof vormen een perfecte basis voor duurzaam samenleven zonder dat mensen door de overheid worden teruggeduwd in de religieuze kaders waaraan sommigen zich met zoveel moeite hebben ontworsteld. We zouden hem zo naar Nederland kunnen halen als bruggenbouwer tussen religieuze en ideologische groeperingen.

Fernando Savater is een van de populairste denkers van Spanje. Hij werd geboren in San Sebastián (het Spaanse Baskenland) en hij studeerde filosofie in Madrid. Om politieke redenen heeft hij in de nadagen van het Francobewind korte tijd gevangen gezeten. Hij moest ontslag nemen als universitair docent. Na de dood van Franco werd hij benoemd als hoogleraar ethiek aan de universiteit van San Sebastián en in 1993 als hoogleraar filosofie aan de universiteit van Madrid. Door zijn verzet tegen het terrorisme staat hij al jarenlang op de dodenlijst van de Eta. Van het Europees Parlement kreeg hij de Sacharov-prijs.

Laat ik beginnen met het anti-relativistisch uitgangspunt dat hij uitdraagt. In zijn onlangs verschenen verschenen ’Vrijheid, gelijkheid, burgerschap: zakwoordenboek voor mensen van morgen’ zegt hij: „We hoeven niet te verhullen noch ons ervoor te schamen dat wij in het Westen ons met pijn en moeite ontdaan hebben van de voorouderlijke manier van leven (waarin we onder meer gebukt gingen onder een rigide hiërarchie van klassen en onder de knoet van een kerkelijke gedachtepolitie). Het zou absurd zijn de verovering van de hedendaagse vrijheid ongedaan te maken door het importeren van tradities van onderdrukking en bijgeloof.”

Daarmee is natuurlijk de toon gezet voor een debat over de multiculturele samenleving. Maar Savater geeft daar verrassende wendingen aan. Bijvoorbeeld als hij het heeft over diversiteit. „Diversiteit van mensen is een gegeven feit, maar de gelijkheid van mensen is een sociale overweging, een verworven recht – en dat is iets wat veel belangrijker is vanuit menselijk oogpunt.” Diversiteit is ook niet onbegrensd. Wij moeten leren leven in verscheidenheid, maar dat vooronderstelt, zegt Savater, een eenheid ten aanzien van de beginselen die dat mogelijk maken.

Naar mijn idee heeft hij volkomen gelijk als hij het teleurstellend noemt dat de term ’diversiteit’ tegenwoordig als vooruitstrevend geldt, terwijl iemand die roept om ’eenheid’ als ’bijna fascistisch’ wordt beschouwd. Opnieuw werkt Savater dat uit naar het heikele punt van de multiculturele samenleving.

Over de veelbesproken kwestie of migranten aan hun eigen identiteit mogen vasthouden zegt hij: „Migranten hebben in beginsel gelijk als ze vasthouden aan hun gebruiken, gastronomie, hun vormen van vroomheid en proberen die met ons te delen – want de vrijheid dat te doen, is een van de vormen van rijkdom die wij bieden. Maar het bewaken van hun culturele erfenis is alleen goed mogelijk als dat gepaard gaat met het herscheppen van de tradities van hun gemeenschap in een vorm die past in onze rechtsstaat. Het werkt niet als men zich vastklampt aan tradities die strijdig zijn met democratische vrijheden.” Diversiteit is prima, kortom, maar die kan niet zover gaan dat mensen democratische waarden en rechtsstatelijke vrijheden uitleveren aan diezelfde diversiteit. Die staan recht overeind. Daar zit de ’eenheid’.

Zelf ben ik geneigd dit op de volgende manier te onderstrepen: diversiteit kán alleen voortduren als er geen discussie bestaat over de waarden en normen die diversiteit mogelijk maken. Grenzeloze diversiteit, zoals het postmodernisme wil, is een recept voor chaos.

Savater geeft ook richting aan het verwarrende debat over de plaats van religie in de samenleving. Moet religie publieke erkenning krijgen? Of is zij Privatsache? Savater zegt: „Leven in een seculiere samenleving betekent kortom dat niemand kan verhinderen dat jij een godsdienst praktiseert maar tegelijkertijd dat niemand jou een godsdienst kan opdringen.” En dan komt hij met een uitleg van een in zekere kringen verafschuwd standpunt: „Met andere woorden, religie (inclusief de religieuze houding om kerkelijke doctrines te negeren of aan te vechten in de naam van de waarheid, wetenschap, geschiedenis enzovoort) is een privéaangelegenheid en een individueel recht voor en van iedereen, maar mag nooit tot een plicht van de gemeenschap worden.”

Ik denk dat Savater hier een goede invulling geeft aan het woord ’privéaangelegenheid’. Dat woord wekt bij christen-democraten doorgaans het schrikbeeld op dat godsdienst in het publieke domein niet meer ’zichtbaar’ zou mogen zijn. Gelovigen zouden religie ’op het nachtkastje’ moeten laten liggen – wat natuurlijk onmogelijk kan, want je wilt toch voor je geloof kunnen uitkomen, nietwaar.

Dit is demagogie van het zuiverste water, want religie als ’privézaak’ betekent helemaal niet dat gelovigen in de maatschappij niet voor hun religie zouden mogen uitkomen. Dat mag iedereen – het is een recht dat wordt beschermd door artikel 6 van de Nederlandse Grondwet. Geen mens die je iets in de weg legt. Waar de discussie om draait is ten eerste of de geloofsbeleving van gelovigen met publieke middelen mag worden betaald en ten tweede of de staat zelf in het religieuze dispuut stelling moet nemen door één of meer officiële godsdiensten te bevorderen boven andere godsdiensten of boven ongeloof.

Op die vragen antwoordt het model van de religieus neutrale staat ontkennend. Dat model maakt, met andere woorden, een onderscheid tussen staat en maatschappij. En terwijl de maatschappij van zoveel religie doordrongen mag zijn als de burgers willen, mag de staat dat niet. Die moet als het ware ’boven’ de maatschappij staan, als een neutrale scheidsrechter.

Savater is ook niet zo’n voorstander van toegeven aan de wensen van terroristen. In sommige Europese landen bestaat de neiging om als een schrijver is vermoord onmiddellijk te twijfelen aan de vraag of de vrijheid van meningsuiting niet is doorgeschoten. Als het gaat om een schrijver die nare dingen over godsdienst schrijft dan stelt de minister voor toch maar eens de wetgeving betreffende godslastering te revitaliseren. Het is in Nederland voorgekomen dat in 1987, één minuut voor de uitzending, een minister naar een televisieprogramma opbelde om de programmamakers te ontraden een filmpje uit te zenden omdat dit onwelgevallig zou kunnen zijn aan mensen die niet gewend zijn aan religiekritiek. Het filmpje werd niet uitgezonden. Het leereffect daarvan op ayatollah Khomeini, die twee jaar later een fatwa over Rushdie uitsprak, verdient nog eens nader onderzoek.

Hoe het ook zij, Savater is niet voor toegeven. Hij zegt: „Het is dan ook duidelijk dat een democratische rechtsstaat niet in ’dialoog’ kan gaan met terroristen, omdat die niet in hetzelfde politieke of morele domein opereren.”

Vreemd, je voelt het altijd direct als iemand enige ervaring heeft met terrorisme. Dan hoor je iemand niet klagen over het opsteken van een sigaret in een kruitfabriek, maar zich afvragen hoe de samenleving in een kruitfabriek is veranderd.

Savanter zegt verder: „Sommigen beweren dat terrorisme een kwestie van definitie en perspectief is, dat ideeën niet strafbaar zijn en dat iedereen moet kunnen worden vertegenwoordigd in het parlement. Dat is flauwekul. Er zijn ideeën – rassenwaan, vrouwenonderdrukking, homohaat, discriminatie van moslims – die ten principale niet toelaatbaar zijn in de democratische arena, omdat zij fundamenteel botsen met de regels van de vrije omgang tussen burgers. En dat geldt ook voor ideeën die steun geven aan gewapende strijd of aan terrorisme in een democratische samenleving.”

Zelf heb ik soms de indruk dat in Nederland de échte punten niet aan de orde komen. Tegenwoordig hebben wij het gevoel dat samenleven problematisch is geworden. Onderschrijven we allemaal nog wel dezelfde waarden? Maar omdat we die discussie niet aandurven, voeren we een discussie over iets dat erop lijkt, maar dat we een minder gevaarlijk onderwerp vinden. We praten bijvoorbeeld over een canon van historische feiten. Zouden we niet allemaal moeten weten dat Willem van Oranje in Delft door Balthasar Gerards is vermoord? Of we praten over de literaire canon. Moet niet iedereen Multatuli gelezen hebben?

Dit soort discussies zit er net naast. Het gaat immers om een gemeenschappelijk gedeeld geheel aan waarden en normen, niet om de gebrekkige kennis van historische feiten en van de Nederlandse literatuur. Die canondiscussie komt bij het echte onderwerp alleen in de buurt.

Toch, uiteindelijk moeten we aan de orde durven stellen dat de gehele burgerij de basiswaarden van rechtsstaat, democratie en mensenrechten moet onderschrijven. Vervolgens kun je – natuurlijk – discussie voeren over wat die waarden zijn, wat ze inhouden en wat in overeenstemming en wat in strijd is met die waarden. Maar elk gesprek daarover van tafel vegen als ’provocatief’, ’niet-respectvol’ of anderszins ongewenst, stelt het noodzakelijke gesprek alleen uit.

Savater wijst ook af wat ik wel eens ’Verlichtingsoptimisme’ heb genoemd: de overtuiging dat Verlichte waarden vanzelf wel ingang vinden. Als een belangrijk Verlichtingsoptimist verwijst hij naar Markies de Condorcet (1743-1794).

We moeten goed voor ogen houden, schrijft Savater, dat vooruitgang niet te danken is aan een of ander mechanisme van de Voorzienigheid of van de geschiedenis. Dat laatste dacht Condorcet, maar Savater bestrijdt dat. Hij zegt: „Vooruitgang is altijd en overal louter het resultaat van onze eigen bewuste inspanning, van ons eigen vermogen om te vechten tegen wat slecht is en te vechten voor wat beter is.”

Dit zou tegenwoordig wellicht als veel te theatraal en militant worden opgevat, maar ik denk dat hij gelijk heeft. Het is ook verstandig, zoals Savater opmerkt, dat we altijd voor ogen houden dat we in onze worsteling voor vooruitgang kunnen stuiten op tegenvallers en onverwachte hindernissen. „Geen enkele fase in de verovering van de beschaving is definitief in marmer gebeiteld, op elk moment kan hernieuwde tirannie opduiken of kan de afbladdering van onze civilisatie inzetten als we haar verwaarlozen.”

Voorondersteld aan een dergelijke overtuiging is natuurlijk dat niet alleen ons huis, onze auto en andere onderdelen van de materiële cultuur letterlijk onderhoud vergen, maar ook het immateriële deel van onze cultuur. Opnieuw een gedachte die velen als wonderlijk zal voorkomen. Mensenrechten, democratie, rechtsstaat – dat is toch gewoon verwerkelijkt? Wat wil die man?

Magistraal is de omschrijving die Savater geeft van wat ’progressief’ is. Hij zegt dat progressief zijn inhoudt dat je „bereid bent de strijd aan te gaan tegen slechte veranderingen en je sterk te maken voor het in standhouden van wat goed is.” Zo kan het zijn dat de beste manier om vooruit te komen bestaat uit het „beschermen van bestaande sociale en culturele verworvenheden die verloren dreigen te gaan”. Dit lijkt mij een belangrijk punt; het laat precies zin waarom de huidige manier om een tegenstelling tussen rechts en links te construeren zo onzinnig is.

Het probleem met deze tijd is niet dat de waarden van democratie, rechtsstaat, tolerantie en mensenrechten niet meer als idealen worden gezien, maar dat mensen denken – in het bijzonder de intellectuele en bestuurlijke elite – dat ze geen verdediging behoeven. Elke vorm van verdediging wordt afgewezen als militant, agressief, zelotisch, theatraal, fundamentalistisch, onnodig, provocatief, polariserend of ’moreel hysterisch’. Radicale religieuze predikers met de bizarste ideeën over de man-vrouwverhouding, religieuze straffen en homoseksualiteit wordt de hand boven het hoofd gehouden. Zij krijgen prestigieuze staatsprijzen en lucratieve onderzoeksopdrachten. Het lijkt wel alsof een decadente culturele en politieke elite haar tolerantie wil demonstreren door het intolerante salonfühig te verklaren.

Vanwaar die cultivering? Is het angst voor de overmacht van de vijand? Een onbewuste poging om bij de machthebbers in het gevlij te komen (het Stockholm-syndroom)? Of is het naïef optimisme dat bestaat uit het onderschatten van de vijand? Mag je überhaupt nog wel spreken van een ’vijand’ van de open samenleving? Karl Popper had het na de Tweede Wereldoorlog over ’de open samenleving en haar vijanden’. Zoiets zou tegenwoordig al snel verdacht worden gemaakt. Toch zijn die vijanden er wel degelijk. Al Zawahiri is een vijand van de Open Samenleving. Bin Laden ook. De taliban zijn dat evenzeer. En de invloed van de heren strekt verder dan de grotten in het onherbergzame Pakistan.

Nu zal de hedendaagse elite (een beetje sadder and wiser dan een paar jaar geleden) dat waarschijnlijk wel erkennen, maar de leden daarvan denken dan weer dat het hierbij gaat om spoken die door de regering-Bush zijn opgeroepen. Om fantomen die vanzelf zullen verdwijnen als Obama met zijn verzoenende redevoeringen de wereld tot rust brengt.

Ik help het ze graag hopen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden